ECLI:NL:RBMNE:2026:200

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
28 januari 2026
Publicatiedatum
29 januari 2026
Zaaknummer
UTR 24/3720
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 78ee Participatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing tegemoetkoming energiekosten studenten op grond van Participatiewet bevestigd

Eiser, een student, heeft een aanvraag ingediend voor een eenmalige tegemoetkoming in de energiekosten voor 2023, welke door de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is afgewezen omdat eiser niet voldeed aan de voorwaarden van de Participatiewet. Eiser voerde aan dat de afwijzing in strijd is met het evenredigheidsbeginsel en dat er sprake is van buitengewone omstandigheden, mede vanwege eerdere benadeling door de gemeente Utrecht in 2022.

De rechtbank stelt vast dat de bevoegdheid tot het verlenen van de tegemoetkoming gebonden is en dwingendrechtelijk is geformuleerd. De wetgever heeft bewust gekozen voor een beperkte doelgroep, namelijk uitwonende studenten met recht op een basis- en aanvullende beurs. Eiser voldoet niet aan deze voorwaarden en er zijn geen bijzondere omstandigheden die toepassing van de wet in dit concrete geval in strijd met het evenredigheidsbeginsel brengen.

De rechtbank overweegt dat de zorgen van eiser over de positie van studenten in het algemeen buiten het beoordelingskader van deze zaak vallen. Het beroep wordt ongegrond verklaard, eiser krijgt geen tegemoetkoming en ook geen vergoeding van proceskosten. De uitspraak is gedaan door rechter E.E.M. van Abbe op 28 januari 2026.

Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de afwijzing van de tegemoetkoming energiekosten wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/3720

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

en

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

(voorheen de minister voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen), verweerder
(gemachtigde: F. Hummel).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser voor een tegemoetkoming in de energiekosten voor 2023. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de aanvraag heeft kunnen afwijzen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een tegemoetkoming in de energiekosten voor 2023. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 25 januari 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 29 februari 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 8 augustus 2024 niet-ontvankelijk verklaard, omdat het griffierecht niet tijdig was voldaan. Bij uitspraak van 7 april 2025 heeft de rechtbank het door eiser ingediende verzet gegrond verklaard.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 17 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Wat aan deze procedure voorafging
3. Eiser heeft eerder voor het jaar 2022 een aanvraag voor een tegemoetkoming in de energiekosten bij de gemeente Utrecht aangevraagd. Het college heeft dit verzoek afgewezen, omdat eiser, als student, niet onder de doelgroep viel. Het door eiser ingediende bezwaar heeft het college op 24 februari 2023 ongegrond verklaard. Deze rechtbank heeft bij uitspraak van 17 april 2023 (ECLI:NL:RBMNE:2023:1716) in een zaak van een andere student geoordeeld dat het beleid van de gemeente Utrecht in strijd is met het discriminatieverbod. Eiser heeft vervolgens tegen het besluit van 24 februari 2023 beroep ingesteld. De rechtbank heeft dit beroep bij uitspraak van 6 september 2023 (ECLI:NL:RBMNE:2023:4770) niet-ontvankelijk verklaard, omdat het te laat is ingediend en er geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Eiser is hiertegen in verzet gegaan. De rechtbank heeft bij uitspraak van 16 januari 2024 (ECLI:NL:RBMNE:2024:114) het verzet ongegrond verklaard.
4. Vervolgens heeft eiser op 16 januari 2024 een aanvraag ingediend voor een tegemoetkoming energiekosten voor 2023. Verweerder heeft deze aanvraag afgewezen, omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarden. De minister heeft in het bestreden besluit aangegeven dat eiser wellicht alsnog in aanmerking kan komen voor een tegemoetkoming in de energiekosten voor 2023 als hij vraagt om peiljaarverlaging en hij op grond daarvan alsnog voor 2023 recht heeft op een aanvullende beurs.
Standpunt van eiser
5. Eiser is het niet eens met de afwijzing van zijn aanvraag. Eiser voert aan dat hij naar aanleiding van het bestreden besluit alsnog een verzoek tot peiljaarverlaging heeft ingediend, maar dat dat verzoek is afgewezen omdat de daling van het inkomen van de moeder van eiser niet minstens 15% bedroeg. Verder voert eiser aan dat uit de memorie van toelichting blijkt dat er sprake is van een gedeelde verantwoordelijkheid van de overheid, ouders en de student, maar dat in dit besluit de verantwoordelijkheid volledig bij de student en zijn ouders wordt neergelegd. Eiser moet de stijging van de energiekosten namelijk zelf dragen. Eiser is in 2022 ook benadeeld door de handelwijze van de gemeente Utrecht. Eiser voert aan dat er sprake is van buitengewone omstandigheden en zwaarwegende belangen. Verder acht hij het in strijd met het proportionaliteitsvereiste dat minima de kosten wel volledig krijgen vergoed en studenten niet.
Beoordelingskader
6. Op grond van artikel 78ee, tweede lid, van de Participatiewet (Pw) kan verweerder ambtshalve een eenmalige tegemoetkoming voor energiekosten verlenen ter hoogte van een bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag aan een student die uiterlijk op 31 juli 2024 een basisbeurs uitwonend en een aanvullende beurs voor de maand oktober 2023 heeft aangevraagd en aan wie deze zijn toegekend.
7. Op grond van het derde lid kan verweerder ambtshalve een eenmalige tegemoetkoming voor energiekosten verlenen ter hoogte van een bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag aan een student die:
a. zich op 1 oktober 2023 in de leenfase bevindt;
b. in de laatste maand voor aanvang van de leenfase een aanvullende beurs ontving; en
c. uiterlijk op 31 juli 2024 voor de maand oktober 2023 een lening heeft aangevraagd en aan wie deze is toegekend.
Het oordeel van de rechter
8. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat eiser niet voldoet aan deze voorwaarden. In geschil is de vraag of aan eiser op basis van het evenredigheidsbeginsel of proportionaliteitsbeginsel alsnog een tegemoetkoming in de energiekosten moet worden toegekend.
9. Uit de tekst en uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 78ee, tweede lid, van de Pw volgt dat geen sprake is van een discretionaire, maar van een gebonden bevoegdheid. [1] Deze bepaling is dwingendrechtelijk geformuleerd. Indien een student voldoet aan de voorwaarden, dan kan verweerder ambtshalve een eenmalige tegemoetkoming verlenen. Uit de memorie van toelichting blijkt dat er gezocht is naar een invulling waarbij de eenmalige tegemoetkoming voor een afgebakende groep studenten zo laagdrempelig mogelijk en zo generiek mogelijk kan worden uitgekeerd, dat wil zeggen een tegemoetkoming zonder individuele afweging, die ambtshalve kan worden verstrekt.
10. De afwijzing van de aanvraag om de eenmalige tegemoetkoming in de energiekosten berust – zoals gezegd – op een gebonden bevoegdheid op grond van een wet in formele zin. Het is vaste rechtspraak dat een bepaling van een wet in formele zin niet exceptief kan worden getoetst aan het evenredigheidsbeginsel, maar dat het onder bepaalde omstandigheden wel mogelijk is de wet in een concreet geval buiten toepassing te laten. [2] Daarom is voor de beoordeling van deze beroepsgrond van belang of zich bijzondere omstandigheden voordeden die de wetgever niet of niet ten volle heeft verdisconteerd en die de toepassing van artikel 78ee, tweede lid, van de Pw zozeer in strijd doen zijn met het evenredigheidsbeginsel, dat die toepassing achterwege moet blijven.
11. De rechtbank is van oordeel dat niet gebleken is van bijzondere omstandigheden die maken dat toepassing van artikel 78ee, tweede lid, van de Pw in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Dat eiser over 2022 geen tegemoetkoming heeft gekregen is een omstandigheid die niet kan worden meegewogen bij de vraag of er in 2023 aan hem een tegemoetkoming had moeten worden toegekend. Eiser heeft daarbij de mogelijkheid gehad om tegen de beslissing over 2022 rechtsmiddelen aan te wenden. Dat hij om hem moverende redenen niet tijdig beroep heeft ingesteld tegen het besluit van 24 februari 2023 komt voor zijn rekening en risico. De overige door eiser genoemde omstandigheden zijn verdisconteerd in de wetgeving. De wetgever heeft een bewuste keuze gemaakt om de regeling open te stellen voor een beperkte groep studenten. De wetgever heeft ervoor gekozen om de eenmalige tegemoetkoming energiekosten voor studenten alleen te verstrekken aan uitwonende studenten met recht op een basisbeurs en een aanvullende beurs. De aanvullende beurs is bedoeld voor studenten met ouders die weinig of minder kunnen bijdragen aan de studie van hun kind. Studenten hebben recht op een aanvullende beurs als hun ouders een inkomen hebben onder een bepaald bedrag. Als studenten niet voldoen aan de voorwaarden die de wetgever heeft verbonden aan de regeling voor de eenmalige tegemoetkoming energiekosten, komen zij dus niet in aanmerking voor de regeling. Ook heeft de wetgever er bewust voor gekozen om voor minima en studenten andere regelingen vast te stellen. De wetgever heeft daarbij overwogen dat de keuze voor het ondersteunen van uitwonende studenten wier ouders niet of minder kunnen bijdragen grootschalige overcompensatie voorkomt en de regeling uitvoerbaar houdt. De rechtbank is dan ook van oordeel dat geen sprake is van schending van het evenredigheidsbeginsel en evenmin van het proportionaliteitsbeginsel.
12. De rechtbank stelt vast dat eiser ter zitting nader heeft toegelicht dat naast zijn eigen belang, hij zich ook zorgen maakt om de groep studenten in het algemeen. In dat kader heeft eiser aangevoerd dat studenten de afgelopen jaren buiten alle regelingen vallen en dat dit vooral het geval is bij de pechgeneratie. De basisbeurs is verhoogd, maar ook het collegegeld en de rente is verhoogd zodat dit tegen elkaar kan worden weggestreept. Ook zijn voor veel studenten de huurkosten verhoogd.
13. De rechtbank overweegt dat deze zorgen van eiser buiten het beoordelingskader van de rechtbank in deze zaak vallen. De rechtbank kan hierover dan geen oordeel vellen en zal dit verder onbesproken laten.

Conclusie en gevolgen

14. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.E.M. van Abbe, rechter, in aanwezigheid van
mr.L.S. Lodder, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Tweede Kamer, vergaderjaar 2022–2023, 36 389, nr. 3.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 15 mei 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:700.