2.[eiseres sub 2] B.V.,te [plaats] , eiseres in de zaak UTR 25/2426,
samen eisers
(gemachtigde van eisers: mr. J.W. Verhoeven),
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amersfoort(het college), verweerder
(gemachtigde: mr. drs. H. Maaijen).
Als derde-partijen nemen aan de zaken deel:
[derde belanghebbende 1]en
[derde belanghebbende 2]uit [plaats] (vergunninghouders).
Eisers hebben het college verzocht om handhavend op te treden, omdat vergunninghouders in afwijking van de aan hen verleende omgevingsvergunning zouden hebben gebouwd. Het gaat om de volgende afwijkingen: trekstangen ontbreken, er zijn stalen balken in plaats van houten dwarsbalken geplaatst, de glazen pui op de tweede verdiepingsvloer is 30 centimeter naar achteren geplaatst, de houtskeletwand is met dunnere spijlen uitgevoerd en de kilkeper en spanten van de dakopbouw zijn niet aangebracht steunend op de voorzetwand. Eisers voeren aan dat het college ten onrechte geen overtredingen heeft vastgesteld en verzoeken het college om de omgevingsvergunning in te trekken.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de handhavingsverzoeken met betrekking tot de uitvoering van de glazen pui op de tweede verdiepingsvloer, de trekstangen en de kilkeper terecht heeft afgewezen, omdat er geen overtreding is zodat het college niet bevoegd is om handhavend op te treden. Omdat voor de constructiewijziging met stalen balken en een dunnere houtskeletwand een omgevingsvergunning nodig was en deze niet is verleend, is wel sprake van een overtreding. Nu niet is gebleken dat vergunninghouders weigerachtig zijn om een aanvraag ter legalisatie in te dienen en het college heeft verklaard dat medewerking aan de gewijzigde constructie wordt verleend, is sprake van concreet zicht op legalisatie. Het college heeft het handhavingsverzoek op dat punt dus mogen afwijzen, maar op een andere grondslag.
Inleiding en procesverloop
Vergunninghouders zijn sinds 2023 eigenaar van het perceel aan de [adres 1] in [plaats] . Het college heeft op 18 oktober 2023 aan vergunninghouders een omgevingsvergunning verleend voor het vergroten van de aanbouw, het wijzigen van de berging en het maken van een nokverhoging. De omgevingsvergunning is onherroepelijk.
Eiser is eigenaar van het naastgelegen perceel aan de [adres 2] in [plaats] , waar aan de achterzijde het bedrijf [eiseres sub 2] B.V. van zijn zoon (eiseres) is gevestigd. Eisers hebben het college verzocht om handhavend op te treden tegen bouwen in afwijking van de omgevingsvergunning. Ook hebben zij het college verzocht om de omgevingsvergunning in te trekken.
De zaak met zaaknummer UTR 25/2424
3. Eiser heeft op 16 maart 2024 een handhavingsverzoek ingediend en dit verzoek met de brief van 7 mei 2024 verduidelijkt. Eiser heeft het college verzocht om handhavend optreden tegen het ontbreken van een eigen scheidingsmuur op de eerste verdieping, het plaatsen van twee stalen balken aan de achterzijde voor de opvang van de tweede verdiepingsvloer, het dak en de dakopbouw in plaats van houten dwarsbalken en het plaatsen van voorzetwanden met dunnere spijlen in plaats van een houtskeletwand met spijlen van 38 x 140 mm voor de opvang van de dakconstructie. Ook zouden de twee stalen balken in en op de muur van het pand van eiser zijn gelegd. Dat geldt volgens eiser ook voor de kilkeper met kilgoot en de spanten van de dakopbouw. Eiser stelt zich op het standpunt dat deze afwijkingen in strijd zijn met de omgevingsvergunning en de bijbehorende bouwtekeningen en met het Bouwbesluit 2012, waarin is bepaald dat de stabiliteit van een gebouw niet ontleend mag zijn aan een op een ander perceel gelegen gebouw. Ter onderbouwing dat is afgeweken van de omgevingsvergunning heeft eiser een inspectierapport van [bedrijf 1] overgelegd. Omdat de omgevingsvergunning volgens eiser is verleend op basis van een onjuiste, bedrieglijke weergave van de scheidingsmuren, en tijdens een kadastrale reconstructie is komen vast te staan dat de scheidingsmuur volledig op het perceel van eiser staat, verzoekt eiser het college om de omgevingsvergunning in te trekken.
4. Eiser stelt nadelige gevolgen van de afwijkende constructie te ondervinden, omdat de geluidsoverdracht via stalen balken aanzienlijk groter is in vergelijking met houten balken. Berekeningen voor geluidshinder, zoals bepaald in het Bouwbesluit 2012, ontbreken. Ook vreest eiser voor schade en dat een uitbouw van de eerste verdieping van zijn pand praktisch onmogelijk is gemaakt.
5. Met het besluit van 9 juli 2024 (het primaire besluit I) heeft het college de verzoeken afgewezen. De vraag of een eigen scheidingsmuur ontbreekt is volgens het college een privaatrechtelijke kwestie waar de gemeente buiten staat. Ten aanzien van de stalen balken en de houtskeletwand stelt het college dat vergunninghouders tijdens de bouw hebben gemeld dat twee stalen balken aanwezig waren in de lengterichting. Gelet op de door vergunninghouders aangeleverde foto van de oude uitbouw, acht het college het aannemelijk dat de stalen balken reeds aanwezig waren, om welke reden het college geen aanleiding heeft gezien voor een geluidsonderzoek. De twee stalen balken zijn tijdens de verbouwing circa 30 centimeter hoger geplaatst. Omdat stalen balken zijn gebruikt in plaats van houten (dwars)balken is de houtskeletwand met dunnere stijlen van 50 x 70 mm uitgevoerd. Vergunninghouders hebben op verzoek van het college een nieuwe constructietekening laten opstellen die is goedgekeurd door de constructeur van het college. De constructietekening is als revisietekening aan de omgevingsvergunning toegevoegd, omdat volgens het college sprake is van een ondergeschikte wijziging die binnen de strekking van de omgevingsvergunning valt. Omdat de nieuwe constructie voldoet aan de eisen heeft het college geen aanleiding gezien om de omgevingsvergunning in te trekken. Tegen het primaire besluit heeft eiser bezwaar gemaakt.
6. Met het bestreden besluit van 26 februari 2025 (het bestreden besluit I) heeft het college de afwijzing van het handhavingsverzoek en het verzoek om intrekking van de omgevingsvergunning onder aanvulling van de motivering in stand gelaten.
De zaak met zaaknummer UTR 25/2425
7. Op 18 november 2024 heeft eiser een tweede handhavingsverzoek ingediend, omdat eiser op basis van foto’s heeft geconstateerd dat trekstangen in de constructie van de tweede verdiepingsvloer ontbreken. Dat trekstangen ontbreken vindt eiser zorgelijk, omdat de muur van het pand van eiser daardoor zijdelings wordt belast.
8. Met het besluit van 10 december 2024 (het primaire besluit II) heeft het college het handhavingsverzoek afgewezen. De bouwinspecteur en constructeur hebben de door eiser overgelegde foto’s bekeken en zij hebben vastgesteld dat niet te beoordelen is of de trekstangen aanwezig zijn, omdat de vloerconstructie vanaf de bovenzijde en de kilkepers, waar de trekstangen aan gekoppeld zijn, niet zichtbaar zijn op de foto’s. Uit het feit dat de trekstangen niet te zien zijn, kan volgens het college niet geconcludeerd worden dat ze niet zijn geplaatst. Een destructief onderzoek, waarbij de tweede verdiepingsvloer wordt opengebroken, is volgens het college onevenredig, omdat er geen voortekenen van een onjuiste uitvoering zijn. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
9. Het college heeft met het besluit van 26 februari 2025 (het bestreden besluit II) aanvullend gemotiveerd dat tijdens de hoorzitting door de architect is verklaard dat het ontbreken van trekstangen snel na de oplevering zichtbaar wordt, terwijl in de betreffende muur geen scheuren of gaten zichtbaar zijn. Ook heeft het college de verklaring van de aannemer betrokken dat hij heeft gebouwd overeenkomstig de verleende omgevingsvergunning. De enkele stelling van eiser dat de trekstangen ontbreken, is volgens het college daarom onvoldoende voor een destructief onderzoek.
De zaak met zaaknummer UTR 25/2426
10. Op 3 juni 2024 heeft ook eiseres het college verzocht om handhavend optreden. Het verzoek van eiseres is gericht tegen de stalen balken en de houtskeletwand en tegen de uitvoering van de glazen pui van de dakopbouw op de tweede verdiepingsvloer. De glazen pui zou direct ter hoogte van de achtergevel zijn geplaatst in plaats van op 30 centimeter afstand conform de omgevingsvergunning. Ook had voor de beglazing aan de buitenzijde een houten aftimmering/balustrade geplaatst moeten worden. Gelet hierop is er volgens eiseres rechtstreeks inkijk in de spreekkamer en receptieruimte van de praktijk, waardoor een inbreuk op de privacy van de patiënten wordt gemaakt. Ook heeft eiseres het college verzocht om de omgevingsvergunning in te trekken.
11. Met het besluit van 11 juli 2024 (het primaire besluit III) heeft het college de verzoeken afgewezen. De glazen pui is volgens de bouwinspecteur geplaatst op de onderliggende wand conform de bouwtekening bij de omgevingsvergunning. Ten aanzien van de balken en de houtskeletwand heeft het college zijn eerder ingenomen standpunt herhaald. In het besluit op bezwaar van 26 februari 2025 (het bestreden besluit III) heeft het college vastgesteld dat de balustrade inmiddels is aangebracht en in aanvulling op het primaire besluit III is gemotiveerd dat hij uit de bouwtekening niet kan afleiden dat de glazen pui op circa 30 centimeter afstand moest worden geplaatst.
12. Eisers hebben gezamenlijk één beroepschrift tegen de afzonderlijke bestreden besluiten ingediend. Het college heeft op het beroepschrift gereageerd met een verweerschrift. Vergunninghouders hebben ook schriftelijk gereageerd.
13. De rechtbank heeft het beroep op 20 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [A] (bestuurder van eiseres), eiser, de gemachtigde van eisers, de gemachtigde van het college, vergezeld door ing. [B] (als bouwinspecteur verbonden aan de gemeente Amersfoort), en beide vergunninghouders.
14. Op de zitting heeft de rechtbank met partijen vastgesteld welke stukken in de verschillende zaken zijn ingediend en hebben alle partijen bevestigd over die stukken te beschikken. Op 23 februari 2026 berichtte de gemachtigde van eisers de rechtbank echter dat hij niet beschikt over de schriftelijke reactie van vergunninghouders van 25 augustus 2025, waarna de rechtbank dit stuk (nogmaals) heeft doorgestuurd. Met het bericht van 18 maart 2026 hebben eisers aangegeven dat zij de juistheid van de reactie van vergunninghouders betwisten. Omdat het een herhaling betreft van hun eerder ingenomen standpunt, heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om het onderzoek te heropenen. De reactie van eisers maakt om deze reden geen deel uit van het dossier.
Beoordeling door de rechtbank
15. Op 1 januari 2024 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht ingetrokken
en is de Omgevingswet in werking getreden. De verzoeken om handhaving zijn ingediend op 16 maart 2024, 3 juni 2024 en 18 november 2024. Op de bestreden besluiten is dus de Omgevingswet van toepassing.
16. In deze zaken beoordeelt de rechtbank eerst of vergunninghouders zonder benodigde omgevingsvergunning hebben gebouwd, en zo ja, of het college mocht afzien van handhaving. Deze vragen doen zich voor ten aanzien van (1) het plaatsen van de stalen balken en de houtskeletwand, (2) de kilkeper, (3) de trekstangen en (4) de glazen pui. De rechtbank zal hierna voor elk van deze onderdelen beoordelen of er sprake is van een overtreding en als daarvan sprake is of het college mocht afzien van handhavend optreden.
16. Tussen partijen speelt ook een civielrechtelijke kwestie over wie de eigenaar is van de scheidingsmuur. De rechtbank stelt voorop dat het niet aan de bestuursrechter, maar aan de civiele rechter is voorbehouden om de eigendomssituatie vast te stellen. Dat is slechts anders als bij vergunningverlening evident sprake is van een privaatrechtelijke belemmering, omdat zonder nader onderzoek kan worden vastgesteld dat op grond in eigendom van een ander wordt gebouwd. De vraag of sprake is van een evidente privaatrechtelijke belemmering komt aan de orde bij de verlening van de omgevingsvergunning. Omdat eisers geen bezwaar tegen de omgevingsvergunning hebben gemaakt, is deze in rechte vast komen te staan. Dat betekent dat de rechtbank in de onderhavige procedure uitsluitend het verschil tussen de vergunde en feitelijk gebouwde situatie beoordeelt. De vraag of op de muur van eiser is gebouwd, laat de rechtbank dus buiten beschouwing.
Zaken UTR 25/2424 en UTR 25/2426
Stalen balken en houtskeletwand
18. Eisers betwisten dat er twee stalen balken in het achterste deel van het pand van vergunninghouders aanwezig waren en dat deze slechts 30 centimeter hoger zijn gelegd. Het college baseert zich volgens eisers op informatie van vergunninghouders, terwijl geen gedateerd beeldmateriaal is overgelegd waaruit duidelijk blijkt dat de twee stalen balken aanwezig waren. Ook voeren eisers aan dat het niet mogelijk is om een omgevingsvergunning, nadat deze onherroepelijk is geworden, te wijzigen met een revisietekening.
19. Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat niet in geschil is dat de stalen balken niet op de tekening bij de omgevingsvergunning uit 1995 staan en ook niet op de tekening bij de omgevingsvergunning van 18 oktober 2023. Vergunninghouders hebben aangegeven dat zij tijdens de verbouwing twee stalen balken hebben aangetroffen die zij 30 centimeter hoger hebben gelegd, waardoor de houtskeletwand met dunnere spijlen is uitgevoerd dan op de bouwtekening van 12 september 2023 van [bedrijf 2] staat vermeld die hoort bij de omgevingsvergunning van 18 oktober 2023. De rechtbank is van oordeel dat hiermee sprake is van een constructiewijziging die vergunningplichtig is. De vraag is of het college bij een onherroepelijke omgevingsvergunning een constructiewijziging heeft kunnen doorvoeren door een revisietekening aan het dossier van de omgevingsvergunning toe te voegen. Dat is naar het oordeel van de rechtbank niet mogelijk.
20. Uit rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat, indien sprake is van een onaantastbare bouwvergunning, een wijziging van de bouwaanvraag niet meer aan de orde kan zijn. Op het moment van het overleggen van de revisietekening van 4 juli 2024 van [bedrijf 2] was de omgevingsvergunning van 18 oktober 2023 in rechte onaantastbaar geworden. De revisietekening kon daarom geen onderdeel meer uitmaken van de verleende omgevingsvergunning. Het is daarom niet van belang of de wijziging van de constructie is aan te merken als een wijziging van ondergeschikte aard.Bij een onherroepelijke vergunning zijn wijzigingen alleen mogelijk als deze vergunningsvrij zijn. Dat is niet het geval bij een wijziging van de draagconstructie.Omdat het college geen omgevingsvergunning aan vergunninghouders heeft verleend voor een draagconstructie met stalen balken en een dunnere houtskeletwand, is sprake van een overtreding. Dat vergunninghouders de stalen balken niet zelf zouden hebben geplaatst, maar de vorige eigenaar, doet niet ter zake.
Zijn en redenen om van handhaving af te zien?
21. Bij handhaving geldt als uitgangspunt dat het algemeen belang gediend is met handhaving en dat om die reden in de regel tegen een overtreding moet worden opgetreden. Handhaving staat dus voorop. Van deze beginselplicht tot handhaving mag alleen worden afgezien als er bijzondere omstandigheden zijn. Dat is het geval als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Zo’n bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie.De vraag of legalisering mogelijk is dient het college zelfstandig te beantwoorden, ook als nog geen concrete daarop gerichte aanvraag is ingediend. Wanneer legalisering van de situatie tot de mogelijkheden behoort, kan niettemin concreet zicht daarop ontbreken, bijvoorbeeld indien de overtreder weigerachtig is een aanvraag ter legalisering in te dienen.
22. Met het op de zitting door het college ingenomen standpunt dat medewerking aan een aanvraag voor de gewijzigde draagconstructie wordt verleend, omdat de constructie voldoet aan de eisen, en nu niet is gebleken dat vergunninghouders weigerachtig zijn een aanvraag in te dienen, omdat zij eerder op verzoek van het college een revisietekening hebben laten opstellen, heeft het college naar het oordeel van de rechtbank bedoeld dat sprake is van concreet zicht op legalisatie. De bestreden besluit I en III bevatten een motiveringsgebrek, omdat het college het verzoek om handhaving heeft mogen afwijzen, maar op een andere grondslag.
23. Eiser voert aan dat de kilkeper en spanten voor de dakconstructie op de revisietekening zijn ingetekend als steunend op de voorzetwand (houtskeletwand), maar dat de constructies zo niet zijn uitgevoerd. De kilkeper is uitgevoerd steunend op de muur van het pand van eiser, zonder overleg en zijn toestemming. Eiser verwijst ter onderbouwing van zijn standpunt naar het rapport van [bedrijf 1] , specifiek bijlagen 8 tot en met 10.
24. De rechtbank overweegt dat tussen partijen niet in geschil is dat de omgevingsvergunning is verleend voor bouwen op de voorzetwand. De rechtbank beoordeelt of de kilkeper anders is uitgevoerd. Dat is volgens de rechtbank niet het geval. Uit productie 26 van [bedrijf 3] in de bijlage van het stuk van vergunninghouders volgt dat het dak volledig rustend op de voorzetwand is aangebracht. De ongedateerde foto’s uit het rapport van [bedrijf 1] zijn een momentopname geweest, waarbij de spant nog niet was afgekort. De spant is later afgekort om de goot te kunnen plaatsen. Waar [bedrijf 1] in het rapport spreekt over een muurplaat is in werkelijkheid de gootbodem. Dat de spant hier niet op steunt is op te maken uit de kier tussen de spant en de gootbodem. Dat de spanten zijn ingekort hebben vergunninghouders op de zitting verklaard en de bouwinspecteur van de gemeente Amersfoort heeft zich daarbij op de zitting aangesloten. Het college heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een overtreding.
25. Tegen de afwijzing van het verzoek over het ontbreken van trekstangen voert eiser aan dat het college de bewijslast van de overtreding eenzijdig bij hem neerlegt. Eiser heeft met foto’s een aanknopingspunt voor onderzoek door het college geboden. Die foto’s in combinatie met het gegeven dat vergunninghouders geen beeldmateriaal van de trekstangen hebben overgelegd, maakt dat het college volgens eiser nader (destructief) onderzoek had moeten verrichten om te controleren of de trekstangen daadwerkelijk zijn geplaatst bij de verbouwing.
26. De rechtbank is van oordeel dat het college aan zijn onderzoeksplicht heeft voldaan door de ongedateerde foto’s van eiser en de verklaringen van de architect en de aannemer bij zijn beoordeling te betrekken. De rechtbank acht het met het college, bij het ontbreken van concrete aanknopingspunten dat de trekstangen ontbreken door bijvoorbeeld scheuren in de muren, onevenredig om destructief onderzoek te verrichten. Het college heeft het verzoek dan ook mogen afwijzen.
27. Inmiddels is de balustrade gerealiseerd, maar is de glazen pui van de dakopbouw volgens eiseres nog altijd in afwijking van de omgevingsvergunning gebouwd. Het college stelt dat het uit de bij de vergunning behorende tekeningen niet kan afleiden dat de glazen pui circa 30 centimeter meer naar binnen (vanaf de achtergevel/achtertuin) is geplaatst. Voor eiseres is niet duidelijk waarom het college dit niet kan afleiden uit de tekeningen. Dat de glazen pui op de tekeningen circa 30 centimeter meer naar binnen is geplaatst, valt volgens eiseres af te leiden uit de afstand achter de begrenzing van het dak tot het hart van het kozijn van de glazen pui, precies waar het glas is ingetekend. Dat het dak aanzienlijk vóór de glazen pui had moeten oversteken, is volgens eiseres ook te zien aan de schaduw op het glas in de tekening BA.10 van [bedrijf 3] . Op de zitting heeft eiseres in aanvulling hierop gemotiveerd dat uit de schaal op de tekening van de tweede verdiepingsvloer (tekening BA.02) valt op te maken dat de glazen pui circa 30 centimeter meer naar binnen is geplaatst. Nu de feitelijk gerealiseerde glazen pui afwijkt van de tekening, staat deze dichter bij de praktijkruimte. Daardoor is inkijk ontstaan in de praktijkruimte.
28. De bouwinspecteur van de gemeente Amersfoort heeft op de zitting verklaard dat hij bij de beoordeling van het verzoek is uitgegaan van de detailtekening (BA30.7), omdat op de verdiepingstekening geen maatvoering staat en uit de schaduw over het glas niet valt af te leiden hoe de pui precies geplaatst moet worden. De detailtekening geeft bovendien geen verspringing weer, om welke reden geen overtreding is vastgesteld. De rechtbank kan dat volgen en hecht meer waarde aan het ontbreken van de verspringing op de detailtekening dan aan de ingetekende schaduw op het glas. De beroepsgrond slaagt niet.
Intrekking van de vergunning
29. Intrekking van een omgevingsvergunning is een discretionaire bevoegdheid van het college, waarbij eigendomsverhoudingen geen rol spelen. Dat de constructie in afwijking van de omgevingsvergunning is gebouwd, zoals volgt uit rechtsoverweging 19, is ook geen grond voor intrekking van de vergunning, maar een handhavingskwestie. Het college heeft zich dan ook op het standpunt mogen stellen dat er geen grond was voor intrekking van de omgevingsvergunning.
30. De beroepen ten aanzien van de bestreden besluiten I en III zijn gegrond en de rechtbank zal die bestreden besluiten vernietigen. Het beroep tegen het bestreden besluit II is ongegrond, zodat de rechtbank dit besluit ongewijzigd in stand zal laten. Omdat de beroepen tegen de bestreden besluiten I en III gegrond zijn, moet het college in die zaken het griffierecht aan eisers vergoeden en krijgen eisers ook een vergoeding van hun proceskosten.
31. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De kosten stelt de rechtbank voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in beroep vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het bijwonen van de zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Omdat de beroepen gelijktijdig zijn behandeld, de gemachtigde van eisers in alle zaken rechtsbijstand heeft verleend en zijn werkzaamheden in elk van de zaken nagenoeg identiek konden zijn, is sprake van samenhangende zaken die voor de proceskostenvergoeding als één zaak worden aangemerkt.Omdat de bezwaren zijn ingediend door twee verschillende gemachtigden neemt de rechtbank voor het indienen van de bezwaren geen samenhang aan. Het indienen van de bezwaren levert zowel voor eiser als voor eiseres 1 punt op met een waarde per punt van € 666,- bij een wegingsfactor 1. Voor het bijwonen van de zitting in bezwaar neemt de rechtbank opnieuw samenhang aan, omdat beide partijen door dezelfde gemachtigde op de zitting zijn vertegenwoordigd. Dat betekent dat eisers gezamenlijk voor de zitting in bezwaar 1 punt krijgen met een waarde per punt van € 666,- bij een wegingsfactor 1. Toegekend wordt € 1.998,- voor de bezwaarfase.
- het beroep tegen bestreden besluit II ongegrond;
- de beroepen tegen bestreden besluiten I en III gegrond;
- vernietigt de bestreden besluiten I en III;
- herroept de primaire besluiten I en III;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van de vernietigde besluiten;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 194,- aan eiser en € 385,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 3.866,- aan proceskosten aan eisers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C.A. van Kuijeren, rechter, in aanwezigheid van
mr. S.N. van Ooijen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 23 april 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.