ECLI:NL:RBMNE:2026:205

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
22 januari 2026
Publicatiedatum
29 januari 2026
Zaaknummer
UTR 26/588
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:87 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek college tot opheffing schorsing last onder bestuursdwang voor opvanglocatie kwetsbare vrouwen

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Woudenberg legde op 17 januari 2026 een last onder bestuursdwang op aan het kerkgenootschap Hare Krishna, dat een deel van een woning gebruikt voor de opvang en zorg van kwetsbare vrouwen met een verslavingsachtergrond. Belanghebbende maakte bezwaar en vroeg om een voorlopige voorziening, die op 19 januari 2026 werd toegewezen, waardoor de last werd geschorst.

Het college verzocht vervolgens op 20 januari 2026 om opheffing van deze schorsing, onderbouwd met een conceptrapport van de GGD regio Utrecht waarin ernstige risico’s en onveiligheid voor cliënten werden geconstateerd. De voorzieningenrechter behandelde dit verzoek op 22 januari 2026 in een mondelinge zitting.

De voorzieningenrechter oordeelde dat het conceptrapport onvoldoende reden gaf om het voortvarende handhavingsoptreden te rechtvaardigen, mede gelet op de schriftelijke en mondelinge verklaringen van belanghebbende en betrokkenen, en het feit dat het rapport nog niet definitief was. Daarom werd het verzoek van het college afgewezen en bleef de schorsing van kracht totdat het bezwaar was behandeld.

Daarnaast werd het college veroordeeld tot betaling van proceskosten aan belanghebbende. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek van het college tot opheffing van de schorsing van de last onder bestuursdwang wordt afgewezen en de schorsing blijft van kracht.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/588

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van

22 januari 2026 op het verzoek van

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Woudenberg(het college), verzoeker
om toepassing van artikel 8:87, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
Kerkgenootschap Hare Krishna, h.o.d.n. [handelsnaam], uit Amsterdam (belanghebbende).

Inleiding

1. Met een besluit van 17 januari 2026 heeft het college een last onder bestuursdwang opgelegd. De last houdt in dat belanghebbende het gebruik van een deel van de woning aan de [adres] in [plaats] (het perceel) en ook het bijbehorende bouwwerk ernaast dat belanghebbende als huurder gebruikt voor de opvang, begeleiding en zorg van ter plaatse verblijvende kwetsbare vrouwen met een verslavingsachtergrond volledig staakt en gestaakt houdt. Belanghebbende kan aan de last voldoen door ervoor te zorgen dat alle personen die tijdelijk woonachtig zijn op het perceel om begeleiding of zorg te ontvangen van belanghebbende, maar ook alle personen die voor of namens belanghebbende aanwezig zijn om die zorg of begeleiding aan te bieden, het perceel verlaten. Belanghebbende dient de overtreding uiterlijk maandag 19 januari om 12.00 uur te beëindigen en beëindigd te houden. Belanghebbende heeft hiertegen op 17 januari 2026 bezwaar gemaakt en een verzoek om voorlopige voorziening ingediend.
2. De voorzieningenrechter heeft met de uitspraak van 19 januari 2026 het verzoek om voorlopige voorziening toegewezen en het besluit geschorst tot de beslissing op bezwaar.
3. Het college heeft op 20 januari 2026 een verzoek tot opheffing van de schorsing ingediend met daarbij een rapport van de GGD regio Utrecht van 20 januari 2026.
4. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 22 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens het college mr. D.J. Rijken en mr. R. Tiller-Burleson, namens belanghebbende mr. M.I. L'Ghdas en [A] , bestuurder. Ook zijn verschenen [B] , toezichthouder, [C] , directeur van de Stichting Recovery Verslavingszorg uit Abcoude, en een aantal cliënten en begeleiders van belanghebbende.
5. Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
7. Een verzoek om wijziging of opheffing van de getroffen voorlopige voorziening kan slechts voor toewijzing in aanmerking komen indien het college terecht een beroep doet op feiten of omstandigheden die hem ten tijde van het verzoek van belanghebbende niet bekend was en redelijkerwijs ook niet bekend kon zijn dan wel op nieuwe feiten of omstandigheden van na de uitspraak die een dergelijk verzoek rechtvaardigen. [1]
8. De voorzieningenrechter heeft op 19 januari 2026 de opgelegde last onder bestuursdwang geschorst, omdat op dat moment slechts een tussentijdse advies van de GGD van 16 januari 2026 beschikbaar was. De voorzieningenrechter vond dat summiere advies op dat moment nog niet een verklaring waarom het college op stel en sprong moest handhaven op met het bestemmingsplan strijdig gebruik.
9. Het college wijst nu ter onderbouwing van zijn verzoek om de schorsing op te heffen op een conceptrapport van de GGD regio Utrecht van 20 januari 2026. In dat rapport staat dat naar aanleiding van een signaal vanuit Openbare Orde en Veiligheid van de gemeente Woudenberg een bestuurlijke controle is uitgevoerd op het perceel. Daarbij heeft de toezichthouder ernstige risico’s en onveiligheid voor de cliënten van belanghebbende geconstateerd. Ook zijn er problemen met de integriteit en professionaliteit. Het advies van de toezichthouder aan de gemeente is om de zorg/ondersteuning van de inwoners per direct stop te zetten en de inwoners over te plaatsen naar een andere zorgaanbieder. Belanghebbende is in de gelegenheid gesteld om op het concept rapport uiterlijk 3 februari 2026 zijn schriftelijke reactie te geven.
10. De voorzieningenrechter stelt vast dat het concept rapport van de GGD nu wel wat meer onderbouwing geeft van de reden waarom het college zo snel heeft opgetreden. Toch vindt zij het rapport nog onvoldoende om het zo voortvarende optreden te rechtvaardigen. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter ook de schriftelijke verklaringen die belanghebbende heeft overgelegd en de op de zitting afgelegde verklaringen van de cliënten en de verklaring van de heer [C] , directeur van de Stichting Recovery Verslavingszorg. Uit de verklaringen is de voorzieningenrechter duidelijk dat het perceel een belangrijke basis vormt voor de cliënten van belanghebbende en dat er ook betrokkenheid is van een gespecialiseerde GGZ-instelling bij en op de locatie. Verder is van belang dat het GGD-rapport nog niet definitief is en er nog zienswijzen daartegen kunnen worden ingediend.
11. Het voorgaande betekent naar het oordeel van de voorzieningenrechter dat op dit moment onvoldoende reden aanwezig is om in het ruimtelijk handhavingstraject niet een zorgvuldige besluitvormingsprocedure te doorlopen, waarbij in het kader van de zorgvuldigheid wat langere termijnen om te reageren in acht worden genomen en een langere begunstigingstermijn wordt gegeven. Belanghebbende kan daarmee op verantwoorde wijze goede oplossingen zoeken voor de cliënten, waaronder ook een andere locatie.

Conclusie en gevolgen

12. Gelet op bovenstaande, wijst de voorzieningenrechter het verzoek van het college tot opheffing van de schorsing af. Dat betekent dat het besluit van 17 januari 2026 geschorst blijft totdat het college heeft besloten op het bezwaar van belanghebbende.
13. Omdat het verzoek wordt afgewezen, moet het college een vergoeding betalen voor de proceskosten van belanghebbende. De vergoeding bedraagt € 934,- voor het bijwonen van de zitting.
14. Partijen zijn erop gewezen dat tegen deze mondelinge uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • wijst het verzoek om opheffing van de bij de uitspraak van 19 januari 2026 getroffen voorlopige voorziening af;
  • veroordeelt het college in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 934,-.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2026 door mr. R.C. Stijnen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.S.D. de Weerd, griffier.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.ABRvS 17 augustus 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2335, r.o. 6.