Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:1921

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
17 april 2026
Publicatiedatum
28 april 2026
Zaaknummer
12031213 \ AE VERZ 25-80
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:669 lid 1 BWArt. 7:669 lid 3 BWArt. 7:671b lid 9 onder a BWArt. 7:671b lid 9 onder c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding arbeidsovereenkomst wegens verstoorde arbeidsverhouding zonder billijke vergoeding

Stater verzoekt de ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [verweerder] vanwege een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding. De werknemer werkte sinds de overname van zijn voormalige werkgever door Stater in 2016 bij Stater, maar ervoer vanaf het begin problemen met systemen, werkwijze en arbeidsvoorwaarden. Ondanks meerdere gesprekken, trajecten in het tweede spoor en mediation, bleef de situatie onoplosbaar.

De kantonrechter oordeelt dat de ontbinding op de g-grond gerechtvaardigd is en dat herplaatsing binnen Stater niet mogelijk is vanwege uniforme systemen en werkklimaat. De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden per 1 juni 2026, met toekenning van een transitievergoeding van € 76.892,89 bruto.

Het verzoek om een billijke vergoeding wordt afgewezen omdat de drempel voor ernstig verwijtbaar handelen door Stater niet wordt gehaald. De kantonrechter motiveert uitgebreid dat de door [verweerder] aangevoerde omstandigheden onvoldoende bewijs leveren voor ernstig verwijtbaar handelen of nalaten. Beide partijen dragen hun eigen proceskosten en de beschikking is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden per 1 juni 2026 met toekenning van een transitievergoeding, maar zonder billijke vergoeding.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer / rekestnummer: 12031213 \ AE VERZ 25-80
Beschikking van 17 april 2026
in de zaak van
STATER N.V.,
gevestigd te Amersfoort,
verzoekende partij,
hierna te noemen: Stater,
gemachtigde: mr. G.M. Gerdes,
tegen
[verweerder],
wonend te [woonplaats] ,
verwerende partij,
hierna te noemen: [verweerder] ,
gemachtigde: mr. M.J.S. Spanjersberg.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met productie 1 tot en met 35
- de brief van de gemachtigde van Stater van 19 maart 2026 met productie 36
- het verweerschrift met productie 1 tot en met 4
- de brief van de gemachtigde van [verweerder] van 19 maart 2026 met productie 5 tot en met 7
- de pleitnota van Stater
- de mondelinge behandeling van 20 maart 2026. Stater heeft zich tijdens de mondelinge behandeling laten vertegenwoordigen door de heer [A] ( [functie 1] ) en mevrouw [B] ( [functie 2] ) en haar gemachtigde. [verweerder] is verschenen met zijn gemachtigde. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van de mondelinge behandeling.
1.2
De beschikking is bepaald op vandaag.

2.De kern van de zaak

2.1
Stater verzoekt de kantonrechter om de arbeidsovereenkomst met [verweerder] te ontbinden vanwege een verstoorde arbeidsverhouding (g-grond). [verweerder] is voor Stater gaan werken omdat de onderneming van zijn voormalige werkgever na 20 jaar door Stater werd overgenomen. Vanaf het begin af aan zijn er tussen partijen problemen gerezen over de wijze waarop bij Stater wordt gewerkt, in het bijzonder de bij Stater gebruikte systemen, en de arbeidsvoorwaarden van [verweerder] . [verweerder] vindt dat hem voorafgaand aan de overname door Stater een te rooskleurig beeld is geschetst. [verweerder] is na de overname meerdere keren langdurig uitgevallen. Er zijn vele gesprekken geweest en er zijn en pogingen gedaan om de situatie van [verweerder] te verbeteren, waaronder ook een tweetal trajecten in het 2e spoor en mediation, maar die hebben geen positief resultaat opgeleverd. Stater ziet daarom geen mogelijkheden meer om verandering te brengen in deze situatie en telt dat de arbeidsovereenkomst moet eindigen. [verweerder] heeft erkend dat sprake is van een dusdanig verstoorde arbeidsverhouding dat voortzetting van de arbeidsovereenkomst niet realistisch meer is, maar hij vindt dat Stater daarvan een ernstig verwijt valt te maken. Hij wil daarom naast de wettelijke transitievergoeding ook een billijke vergoeding.
2.2
De kantonrechter ontbindt de arbeidsovereenkomst op de g-grond, maar wijst het verzoek tot betaling van een billijke vergoeding af, omdat daarvoor een hoge drempel geldt, die in dit geval niet wordt gehaald.

3.De achtergrond van de zaak

3.1
[verweerder] , geboren op [geboortedatum] 1968, is op 1 april 1997 in dienst getreden bij de rechtsvoorgangster van Stater. De functie van [verweerder] is [functie 3] met een maandloon van € 5.312,50 bruto, vermeerderd met een persoonlijke toeslag van € 1.173,01 bruto en 8% vakantiebijslag en een flexibel budget.
3.2
Per 14 november 2016 zijn de activiteiten van de voormalig werkgever door Stater overgenomen.
3.3
[verweerder] heeft vanaf de overname moeite met de systemen, werkwijze en processen binnen Stater. Ook was hij ontevreden over zijn arbeidsvoorwaarden, het verrichten van overwerk en de lange reistijd. Hij is van mening dat hem daarvan voorafgaand aan de overname een ander en rooskleuriger beeld is voorgespiegeld. De discussie die na de overname is ontstaan met betrekking tot de arbeidsvoorwaarden is op 28 april 2021 opgelost met een vaststellingsovereenkomst.
3.4
Vanaf 2018 is [verweerder] steeds vaker uitgevallen met werkgerelateerde klachten. In 2018 betrof dat perioden van steeds een paar weken. Vanaf medio 2019 is hij meerdere malen langdurig uitgevallen door werkgerelateerde klachten.
3.5
Partijen hebben hier vaak met elkaar over gesproken. In januari 2023 hebben Stater en [verweerder] ook gesproken over de situatie, waarbij Stater heeft aangegeven dat de systemen en werkwijze binnen Stater niet zouden veranderen en dat [verweerder] ofwel binnen die bestaande situatie zijn weg zou moeten vinden binnen het bedrijf, of het bedrijf zou moeten verlaten, al dan niet met hulp van Stater.
3.6
Na afloop van het eerste ziektejaar in mei 2023 heeft de arbeidsdeskundige vastgesteld dat [verweerder] niet arbeidsongeschikt was, maar dat er nog wel een arbeidsconflict was, omdat [verweerder] zich ongemakkelijk en onveilig voelde op de werkvloer. Uit een eerdere mail van [verweerder] in januari 2023 volgt dit ook. De optie van mediation maakt geen deel uit van deze rapportage. Om [verweerder] toch te laten re-integreren is toen gekozen voor het 2e Spoor. In het verslag daarvan is opgenomen dat het doel was ‘het bereiken van duurzame plaatsing buiten de organisatie’.
[verweerder] is gedurende een periode van zes maanden vrijgesteld van werkzaamheden om door middel van outplacement te zoeken naar ander werk buiten Stater.
3.7
Het 2e spoor traject is gestart op 16 mei 2023. Op 16 augustus 2023 liet [verweerder] in het kader van dat traject aan Stater weten niet op vacatures te zullen solliciteren zolang ‘lopende juridische zaken tussen hem en Stater’ niet zouden zijn afgehandeld. Hij wilde niet de indruk wekken mee te werken aan een vrijwillig vertrek bij Stater.
3.8
Eind augustus 2023 geeft [verweerder] aan wel bij Stater te willen terugkeren onder de harde voorwaarde dat de arbeidsomstandigheden zouden zijn verbeterd, waarbij er geen dagelijkse storingen en foutmeldingen zouden zijn. Op 11 september 2023 heeft [verweerder] te kennen gegeven dat hij bij een vertrek gecompenseerd wilde worden voor een eventuele achteruitgang in inkomen bij een mogelijk vertrek en is gesproken over de mogelijkheid van een vso.
3.9
Op 27 december 2023 heeft Stater [verweerder] een beëindigingsvoorstel gedaan. [verweerder] was op dat moment niet arbeidsongeschikt.
3.1
Op 22 januari 2024 heeft [verweerder] het beëindigingsvoorstel afgewezen omdat hij de vergoeding niet passend (niet hoog genoeg) vond bij de werkomstandigheden bij Stater. Zijn werkplezier was hij naar eigen zeggen na zijn derde uitval in mei 2022 kwijt. Partijen hebben daar nadien op verschillende momenten overleg gehad, maar dat heeft niet geleid tot overeenstemming.
3.11
[verweerder] heeft zich per 11 december 2024 weer arbeidsongeschikt gemeld wegens werkgerelateerde klachten.
3.12
Op 29 januari 2025 heeft [verweerder] tijdens een gesprek met Stater en een vertegenwoordiger van de Arbodienst aangegeven dat hij toch graag weer zijn eigen werkzaamheden zou willen hervatten. Stater heeft tijdens dat gesprek aangegeven verbaasd te zijn, omdat de omstandigheden niet veranderd waren en [verweerder] na ruim een jaar plots een ander standpunt leek in te nemen over zijn toekomstwensen. Ook is gesproken over de mogelijkheid van een 2e spoor traject.
3.13
Op 26 februari 2025 heeft de bedrijfsarts aangegeven dat [verweerder] arbeidsongeschikt was wegens een medische aandoening veroorzaakt door werkgerelateerde omstandigheden. De bedrijfsarts adviseerde daarom mediaition. [verweerder] heeft aanvankelijk aangegeven het oneens te zijn te zijn met de rapportage van de arbo-arts. Stater heeft de voorbereidingen voor een mediation traject in gang gezet en [verweerder] heeft zelf een mediator kunnen aandragen. Uiteindelijk heeft in de periode 8 april tot 11 juni 2025 het mediationtraject plaatsgevonden, maar een oplossing is niet bereikt. Ondertussen was [verweerder] sinds 23 april 2025 weer met het 2e spoortraject gestart.
3.14
In oktober 2025 is discussie ontstaan over het 2e spoor traject. [verweerder] wilde enkel vrijwilligerswerk doen en uiteindelijk bij Stater terugkeren in eigen werk. Stater heeft daarop laten weten dat in haar beleving spoor 1 niet meer mogelijk was, vanwege een onherstelbaar verstoorde arbeidsrelatie.
3.15
Op 8 december 2025, vlak voor het aflopen van het eerste ziektejaar, heeft [verweerder] zich hersteld gemeld en laten weten zijn werkzaamheden bij Stater te willen hervatten. Op 9 december 2025 heeft Stater laten weten de hersteld melding niet te accepteren en [verweerder] niet toe te zullen laten tot zijn eigen werkzaamheden. Zij heeft aangegeven [verweerder] te zullen laten oproepen door de bedrijfsarts. Op 11 december 2025 heeft de bedrijfsarts aangegeven dat [verweerder] normaal belastbaar was, zonder beperking voortvloeiende uit ziekte of gebrek. Op 15 december 2025 heeft [verweerder] zich nogmaals hersteld gemeld. Op 19 december 2025 heeft Stater laten weten dat [verweerder] niet meer zou worden toegelaten tot het verrichten van zijn eigen werk of ander passend werk binnen Stater, wegens een verstoorde arbeidsverhouding. Stater gaf aan dat het 2e spoor traject naar haar mening weer moest worden opgepakt. De gemachtigde van [verweerder] heeft daarop laten weten dat er geen grondslag was voor het 2e spoor, omdat [verweerder] hersteld was en zijn eigen werk kon doen. Stater heeft daarop op 23 december 2025 gereageerd een aangegeven dat zij [verweerder] definitief niet meer zou toelaten tot zijn eigen of ander passend werk binnen Stater. Herplaatsing binnen Stater is volgens Stater niet mogelijk omdat binnen de gehele onderneming met dezelfde systemen wordt gewerkt.
3.16
Vervolgens is Stater deze procedure begonnen.

4.De beoordeling

De arbeidsovereenkomst zal worden ontbonden wegens een verstoorde arbeidsverhouding
4.1
Het gaat in deze zaak om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden.
4.2
Een arbeidsovereenkomst kan alleen worden ontbonden als daar een redelijke grond voor is. In de wet is bepaald wat een redelijke grond is. [1] Ook is voor ontbinding vereist dat herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. [2]
4.3
De kantonrechter oordeelt dat er inderdaad een redelijke grond is voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst, namelijk een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding. Partijen zijn het daar ook over eens en daarom hoeft het bestaan van deze beëindigingsgrondslag niet verder te worden besproken.
4.4
Herplaatsing van [verweerder] binnen een redelijke termijn is niet mogelijk en/of ligt niet in de rede, omdat binnen Stater overal met dezelfde systemen wordt gewerkt met eenzelfde werkklimaat en daarvan is inmiddels genoegzaam gebleken dat [verweerder] daarin niet bestendig kan werken. Ook uit de door Stater overgelegde vacaturelijst volgt geen herplaatsingsmogelijkheid voor [verweerder] .
Het einde van de arbeidsovereenkomst wordt bepaald op 1 juni 2026
4.5
De conclusie is dat de arbeidsovereenkomst zal worden ontbonden. Het einde van de arbeidsovereenkomst zal worden bepaald op 1 juni 2026. Dat is de datum waarop de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging zou zijn geëindigd, verminderd met de duur van deze procedure. [3]
Stater moet een transitievergoeding betalen van € 76.892,89 bruto
4.6
Partijen zijn het erover eens dat [verweerder] recht heeft op een transitievergoeding. Voor het bepalen van de grondslag van de transitievergoeding moeten de volgende (maandelijkse) bruto bedragen worden meegenomen:
  • het salaris € 5.418,74
  • de persoonlijke toeslag € 1.196,47
  • en het flexibel budget
  • totaal € 7.908,24
De netto internetvergoeding van € 25,00 per maand wordt niet meegerekend omdat dit een onkostenvergoeding is en geen looncomponent.
Bij een ontbinding per 1 juni 2026 bedraagt de transitievergoeding daarom € 76.892,89.
Het verzoek om Stater te veroordelen tot betaling van de transitievergoeding wordt daarom toegewezen.
Stater hoeft geen billijke vergoeding te betalen
4.7
De kantonrechter ziet geen aanleiding om aan [verweerder] een billijke vergoeding toe te kennen. Een billijke vergoeding kan worden toegekend als de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. [4] Dat zal zich alleen voordoen in uitzonderlijke gevallen en als een werkgever de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst in ernstige mate schendt. Bij de beoordeling of de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever, moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen. [5] De lat licht daarbij zeer hoog. In dit geval is geen sprake van dergelijk ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van Stater.
4.8
[verweerder] voert een aantal omstandigheden aan op grond waarvan hij vindt dat Stater ernstig verwijtbaar heeft gehandeld.
  • Hij stelt dat Stater voorafgaand aan de overname een verkeerd beeld heeft geschetst over de salarisvoorwaarden, ICT-systemen, werkprocessen, inlevingsvermogen en thuiswerkmogelijkheden, waardoor [verweerder] er destijds voor gekozen heeft zijn dienstverband bij Stater voort te zetten.
  • Hij stelt dat Stater zijn reintegratie vanwege een loonconflict heeft geblokkeerd en daarom nooit een serieuze poging heeft gedaan om reintegratie in spoor 1 goed te laten verlopen
  • Hij stelt dat hij bewust negatieve beoordelingen heeft gekregen en is weggezet als een ‘moeilijke werknemer’ om ervoor te zorgen dat hij zelf zou vertrekken.
  • Hij stelt dat Stater ten onrechte het 2e spoor traject heeft ingezet als een exitstrategie, zonder er rekening mee te houden dat [verweerder] dan aanzienlijk in inkomen achteruit zou gaan.
  • Hij stelt dat Stater hem onheus heeft bejegend en valselijk heeft beschuldigd en onder druk heeft gezet door te dreigen met loonsancties.
  • Hij stelt dat de werkdruk bij Stater onredelijk hoog was.
4.9
Stater heeft aangegeven zich geheel niet in dit beeld te herkennen en aangevoerd dat zij er gedurende langere tijd juist alles aan heeft gedaan om gezamenlijk uit de ontstane situatie te raken.
4.1
De kantonrechter zal hierna motiveren waarom zij van oordeel is dat hetgeen [verweerder] heeft aangevoerd de hiervoor beschreven drempel van de ernstige verwijtbaarheid aan de zijde van Stater niet haalt.
4.11
Het staat vast dat [verweerder] direct na de overgang van onderneming in 2016 moeite had met de systemen, procedures en de regels bij zijn nieuwe werkgever. [verweerder] had – zo begrijpt de kantonrechter - voorafgaand aan die overgang, op basis van de aan hem verstrekte informatie, andere verwachtingen en Stater heeft die niet waargemaakt. Stater heeft toegelicht dat zij na de overname inderdaad enige tijd problemen heeft gehad met storingen in haar systemen, maar dat zij haar werknemers daar niet op heeft afgerekend. [verweerder] heeft in de eerste periode ook geen slechte beoordeling gekregen.
4.12
Een overgang van onderneming, waarbij de activiteiten van de oude werkgever worden overgenomen door de nieuwe werkgever zoals in deze zaak geruime tijd geleden is gebeurd, namelijk in 2016, betekent ook dat alle werknemers van rechtswege, dus automatisch, mee overgaan. Op welke manier [verweerder] , zoals hij zelf bij herhaling stelt, daarin andere keuzes zou hebben gemaakt als hij had geweten hoe het werken bij Stater zou zijn, is de kantonrechter dan ook niet duidelijk. Op welke manier dit ernstig verwijtbaar aan Stater zou zijn, is naar het oordeel van de kantonrechter ook niet komen vast te staan.
Een dergelijke overgang betekent ook dat de rechten en verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst van [verweerder] mee over zijn gegaan naar Stater. Dat het tot 2021 heeft geduurd totdat de discussie daarover via een vaststellingsovereenkomst is beslecht, kan Stater worden verweten, maar haalt niet de lat van de ernstige verwijtbaarheid. Dat Stater in die periode actief op een vertrek van [verweerder] heeft aangestuurd blijkt verder nergens uit. [verweerder] stelt dat hij bewust is tegengewerkt en is weggezet als ‘een moeilijke werknemer’, maar ook dit blijkt niet uit de overgelegde deskundigenrapporten en correspondentie. Dat om die reden reintegratie in spoor 1 is tegengewerkt door Stater volgt daar evenmin uit en komt dan ook niet vast te staan.
4.13
[verweerder] heeft gedurende meerdere jaren steeds herhaald dat de werkomstandigheden en vooral de gebruikte systemen bij Stater ziekmakend zijn en hij stelt dat dit ernstig aan Stater te verwijten is. Dit is naar het oordeel van de kantonrechter niet komen vast te staan. Stater heeft aangevoerd dat, na een korte periode van storingen, de systemen in haar grote organisatie prima werken en niet leiden tot uitval onder het personeel. De stelling over een onaanvaardbare werkdruk is verder gemotiveerd weersproken. De systemen bij Stater en de door [verweerder] ervaren problemen, is de reden geweest dat de arbeidsdeskundige al in 2023 heeft geadviseerd om in het 2e Spoor te reintegreren. Buiten de organisatie van Stater zou hij daarvan immers geen last meer hebben. Dat er een verband is tussen die keuze en de nu door [verweerder] aangevoerde bewuste exitstrategie van Stater is dan ook niet komen vast te staan.
4.14
Ook het aankondigen van een loonsanctie kan niet zomaar worden begrepen als een ongeoorloofd drukmiddel. Dit is immers een wettelijk instrument dat mag worden ingezet indien niet wordt meegewerkt aan de reintegratie. Vast staat dat die reintegratie moeizaam verliep en dat eerdere gesprekken daarin geen verandering hadden gebracht. Dat Stater [verweerder] onheus heeft bejegend en valselijk heeft beschuldigd wordt door Stater betwist en is tegen de achtergrond van die betwisting ook onvoldoende onderbouwd.
4.15
De kantonrechter is van oordeel dat Stater gedurende lange tijd, namelijk vanaf de overname - en dus inmiddels tien jaar - meerdere instrumenten die zij tot haar beschikking had heeft ingezet om uit de ontstane situatie met haar werknemer te geraken. Er zijn gesprekken gevoerd, er is een verbetertraject geprobeerd en, zodra dit werd geadviseerd, is mediation ingezet. Het is ook begrijpelijk dat tot twee maal toe, op advies van deskundigen, reintegratie in het 2e spoor is ingezet, omdat duidelijk was dat de arbeidsomstandigheden, onder andere de gebruikte systemen, bij Stater niet zouden veranderen en [verweerder] daar bij een functie elders geen last meer van zou hebben. Bovendien heeft [verweerder] herhaaldelijk zijn standpunt over wat hij nu precies wilde gewijzigd. Van ernstige verwijtbaarheid van Stater is niet gebleken. De verzochte billijke vergoeding zal daarom worden afgewezen.
Stater hoeft geen gelegenheid te krijgen om het verzoek in te trekken
4.16
Stater hoeft geen gelegenheid te krijgen het verzoek in te trekken, omdat aan de ontbinding geen billijke vergoeding wordt verbonden.
Partijen moeten de eigen proceskosten betalen
4.17
De kantonrechter zal bepalen dat partijen ieder hun eigen proceskosten moeten betalen, omdat de aard van de zaak daartoe aanleiding geeft en geen sprake is van (ernstig) verwijtbaar handelen of nalaten van één van beide partijen.
De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard
4.18
De beschikking zal, zoals verzocht, uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard. Dat wil zeggen dat partijen aan de beschikking moeten voldoen, ook indien één van partijen daartegen hoger beroep instelt.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1
ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 juni 2026,
5.2
veroordeelt Stater om aan [verweerder] uiterlijk een maand na het einde van het dienstverband een transitievergoeding te betalen van € 76.892,89 bruto,
5.3
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt,
5.4
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,
5.5
wijst af het meer of anders verzochte,
Deze beschikking is gegeven door C.J.M. Hendriks en in het openbaar uitgesproken op 17 april 2026.
184

Voetnoten

1.Artikel 7:669 lid 3 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).
2.Artikel 7:669 lid 1 BW Pro.
3.Artikel 7:671b lid 9, onder a, BW.
4.Artikel 7:671b lid 9, onder c, BW.
5.Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 21 januari 2022, te vinden op www.rechtspraak.nl, met nummer ECLI:NL:HR:2022:63 (