Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:2080

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
22 april 2026
Publicatiedatum
30 april 2026
Zaaknummer
UTR 25/4541
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 Wsg
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag uitkering Schadefonds Geweldsmisdrijven wegens onvoldoende objectieve aanwijzingen

Eiser diende een aanvraag in voor een uitkering uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven naar aanleiding van een vermeende mishandeling en straatroof op 25 maart 2020. De aanvraag werd door de Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven (CSG) afgewezen omdat niet aannemelijk kon worden gemaakt dat sprake was van een opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf.

Eiser voerde aan dat de afwijzing onterecht was omdat zijn politieaangifte concrete feiten bevatte, zoals de aanwezigheid van twee zilverkleurige auto’s, een plotselinge aanval, en medisch vastgesteld zwaar letsel. Hij stelde dat de CSG ten onrechte zwaar had getild aan het ontbreken van duidelijkheid over de aanleiding en omstandigheden van het incident.

De rechtbank oordeelde dat de CSG terecht de aanvraag had afgewezen omdat onvoldoende objectieve informatie beschikbaar was om een duidelijk beeld te vormen van de toedracht en omstandigheden. De politieaangifte bestond slechts uit de eigen verklaring van eiser en werd niet ondersteund door andere objectieve bronnen. Ook het medisch letsel kon niet uitsluiten dat het letsel door een val was ontstaan. De rechtbank vond dat de CSG het besluit zorgvuldig had genomen en dat het aan eiser was om voldoende concrete informatie aan te leveren.

Het beroep werd ongegrond verklaard, waardoor eiser geen recht heeft op een uitkering en ook geen proceskostenvergoeding ontvangt.

Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende objectieve aanwijzingen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/4541

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 april 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. M.J.G. Schroeder),
en

De commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven, hierna te noemen: CSG

(gemachtigde: mr. A.M. Hepping).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om een uitkering uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven omdat hij slachtoffer zou zijn geworden van een mishandeling. De aanvraag is afgewezen omdat volgens de CSG niet vastgesteld kan worden wat er is gebeurd. Het is daarom niet aannemelijk dat eiser slachtoffer is van een opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf. Eiser is het niet eens met afwijzing van de aanvraag. Hij voert hiertoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

3. Eiser zou op 25 maart 2020 slachtoffer zijn geworden van een mishandeling en straatroof in Den Haag. Eiser heeft op 10 april 2020 een telefonische verklaring afgelegd bij de politie. De politie heeft hiervan op 13 oktober 2021 een proces-verbaal opgemaakt.
4. Vanwege deze gebeurtenis heeft eiser op 17 juli 2024 een aanvraag ingediend voor een uitkering uit het Schadefonds geweldsmisdrijven (hierna: het schadefonds).
5. Met het besluit van 31 oktober 2024 (primaire besluit) heeft de CSG de aanvraag van eiser afgewezen omdat niet aannemelijk is dat eiser slachtoffer zou zijn geworden van een opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf.
6. Met het besluit van 25 juni 2025 (het bestreden besluit) op het bezwaar van eiser is de CSG bij haar afwijzing van de aanvraag gebleven.
7. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
8. De CSG heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
9. De rechtbank heeft het beroep op 11 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de CSG.

Beoordeling door de rechtbank

10. De rechtbank beoordeelt het bestreden besluit van de CSG. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
Het toetsingskader
11. Volgens artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven (hierna: Wsg) kunnen uit het schadefonds uitkeringen worden gedaan aan een ieder die ten gevolge van een in Nederland opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf ernstig lichamelijk of geestelijk letsel heeft bekomen.
12. Het Schadefonds hanteert beleidsregels uit de Beleidsbundel
Schadefonds Geweldsmisdrijven (beleidsbundel), om invulling te geven aan de vereisten genoemd in artikel 3, eerste lid Wsg. De beoordeling houdt in dat er een duidelijk beeld dient te bestaan van de aanleiding, toedracht en omstandigheden waaronder het
geweldsmisdrijf plaatsvond. Het vaststellen van een geweldshandeling alleen is dus onvoldoende om te kunnen concluderen dat aan de voorwaarden van artikel 3 van Pro de Wsg wordt voldaan. Ook moeten er voldoende objectieve aanwijzingen zijn die de opgave van het slachtoffer over de toedracht, aanleiding en de omstandigheden van het voorval ondersteunen. In de Beleidsbundel staat hierover onder meer:
“Het uitgangspunt is dat het slachtoffer verantwoordelijk is voor het onderbouwen van de aanvraag met voldoende objectieve aanwijzingen. Objectieve aanwijzingen zijn aanwijzingen afkomstig uit een andere bron dan het slachtoffer zelf. Deze bronnen moeten betrouwbaar en onpartijdig zijn en vanuit eigen waarneming verklaren.”
13. Verder is het volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna te noemen: de Afdeling) aan de aanvrager van een uitkering uit het fonds om met voldoende objectieve aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij slachtoffer is geworden van een tegen hem opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf. [1]
Heeft de CSG de aanvraag op goede gronden afgewezen?
14. Eiser voert aan dat de CSG de aanvraag niet mocht afwijzen. De CSG heeft ten onrechte geconcludeerd dat er geen objectieve informatie beschikbaar is die de lezing van eiser ondersteunt. De aangifte van eiser bevat namelijk concrete en objectieve feiten over het geweldsmisdrijf: er was sprake van twee zilverkleurige auto’s met inzittenden, een plotselinge aanval, verlies van bewustzijn, eiser is door de politie aangetroffen bij de snackbar, vervoerd per ambulance en behandeld in het ziekenhuis. Het ziekenhuis heeft bevestigd dat eiser zwaar letsel had, namelijk een gebroken neus en oogkas. Dit letsel is consistent met een harde klap of geweldstoepassing. Eiser heeft volgens het verslag van de spoedeisende hulp op het moment dat hij daar was gezegd dat hij voorover was gevallen en dat er geen sprake was van mishandeling. Volgens eiser had de CSG daar echter niet van mogen uitgaan omdat hij die opmerkingen in staat van verwardheid of shock heeft gemaakt. De consistente en gedetailleerde politieaangifte moet zwaarder wegen, aangezien die is gedaan toen hij stabiel was. Daarbij stelt eiser dat de CSG ten onrechte zwaar gewicht heeft toegekend aan het ontbreken van duidelijkheid over de aanleiding en de omstandigheden, omdat een ‘motief’ of ‘aanleiding’ voor de mishandeling geen voorwaarde is voor inwilliging van de aanvraag.
15. De rechtbank oordeelt dat de CSG de aanvraag op goede gronden heeft afgewezen. De rechtbank begrijpt dat het vervelend is wat eiser is overkomen. Gelet op het toetsingskader, moet CSG zich bij de beoordeling van een verzoek om een tegemoetkoming echter een duidelijk beeld vormen van de aanleiding, toedracht en omstandigheden. Daarvoor beschikt de CSG in dit geval over onvoldoende objectieve informatie. De rechtbank overweegt dat de aangifte van eiser geen objectieve informatie is, omdat in de aangifte alleen is opgeschreven wat hij zelf heeft verklaard. Verder wordt zijn verklaring dat hij twee zilverkleurige auto’s met inzittenden heeft gezien en dat hij vermoedt dat de ex-partner van zijn vriendin iets te maken heeft met het ongeval, niet bevestigd door andere, objectieve bronnen. Het staat vast dat eiser letsel heeft opgelopen en is vervoerd door een ambulance. Ook daaruit kan echter niet worden afgeleid hoe het ongeval is ontstaan en wat de omstandigheden waren. Het beschrijft enkel de gevolgen. Er is dan ook onvoldoende voldaan aan de eis dat een duidelijk beeld moet kunnen worden gevormd van de aanleiding, toedracht en omstandigheden waaronder het letsel is ontstaan. De beroepsgronden die hierop zien slagen dus niet.
Heeft de CSG het besluit onzorgvuldig genomen?
16. Eiser voert aan dat de CSG het besluit onzorgvuldig heeft genomen. Het letsel is volgens hem niet verenigbaar met een eenvoudige val. De CSG had een medisch advies moeten inwinnen, aangezien de CSG stelt dat het letsel zowel door een val als een geweldsmisdrijf kan zijn ontstaan. Daarnaast had de CSG het politiedossier moeten opvragen. Dat de politie het opsporingsonderzoek heeft beëindigd, betekent niet dat geen geweldsmisdrijf heeft plaatsgevonden.
17. De rechtbank is van oordeel dat de CSG het besluit niet onzorgvuldig heeft genomen. Allereerst stelt de rechtbank vast dat de CSG het politiedossier heeft opgevraagd. Hieruit blijkt dat het politieonderzoek niet is doorgezet, omdat eiser zijn aangifte nooit heeft ondertekend ondanks herhaalde verzoeken van de politieagenten. Daarnaast overweegt de rechtbank dat een medisch adviseur niet kan vaststellen wat de aanleiding, omstandigheden en toedracht was van het ongeval. Hierover zal onduidelijkheid blijven bestaan, zelfs als de medisch adviseur vast zou stellen dat het letsel enkel door een klap kan zijn ontstaan. Het ligt op de weg van eiser om voldoende concrete informatie aan te leveren waaruit blijkt dat er sprake is geweest van een geweldsmisdrijf in de zin van artikel 3 van Pro de Wsg. Het enkele feit dat er sprake zou zijn geweest van een klap (als dat al zou worden vastgesteld) betekent namelijk nog niet dat eiser recht heeft op een uitkering uit het schadefonds geweldsmisdrijven. Daarvoor is meer informatie nodig, zoals hiervoor al is overwogen. De beroepsgrond die op deze onderwerpen zien slagen dus ook niet.

Conclusie en gevolgen

18. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Wagenaar, rechter, in aanwezigheid van mr. N.A.P. Vrijsen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 22 april 2026.
De griffier is verhinderd
De uitspraak te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraken met de volgende vindplaatsen: ECLI:NL:RVS:2018:3543 en ECLI:NL:RVS:2019:173