ECLI:NL:RVS:2026:1553
Raad van State
- Hoger beroep
- N.H. van den Biggelaar
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing handhavingsverzoek tegen afwijkende aanbouw ondanks onevenredigheid handhaving
Het college van burgemeester en wethouders van Utrecht wees een verzoek van appellant om handhavend op te treden tegen een aanbouw die afweek van de verleende bouwvergunning af. Appellant stelde dat de aanbouw zonder goedkeuring van revisietekeningen was gebouwd en dat de wijzigingen niet van ondergeschikte aard waren, waardoor een nieuwe vergunning vereist was.
De Afdeling oordeelde dat de revisietekeningen, ondanks het bezwaar van een toenmalige eigenaar, onderdeel zijn geworden van de onherroepelijke bouwvergunning. Wel is vastgesteld dat de aanbouw een verandering van de draagconstructie bevat, waardoor geen vergunningvrije wijziging mogelijk was. Het college had zich daarom ten onrechte op het standpunt gesteld dat geen overtreding was en niet bevoegd was tot handhaving.
Desondanks bevestigde de Afdeling het oordeel van de rechtbank dat handhavend optreden in dit concrete geval onevenredig is vanwege bijzondere omstandigheden. De aanbouw was kleiner dan vergund en het college had hiermee ingestemd. Bovendien was niet aannemelijk dat appellant door de aanbouw in zijn bouwplannen werd belemmerd.
Appellant vorderde daarnaast een aanvullende schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De Afdeling wees dit af omdat reeds een vergoeding was toegekend en de extra termijnoverschrijding onvoldoende was voor een aanvullende vergoeding.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank, met verbeterde motivering.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd, met afwijzing van het verzoek om aanvullende schadevergoeding.