ECLI:NL:RBMNE:2026:202

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
30 januari 2026
Publicatiedatum
29 januari 2026
Zaaknummer
UTR 25/1915
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van de afwijzing van de aanvraag voor een meerjarige productiesubsidie door Holland Opera

In deze uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland op 30 januari 2026, wordt het beroep van Stichting Holland Opera tegen de afwijzing van hun aanvraag voor een meerjarige productiesubsidie door het Fonds Podiumkunsten behandeld. Holland Opera had een subsidie van € 845.000,- aangevraagd, maar deze werd afgewezen op basis van een advies van de adviescommissie. De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is, omdat het advies niet op alle punten zorgvuldig en begrijpelijk was. De rechtbank stelt vast dat het Fonds onvoldoende heeft gemotiveerd hoe het criterium 'betekenis voor de Nederlandse podiumkunstpraktijk' is beoordeeld, vooral in het licht van het feit dat Holland Opera het eerste zelfstandige jeugdoperahuis van Europa is. Daarnaast heeft de rechtbank geoordeeld dat de beoordeling van de geografische spreiding niet transparant was, omdat het Fonds had besloten dat uitvoeringen in Amsterdam niet zouden meetellen, zonder dit vooraf duidelijk te maken. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt het Fonds op om binnen tien weken een nieuw besluit te nemen, waarbij het Fonds het griffierecht en proceskosten aan Holland Opera moet vergoeden.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/1915

uitspraak van de meervoudige kamer van 30 januari 2026 in de zaak tussen

Stichting Holland Opera, uit Amersfoort, Holland Opera

(gemachtigde: mr. I.H. van den Berg),
en
de raad van bestuur van Stichting Nederlands Fonds voor Podiumkunsten, verweerder (gemachtigden: mr. D. Boekema en M.G. van Wamel).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van Holland Opera om een productiesubsidie op grond van de Deelregeling meerjarige productiesubsidies Fonds Podiumkunsten 2025-2028 (de regeling). Holland Opera is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep van Holland Opera gegrond is. Het advies van de adviescommissie dat het Fonds aan de afwijzing ten grondslag heeft gelegd, is niet op alle punten zorgvuldig, inzichtelijk en begrijpelijk. Dat doet zich voor bij een aspect van het criterium betekenis voor de Nederlandse podiumkunstpraktijk. Daarnaast heeft het Fonds onvoldoende kenbaar gemaakt hoe het criterium geografische spreiding zou worden beoordeeld. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Holland Opera heeft een aanvraag ingediend voor een meerjarige productiesubsidie in categorie III. Het gaat om een subsidie van € 845.000,-.
2.1.
Het Fonds heeft de aanvraag met het besluit van 3 juli 2024 afgewezen. Het Fonds heeft hieraan het advies van de adviescommissie ten grondslag gelegd. De adviescommissie heeft positief geadviseerd over de aanvraag van Holland Opera, maar het subsidiebudget is ontoereikend om de subsidie toe te kennen.
2.2.
Met het bestreden besluit van 27 januari 2025 op het bezwaar van Holland Opera is het Fonds bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Wel heeft het Fonds onder verwijzing naar de nadere motivering van de adviescommissie de motivering op het criterium “betekenis voor de Nederlandse podiumkunstpraktijk” aangevuld.
2.3.
Holland Opera heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het Fonds heeft hierop gereageerd met een verweerschrift. Hierna heeft Holland Opera aanvullende stukken ingediend.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 12 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van Holland Opera, [A] (vertegenwoordiger van Holland Opera) en de gemachtigden van het Fonds.

Beoordeling door de rechtbank

De regeling
3. De regeling biedt professionele gezelschappen, makers(collectieven) en ensembles de mogelijkheid om een aanvraag in te dienen voor een productiesubsidie. Die productiesubsidie wordt voor vier jaar verstrekt (periode 2025-2028).
3.1.
Aanvragen worden voorgelegd aan een adviescommissie die bestaat uit een gezelschap van deskundigen op het gebied van podiumkunsten. De adviescommissie beoordeelt de aanvraag aan de hand van de criteria van de regeling. Het gaat daarbij om de volgende vier criteria: artistieke kwaliteit, publieksfunctie, betekenis voor de Nederlandse podiumkunstpraktijk en geografische spreiding. Per criterium kan een aanvrager punten toebedeeld krijgen. Die punten maken samen de waardering van de adviescommissie. In een toelichting op de regeling zijn de criteria en de bijbehorende waarderingen nader uitgewerkt.
3.2.
Vervolgens worden de aanvragen op basis van de toegekende waardering op alle criteria in categorieën onderverdeeld: ‘honoreren’, ‘honoreren voor zover het budget dat toelaat’ en ‘niet honoreren’. Om voor ‘honoreren (voor zover het budget dat toelaat)’ in aanmerking te komen, moet de waardering tenminste zes punten bevatten. Het Fonds honoreert eerst de aanvragen met het advies ‘honoreren’ en daarna de aanvragen met het advies ‘honoreren voor zover het budget dat toelaat’ in volgorde van rangorde. Het Fonds verdeelt het beschikbare budget volgens deze rangorde waarbij aanvragen worden toegewezen of gedeeltelijk toegewezen totdat het van toepassing zijnde subsidieplafond is bereikt. De overige aanvragen worden afgewezen.
3.3.
Holland Opera heeft bij de beoordeling zes punten toegekend gekregen: drie punten voor artistieke kwaliteit (ruim voldoende), een punt voor publieksfunctie (voldoende), nul punten voor betekenis voor Nederlandse podiumkunstpraktijk (neutraal) en twee punten voor geografische spreiding (ruim voldoende). Daarmee kreeg de aanvraag het advies ‘honoreren voor zover het budget dat toelaat’ mee. Vanwege budgettaire redenen is de aanvraag niet gehonoreerd.
Het toetsingskader
4. Indien een bestuursorgaan zich bij zijn besluitvorming laat adviseren door een deskundige, geldt als algemeen uitgangspunt dat het bestuursorgaan dan op het advies van de deskundige mag afgaan, nadat het is nagegaan of dit op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. In het geval een partij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht, mag het bestuursorgaan niet zonder nadere motivering op het advies afgaan. Dit algemene uitgangspunt geldt ook voor het Fonds bij een kunstsubsidie zoals hier aan de orde. [1] Het gaat er bij kunstsubsidies om dat de aanvrager in voldoende mate inzicht wordt verschaft in de gedachtegang die aan het gevolgde advies ten grondslag ligt. De aard van artistieke kwaliteitsoordelen brengt met zich mee dat de bestuursrechter de adviezen van de adviescommissie slechts terughoudend kan toetsen. Bij besluiten over productiesubsidies komt het Fonds immers beslissingsruimte toe.
4.1.
In geschil is de beoordeling van de criteria artistieke kwaliteit, betekenis voor de Nederlandse podiumkunstpraktijk en geografische spreiding en hoe de adviescommissie deze criteria heeft gewaardeerd. De rechtbank zal deze criteria hieronder bespreken en haar oordeel hierover geven. De rechtbank zal bij de beoordeling van het criterium betekenis voor de Nederlandse podiumkunstpraktijk ook de beroepsgrond over het gelijkheidsbeginsel bespreken.
Artistieke kwaliteit
Oorspronkelijkheid
5. Holland Opera stelt dat de adviescommissie haar advies over de oorspronkelijkheid van de uitgevoerde en beoogde projecten niet heeft gemotiveerd. De adviescommissie vindt dat sommige producties weinig oorspronkelijk zijn en wat meer aan de verbeelding van de jeugdige toeschouwer mogen overlaten. Voor Holland Opera is onduidelijk over welke producties de adviescommissie spreekt, waarbij de verbeelding van de jeugdige toeschouwer ook niets zegt over de oorspronkelijkheid. Het valt Holland Opera verder op dat de bezwaaradviescommissie een eigen invulling geeft aan hoe de adviescommissie over de verbeelding moet hebben gedacht.
5.1.
Het Fonds is van mening dat het advies voldoende inzicht verschaft in de gedachtegang van de adviescommissie. De adviescommissie geeft namelijk een naar haar aard subjectief, artistiek kwaliteitsoordeel dat moeilijk in feiten is te duiden. Daarbij kan de adviescommissie zich in bredere zin baseren op meerdere producties en hoeven de producties niet bij naam te worden genoemd. Dat de adviescommissie bij het vaststellen van de oorspronkelijkheid belang hecht aan de verbeelding voor de jeugdige bezoeker kan het Fonds volgen, omdat dit volgens het ingediende activiteitenplan één van de kernbegrippen is van waaruit Holland Opera werkt. Het Fonds en meer in het bijzonder de bezwaaradviescommissie heeft geen eigen invulling gegeven aan de advisering van de adviescommissie.
5.2.
De rechtbank geeft Holland Opera op dit punt ongelijk. In de toelichting bij de regeling staat over de oorspronkelijkheid vermeld dat dit gaat over de eigenheid en herkenbaarheid van de uitgevoerde en beoogde projecten. De invulling van die eigenheid en herkenbaarheid betreft een artistiek kwaliteitsoordeel van de adviescommissie. Een artistiek kwaliteitsoordeel is gebaseerd op verschillende visies, ervaringen en kennis van de adviseurs. Dergelijke oordelen dragen een zekere mate van subjectiviteit. Dat sommige producties weinig oorspronkelijk zijn, valt daarom onder het artistieke kwaliteitsoordeel van de adviescommissie. Dat geldt ook voor de waarde die in dit verband wordt toegekend aan de verbeelding van de jeugdige bezoeker. Dit kan door de rechtbank niet worden getoetst, anders dan of de daaraan ten grondslag gelegde gedachtegang voldoende inzichtelijk is gemaakt. De conclusie van het Fonds dat de producties niet concreet worden genoemd, omdat sprake is van een algemeen kritiekpunt is verder begrijpelijk. Het advies is gebaseerd op het volledige activiteitenplan van Holland Opera. Daaraan liggen meerdere (toekomstige) producties ten grondslag. Als het een algemeen kritiekpunt betreft, is het voor de begrijpelijkheid van het advies niet nodig dat de adviescommissie de producties afzonderlijk beoordeelt. Het advies is naar het oordeel van de rechtbank op dit punt dus inzichtelijk en voldoende gemotiveerd.
Zeggingskracht
5.3.
Holland Opera is het daarnaast oneens met de beoordeling van de zeggingskracht. De adviescommissie komt ten aanzien van de zeggingskracht van Holland Opera tot het oordeel dat de dramaturgie van eerdere producties niet altijd even overtuigend is. Holland Opera stelt dat het ook hier onduidelijk is welke producties het betreft, of deze zijn bezocht en waarom deze niet altijd even overtuigend zijn.
5.4.
Het Fonds erkent dat niet wordt genoemd welke specifieke producties het betreft, maar stipt aan dat Holland Opera bij de aanvraag videoregistraties heeft ingestuurd. Het Fonds gaat er redelijkerwijs vanuit dat de adviescommissie in ieder geval deze producties heeft beoordeeld. Ook dit is daarom een algemeen kritiekpunt op het werk van Holland Opera in brede zin.
5.5.
Het betoog van Holland Opera slaagt niet. Uit de toelichting op de regeling volgt dat de zeggingskracht betrekking heeft op de overdracht op het publiek. Het gaat er daarbij om of de voorstellingen of concerten het beoogde publiek hebben aangesproken en of voorgenomen activiteiten het beoogde publiek zullen aanspreken. In dat verband kijkt de adviescommissie ook in hoeverre de maker(s) met hun voorstellingen of concerten het beoogde publiek weten te beroeren, prikkelen of verrassen. Het betreft hier een artistiek kwaliteitsoordeel van de adviescommissie dat subjectief van aard is en dat niet door de rechtbank kan worden getoetst anders dan of de daaraan ten grondslag gelegde gedachtegang voldoende inzichtelijk is gemaakt.
5.6.
De rechtbank vindt de gedachtegang voldoende inzichtelijk. De adviescommissie heeft over de zeggingskracht opgemerkt dat bij veel projecten wel een thema wordt genoemd, maar dat de scenografie nauwelijks is uitgewerkt en dat de verhaallijn onderbelicht blijft. De adviescommissie vindt dit een gemis omdat zij de dramaturgie van eerdere producties niet altijd even overtuigend vindt. Deze gedachtegang sluit aan bij de hierboven genoemde uitleg van de zeggingskracht. Dat niet duidelijk is welke producties het precies betreft en of deze zijn bezocht, is voor de begrijpelijkheid van het advies niet noodzakelijk. Het advies is op dit punt voldoende inzichtelijk gemotiveerd.
Tussenconclusie voor artistieke kwaliteit5.7. De rechtbank ziet in de gronden die betrekking hebben op de artistieke kwaliteit geen reden om het bestreden besluit voor onjuist te houden. Het advies van de adviescommissie is op de hiervoor genoemde punten inzichtelijk en begrijpelijk. Het Fonds mocht hiervan uitgaan en heeft daarin terecht de bezwaaradviescommissie gevolgd.
Betekenis voor de Nederlandse podiumkunstpraktijk
Advisering van de adviescommissie
6. Holland Opera is het ten aanzien van de betekenis voor de Nederlandse podiumkunstpraktijk op verschillende punten niet met de adviescommissie eens. Holland Opera betoogt allereerst dat de adviescommissie de kernactiviteit van Holland Opera onjuist of te beperkt heeft omschreven. Holland Opera is namelijk het eerste zelfstandige jeugdoperahuis van Europa en levert alleen daarom al een betekenisvolle bijdrage aan de Nederlandse podiumkunstpraktijk in brede zin. Verder stelt Holland Opera dat zij een onderscheidende bijdrage op het gebied van talentontwikkeling levert. Zij geeft op grote schaal en meer dan andere aanvragers jonge makers en uitvoerenden een kans. Ook heeft zij een voorbeeldfunctie op het gebied van het verkleinen van de ecologische voetafdruk van de sector. Zij produceert haar voorstellingen al jarenlang zo duurzaam mogelijk en hergebruikt haar decors.
6.1.
Het Fonds vindt dat het advies van de adviescommissie kan worden gevolgd. De adviescommissie heeft in haar advies aangegeven dat de kernactiviteit van Holland Opera betekenis heeft voor de werkpraktijk van het gezelschap, maar dat de activiteiten niet onderscheidend zijn voor de Nederlandse podiumkunsten in de brede zin. Het Fonds licht dit toe door te benoemen dat het opereren van een gezelschap binnen een nichemarkt, in dit geval jeugdopera, niet automatisch tot gevolg heeft dat de niche van betekenis is voor de Nederlandse podiumkunstpraktijk in brede zin. Ook op de andere punten vindt het Fonds het advies van de adviescommissie navolgbaar.
6.2.
De rechtbank geeft Holland Opera gelijk op het punt dat onvoldoende gemotiveerd is hoe de adviescommissie heeft meegewogen dat Holland Opera het eerste zelfstandige jeugdoperahuis van Europa is. In de toelichting op de regeling staat dat voor de betekenis voor de Nederlandse podiumkunstpraktijk wordt gekeken of de activiteiten van de aanvrager een aanzienlijke verrijking opleveren van een discipline, genre of podiumkunsten als geheel in Nederland. Dit betekent dus dat niet alleen naar de podiumkunsten als geheel in Nederland moet worden gekeken, maar ook specifiek naar een discipline en genre. Uit de nadere motivering blijkt niet dat adviescommissie dit heeft gedaan. Omdat Holland Opera zich in haar activiteitenplan positioneert als jeugdoperahuis dat in haar genre uniek is binnen de Nederlandse podiumkunsten, had de adviescommissie zich in haar advies hierover moeten uitlaten. Het advies is op dit punt niet voldoende gemotiveerd en had niet door het Fonds zonder nadere motivering mogen worden overgenomen.
6.3.
Dat is anders voor de andere door Holland Opera aangevoerde punten. De adviescommissie heeft onderkend dat Holland Opera aandacht heeft voor talentontwikkeling, maar vindt dat zij geen onderscheidende bijdrage hieraan levert, waarbij rekening is gehouden met de kansen die Holland Opera biedt aan nieuwe makers. Dat Holland Opera hierover een andere mening heeft zonder daarbij andere omstandigheden te vermelden dan die door de adviescommissie zijn meegewogen, had het Fonds geen aanleiding hoeven geven niet van het advies uit te gaan. Datzelfde geldt voor de voorbeeldfunctie op het gebied van het verkleinen van de ecologische voetafdruk. In het advies van de adviescommissie staat dat uit het activiteitenplan niet volgt dat zij een onderscheidende voorbeeldfunctie op dit gebied heeft en dat de plannen op het gebied van duurzaamheid ook niet zodanig zijn dat van die voorbeeldfunctie sprake is. Hieruit volgt dat de adviescommissie aan de hand van het activiteitenplan van Holland Opera tot deze conclusie is gekomen. Het is ook aan de adviescommissie om hieraan een waardering te geven. Dat Holland Opera vindt dat zij wel een voorbeeldfunctie heeft, kan de rechtbank niet zelf beoordelen. De rechtbank vindt het advies op deze punten dan ook begrijpelijk en inzichtelijk.
Gelijkheidsbeginsel
6.4.
Holland Opera stelt dat OPERA2DAY en Vis à Vis op het criterium betekenis voor de Nederlandse podiumkunstpraktijk op het aspect vorm meer punten hebben gescoord, terwijl zij op bepaalde onderdelen van gelijkwaardige betekenis voor de Nederlandse podiumkunstpraktijk als Holland Opera zijn. Holland Opera creëert namelijk net als OPERA2DAY grootschalig nieuwe opera’s op basis van klassieke muziek en maakt net als Vis à Vis gebruik van locatie-opera’s. Ook is Holland Opera niet duidelijk waarom
andere aanvragers zoals Silbersee en Jakop Ahlbom Company hoger op het onderdeel bijdrage aan het verkleinen van ecologische voetafdruk hebben gescoord.
6.5.
Het Fonds stelt dat geen sprake is van gelijke gevallen. De onderliggende relevante feiten en omstandigheden zijn bij elke aanvrager anders. Het advies komt bovendien tot stand in combinatie met de visie, ervaring en kennis van de adviseurs.
6.6.
De rechtbank oordeelt dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt. De adviescommissie komt aan de hand van door aanvragers ingediende activiteitenplannen tot een beoordeling van de betekenis voor de Nederlandse podiumkunstenpraktijk, welke beoordelingen niet goed met elkaar zijn te vergelijken, omdat deze beoordelingen bijvoorbeeld afhankelijk zijn van de wijze waarop een aanvrager zichzelf in het activiteitenplan presenteert, waar hij de accenten legt en wat hierin belangrijk wordt gevonden. De rechtbank volgt het Fonds dat het advies tot stand komt in een complexe omgeving van visies, ervaringen en kennis van adviseurs, waarbij bepaald gevallen die op het eerste oog vergelijkbaar lijken, verschillend worden beoordeeld.
6.7.
Het Fonds heeft ook voldoende gemotiveerd waarom het hier niet gaat om gelijke gevallen die anders worden behandeld. Het verschil in beoordeling met OPERA2DAY wordt verklaard door te verwijzen naar het activiteitenplan van dit operagezelschap en de waarde die is toegekend aan de vernieuwing. Vis à Vis maakt evenals Holland Opera locatie-opera, maar het Fonds heeft toegelicht dat Vis à Vis zich in locatie-opera heeft gespecialiseerd, terwijl Holland Opera slechts één voorstelling per jaar op locatie organiseert. Dit heeft Holland Opera niet concreet weersproken. Uit het activiteitenplan van Silbersee volgt verder dat zij circulair werken en hiervoor een duurzaamheidsmanager hebben aangesteld. Jakop Ahlbom Company heeft ook een duurzaamheidsmanager aangesteld, richt zich op fossielvrij transport en draagt deze werkwijze naar buiten toe uit door middel van het voeren van klimaatgesprekken met de sector. Deze door Silbersee en Jakob Ahlbom Company naar voren gebrachte omstandigheden zijn niet vergelijkbaar met die door Holland Opera op het gebied van duurzaamheid naar voren zijn gebracht.
Tussenconclusie voor betekenis voor de Nederlandse podiumkunstpraktijk
6.8.
De rechtbank vindt dat het advies van de adviescommissie grotendeels te volgen is. Dat is alleen anders voor de omstandigheid dat Holland Opera het eerste zelfstandige jeugdoperahuis van Europa is. Onvoldoende gemotiveerd is hoe die omstandigheid is meegenomen bij de vraag of Holland Opera een aanzienlijke verrijking van de discipline en/of het genre oplevert. De adviescommissie zal hierover nader advies moeten uitbrengen, met inachtneming van wat hierover in deze uitspraak staat. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet.
Geografische spreiding
7. Holland Opera stelt dat de beoordeling van de geografische spreiding in Nederland op voorhand niet transparant is geweest. Het Fonds heeft na ontvangst van de aanvragen bepaald dat de spreiding van de uitvoeringen over het land met een mediaan als meetmethode wordt beoordeeld. Daarnaast heeft het Fonds bepaald dat de voorstellingen in Amsterdam bij de beoordeling van de spreiding niet meetellen. Dit stond vooraf niet in de toelichting op de regeling vermeld. Als Holland Opera dit vooraf had geweten, zou zij voor een andere spreiding hebben gekozen. Nu pakt de spreiding ongunstig uit, omdat zij relatief veel in regio Midden speelt. In de andere regio’s speelt zij per regio ongeveer even veel. Ook in absolute zin speelt Holland Opera evenwichtig over de regio’s. Holland Opera verwijst ter onderbouwing van haar standpunt naar twee recente uitspraken van de rechtbank Amsterdam. [2]
7.1.
Het Fonds heeft naar voren gebracht dat van alle aanvragers binnen een categorie percentueel is vastgesteld welk aandeel van hun uitvoeringen in een bepaalde regio of stad zal plaatsvinden. Per stad en regio zijn de percentages van de verschillende aanvragers op volgorde van klein naar groot gezet. Het middelste percentage (de mediaan) is als uitgangspunt gehanteerd bij het beoordelen van de spreiding van de individuele aanvragers. Het Fonds heeft de meetmethode vastgesteld nadat de aanvragen waren ingediend. Op basis van de uit de aanvragen verkregen informatie heeft het Fonds ervoor gekozen om het percentage gespeelde voorstellingen in Amsterdam niet mee te wegen bij de beoordeling van de geografische spreiding. Het Fonds heeft zich niet van te voren willen vastleggen op een methode omdat zij dit hebben willen laten afhangen van de uitkomsten van de ingediende aanvragen. Het Fonds stelt zich op het standpunt dat het hem vrij staat dit te doen.
7.2.
De rechtbank stelt voorop dat bij de bekendmaking van het subsidieplafond de wijze van verdeling moet worden bekendgemaakt. [3] De regels voor het verdelen van de subsidie moeten voorafgaand aan het aanvraagtijdvak worden vastgesteld en bekendgemaakt. Een wijziging met terugwerkende kracht past hier niet bij. Dit zou in strijd zijn met het rechtszekerheidsbeginsel en met de op het gelijkheidsbeginsel gebaseerde rechtsnorm dat een ieder een gelijke kans moet krijgen om mee te dingen naar de subsidie. [4] Dit betekent niet dat er na ontvangst van de aanvragen geen enkele nadere uitwerking meer is toegestaan. Beoordelingscriteria mogen na ontvangst van de aanvragen worden ontwikkeld, zolang er een voldoende mate van transparantie in acht wordt genomen. Dat kan bijvoorbeeld door eisen te stellen aan de verantwoording die wordt afgelegd over de wijze waarop achteraf de wegingen en waarderingen hebben plaatsgevonden. [5]
7.3.
De rechtbank stelt verder vast dat in de toelichting op de regeling staat dat de geografische spreiding wordt beoordeeld aan de hand van twee onderdelen: de spreiding van de uitvoeringen binnen Nederland en de vestigingsplaats. In deze zaak beperkt het geschil zich tot het eerste onderdeel: de spreiding van de uitvoeringen binnen Nederland. In de toelichting op de regeling staat hierover vermeld dat de combinatie van het aantal voorstellingen en de spreiding over het land bepalend is voor de subscore op het onderdeel uitvoeringen, die maximaal 2 punten kan opleveren. Om de mate van spreiding vast te stellen en deze onderling te vergelijken heeft het Fonds de onder 7.1. vermelde methodiek gehanteerd die achteraf is vastgelegd en niet in de regeling is opgenomen.
7.4.
De rechtbank is van oordeel dat het Fonds de berekeningsmethode met de mediaan na ontvangst van de aanvragen heeft mogen vaststellen. Het Fonds had ervoor kunnen kiezen om in de toelichting op de regeling op te nemen dat er zou worden gerekend met een mediaan, maar het Fonds was hiertoe niet verplicht. In de toelichting op de regeling staat al dat er aan de hand van het aantal voorstellingen en spreiding over het land scores worden toegekend. Dat is voor aanvragers voldoende duidelijk om hun aanvraag op in te richten. Het Fonds heeft daarna enkel nog een berekeningsmethodiek met de mediaan ontwikkeld om de aanvragen te kunnen rangschikken. Dat hiervoor de informatie uit de aanvragen relevant is, kan de rechtbank volgen. Dat dit met zich meebrengt dat het voor Holland Opera vooraf niet duidelijk was hoe de situatie van een mediaan voor haar zou uitpakken, maakt dit niet anders. Ook voor de andere aanvragers was dit niet duidelijk en dus is er ook geen sprake van strijd met het rechtszekerheids- en gelijkheidsbeginsel. De uitspraak van de rechtbank Amsterdam brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel.
7.5.
De rechtbank ziet dit echter anders ten aanzien van de achteraf genomen beslissing van het Fonds om voorstellingen in Amsterdam in het geheel niet mee te tellen. Over het uitsluiten van een bepaalde locatie heeft het Fonds niets in de toelichting op de regeling opgenomen, terwijl dit wel had gemoeten. Subsidieaanvragers hebben er namelijk bij hun aanvraag geen rekening mee kunnen houden dat voorstellingen in Amsterdam niet zouden meetellen. Als zij dat hadden geweten, dan hadden zij daarin andere keuzes kunnen maken. Als het gevolg van de anticipatie van aanvragers op dit punt zou zijn dat de vervolgens in de aanvraag opgegeven spreiding onrealistisch was, was er – zoals in de toelichting ook is opgenomen – voor het Fonds vervolgens weer ruimte om punten af te trekken. Daarin zou de beslissingsruimte van het Fonds dus niet zijn beperkt. Bovendien heeft het Fonds op zitting toegelicht dat hij al eens eerder een stad, namelijk Amsterdam, heeft uitgesloten van de berekening. Het idee van uitsluiting was daarom niet nieuw en had dan ook door het Fonds in de toelichting kunnen en moeten worden aangekondigd. In reactie op het standpunt van het Fonds, merkt de rechtbank verder nog op dat het Fonds ook zonder Amsterdam specifiek te noemen, had kunnen zorgen voor voldoende transparantie. Het Fonds had namelijk in de toelichting kunnen opnemen dat een stad of regio van de beoordeling zou worden uitgesloten in het geval het podiumkunstenaanbod daar zodanig groot is dat het geven van voorstellingen in die plaats niet bijdraagt aan een evenredige spreiding. Daarmee had het Fonds de mogelijkheid van uitsluiting voor de aanvragers in ieder geval inzichtelijk gemaakt. Het was dan aan de aanvragers om dit op eigen wijze te interpreteren en de afweging te maken of zij hierop zullen anticiperen. Dit alles maakt dat de rechtbank voor de uitsluiting van Amsterdam tot een ander oordeel komt dan voor het rekenen met een mediaan. Deze beroepsgrond slaagt.
Tussenconclusie voor geografische spreiding
7.6.
De rechtbank concludeert dat het beoordelingskader van de geografische spreiding op het onderdeel spreiding van de uitvoeringen binnen Nederland vooraf onvoldoende kenbaar was. Dit betekent dat de beoordeling van het criterium geografische spreiding geen stand kan houden. Het is aan het Fonds om hier opnieuw naar te kijken, met inachtneming van wat de rechtbank hierboven heeft geoordeeld.

Conclusie en gevolgen

8. Het advies van de adviescommissie kan het bestreden besluit niet dragen. Het beroep is dan ook gegrond en de rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank bepaalt dat het Fonds een nieuw besluit op bezwaar moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. Daarvoor is vereist dat het Fonds een nieuw advies bij de adviescommissie opvraagt. De rechtbank geeft het Fonds tien weken voor het nemen van een nieuw besluit op bezwaar.
8.1.
Omdat het beroep gegrond is, moet het Fonds het griffierecht aan Holland Opera vergoeden en krijgt Holland Opera ook een vergoeding van haar proceskosten.
Het Fonds moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van Holland Opera een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 27 januari 2025;
- draagt het Fonds op binnen tien weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat het Fonds het griffierecht van € 385,- aan Holland Opera moet vergoeden;
- veroordeelt het Fonds tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan Holland Opera.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L. van 't Hof, voorzitter, en mr. B. Fijnheer en
mr. A.A.M. Elzakkers, leden, in aanwezigheid van mr.L.M. Janssens-Kleijn, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2026.
De voorzitter is niet in de gelegenheid de uitspraak te ondertekenen.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 9 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1233.
2.Het gaat om de uitspraken van de rechtbank Amsterdam van 21 oktober 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:7859 en ECLI:NL:RBAMS:2025:7860.
3.Artikel 4:26 van de Awb.
4.Zie de uitspraak van de Afdeling van 11 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2310.
5.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven