Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:1904

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
15 april 2026
Publicatiedatum
26 april 2026
Zaaknummer
11856569 \ UC EXPL 25-6924 WMB/61313
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:87 BWArt. 6:83 onder b BWArt. 6:30 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Teruggave en schadevergoeding voor beleende persoonlijke eigendommen na geschil over onrechtmatig handelen

Eiseres heeft aan gedaagde een iPhone en Apple Watch uitgeleend, die gedaagde sub 1 vervolgens beleende om drugs te kopen. Gedaagde sub 2 kocht de spullen terug van het pandhuis en probeerde deze aan eiseres terug te geven, maar er ontstond discussie over de juiste Apple Watch.

Eiseres vordert teruggave van de spullen of een vervangende schadevergoeding en een verklaring voor recht dat gedaagden onrechtmatig hebben gehandeld. De rechtbank stelt vast dat de iPhone is teruggegeven, maar de Apple Watch vermoedelijk is verwisseld in het pandhuis. Daarom krijgt eiseres een schadevergoeding van €35,00 toegewezen, te betalen door gedaagde sub 1.

De vorderingen tot verklaring van onrechtmatig handelen worden afgewezen omdat gedaagde sub 2 heeft geprobeerd de spullen terug te geven en gedaagde sub 1 via anderen heeft laten teruggeven. Eiseres weigerde de spullen in ontvangst te nemen. Daarnaast moet eiseres de proceskosten van gedaagde sub 2 betalen wegens onnodige procedure.

Uitkomst: Eiseres krijgt een schadevergoeding van €35,00 voor de Apple Watch en moet proceskosten van €172,50 betalen; overige vorderingen worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht, kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 11856569 \ UC EXPL 25-6924 WMB/61313
Vonnis van 15 april 2026
in de zaak van
[eiser],
wonend in [woonplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
procederend in persoon,
tegen

1.[bewindvoerder] , als bewindvoerder over de goederen van

[gedaagde sub 1],
kantoorhoudend in [plaats] ,
hierna te noemen: de bewindvoerder en [gedaagde sub 1] ,
2.
[gedaagde sub 2],
wonend in [woonplaats 2] ,
hierna te noemen: [gedaagde sub 2] ,
gedaagde partijen,
beiden procederend in persoon.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaardingen van 19 augustus 2025;
- de conclusie van antwoord van [gedaagde sub 1] van 25 augustus 2025, uitgebracht voordat de bewindvoerder bij de zaak betrokken was;
- de e-mail van [eiser] met aanvullende stukken van 26 augustus 2025, met daarin ook een eiswijziging;
- de conclusie van antwoord van [gedaagde sub 2] van 28 augustus 2025,
- de e-mail van [eiser] met aanvullende stukken van 24 november 2025;
- de e-mail van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] met aanvullende stukken van 25 november 2025;
- de e-mail van [eiser] met aanvullende stukken van 28 november 2025;
- de e-mail van [eiser] met aanvullende stukken van 23 maart 2026.
1.2
In eerste instantie was de mondelinge behandeling gepland op 5 december 2025. Kort daarvoor werd duidelijk dat [gedaagde sub 1] onder bewind stond en zijn bewindvoerder opgeroepen moest worden. [1] De mondelinge behandeling is daarom verplaatst en vond plaats op 31 maart 2026. De griffier heeft daarvan aantekeningen gemaakt. [eiser] is daar verschenen. Ook [gedaagde sub 2] en de bewindvoerder zijn verschenen. Tijdens de zitting heeft [gedaagde sub 2] een schriftelijke machtiging van [gedaagde sub 1] overgelegd om namens hem het woord te voeren tijdens de zitting. Verder was mr. J.F.C. de Groot, medewerkster bij het Leger des Heils, bij de zitting aanwezig. Aan het eind van de zitting heeft de kantonrechter bepaald dat vonnis zal worden gewezen.

2.De kern van de zaak

2.1
[eiser] werkte bij [instelling] in Woerden . Via dat werk is zij in contact gekomen met [gedaagde sub 1] . Hij verblijft in de zogenaamde Pitstop opvang, een locatie van het Leger des Heils waar kwetsbare mensen worden geholpen om op termijn weer zelfstandig in de samenleving te kunnen functioneren. Op 17 februari 2025 heeft [eiser] een iPhone en een Apple Watch aan [gedaagde sub 1] uitgeleend, die [gedaagde sub 1] kort daarna heeft beleend om drugs te kunnen kopen. [gedaagde sub 2] , de zwager van [gedaagde sub 1] , heeft de spullen teruggekocht van het pandhuis en contact opgenomen met [eiser] om de spullen terug te geven. Vervolgens is er discussie ontstaan over hoe dat moest gebeuren en is de situatie tussen partijen geëscaleerd. [eiser] vordert teruggave van de spullen of (subsidiair) een vervangende schadevergoeding van € 1.439,69 en een verklaring voor recht dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] onrechtmatig hebben gehandeld. De bewindvoerder en [gedaagde sub 2] zeggen dat zij juist hebben geprobeerd om de spullen terug te geven en verzetten zich daarom tegen de gevorderde verklaring voor recht. [gedaagde sub 2] vraagt daarnaast om een reële proceskostenvergoeding. De vorderingen van [eiser] worden grotendeels afgewezen en zij moet de reële proceskosten van [gedaagde sub 2] betalen.

3.De beoordeling

[gedaagde sub 1] moet [eiser] € 35,00 betalen
3.1
[eiser] vordert teruggave van haar iPhone en Apple Watch of een vervangende schadevergoeding daarvoor. Partijen zijn het erover eens dat [eiser] de spullen terug moet krijgen. Tijdens de zitting heeft [gedaagde sub 2] een iPhone en Apple Watch aan [eiser] overhandigt, waarvan hij zegt dat hij die terug heeft gekocht van het pandhuis. Volgens [eiser] is de iPhone van haar, waardoor aan dat deel van de vordering is voldaan. [eiser] heeft de Apple Watch aan [gedaagde sub 2] teruggegeven, omdat het serienummer daarvan anders was dan het serienummer op het doosje en de bon van haar Apple Watch en ook de kleur niet dezelfde is. [gedaagde sub 2] heeft gezegd dat dit de Apple Watch is die hij heeft teruggekocht bij het pandhuis en dat hij niet weet waar de juiste Apple Watch is.
3.2
Hoewel niet met zekerheid vast te stellen is wat er met de Apple Watch is gebeurd, is het het meest waarschijnlijk dat die in het pandhuis is verwisseld met een andere. Dat betekent dat [eiser] haar eigen Apple Watch nu niet meer terug kan krijgen. Daarom heeft zij recht op een vervangende schadevergoeding. [2] [gedaagde sub 1] moet die schadevergoeding betalen, omdat hij de Apple Watch niet zomaar had mogen belenen. Doordat hij dat wel heeft gedaan is de juiste Apple Watch zoekgeraakt. [gedaagde sub 2] heeft alleen geprobeerd om de spullen aan [eiser] terug te geven en hem kan niet worden verweten dat hij niet de juiste Apple Watch heeft gekregen van het pandhuis. [gedaagde sub 2] hoeft daarom geen schadevergoeding aan [eiser] te betalen.
3.3
Tijdens de zitting heeft [eiser] aangegeven dat zij de dagwaarde van de Apple Watch vergoed wil krijgen en dat die dagwaarde rond de € 200,00 is. De bewindvoerder en [gedaagde sub 2] betwisten dat. Volgens hen is de dagwaarde hoogstens een paar tientjes. Op basis van de inruilwaarde van dit model Apple Watch bij grote retailers, stelt de kantonrechter de dagwaarde van de Apple Watch vast op € 35,00. De kantonrechter zal de bewindvoerder daarom veroordelen om dat bedrag aan [eiser] te betalen. Anders dan [eiser] heeft gevorderd, wordt de wettelijke rente over dat bedrag toegewezen vanaf de datum van de mondelinge behandeling. Pas toen werd namelijk duidelijk dat [eiser] recht heeft op een vervangende schadevergoeding en was de bewindvoerder in verzuim. [3]
De gevorderde verklaring van recht wordt afgewezen
3.4
[eiser] heeft op 26 augustus 2025 een eisvermeerdering ingediend, die inhoudt dat zij ook een verklaring van recht wil dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] onrechtmatig hebben gehandeld jegens haar door het wederrechtelijk onder zich houden van haar persoonlijke eigendommen, het verspreiden van onjuiste en schadelijke informatie en het frustreren van een zorgvuldige afwikkeling. Omdat daartegen geen bezwaar is gemaakt, wordt die eisvermeerdering toegelaten.
3.5
De kantonrechter zal de vordering ten aanzien van [gedaagde sub 2] afwijzen. De kantonrechter ziet niet in wat er onrechtmatig geweest is aan het handelen van [gedaagde sub 2] . Nadat bleek dat [gedaagde sub 1] de spullen had beleend, heeft hij die teruggekocht bij het pandhuis. Daarna heeft hij meerdere keren aangeboden om de spullen bij [eiser] langs te brengen of aan haar op te sturen. Dat wilde [eiser] niet, omdat zij wilde dat [gedaagde sub 1] de spullen zelf kwam terugbrengen. Toen de communicatie vervolgens vastliep heeft [gedaagde sub 2] hulp ingeschakeld van de wijkagent en het Leger des Heils. Dat is niet onrechtmatig.
3.6
De kantonrechter zal de vordering ten aanzien van [gedaagde sub 1] ook afwijzen. [eiser] zegt dat [gedaagde sub 1] onrechtmatig heeft gehandeld, omdat hij de spullen heeft verduisterd. Zij verwijt hem daarbij niet dat hij de spullen heeft beleend, maar alleen dat hij ze niet persoonlijk aan haar heeft teruggegeven. Maar [gedaagde sub 1] heeft [gedaagde sub 2] ingeschakeld om de spullen aan [eiser] terug te geven en dat mocht hij doen. [4] Bovendien heeft ook de bewindvoerder later aangeboden om de spullen namens [gedaagde sub 1] aan haar terug te geven. Het is voor de kantonrechter onbegrijpelijk waarom [eiser] telkens heeft geweigerd om de spullen in ontvangst te nemen en heeft geëist dat [gedaagde sub 1] die persoonlijk op een politiebureau moest overhandigen. Van verduistering is dus geen sprake, omdat [gedaagde sub 1] juist heeft geprobeerd om de spullen aan [eiser] terug te geven met hulp van [gedaagde sub 2] en de bewindvoerder.
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoeven geen buitengerechtelijke incassokosten te betalen
3.7
Uit haar eisvermeerdering lijkt te volgen dat [eiser] ook wil dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] buitengerechtelijke incassokosten aan haar betalen. Voor zover dat het geval is, moet die vordering worden afgewezen omdat niet is gebleken dat zij buitengerechtelijke incassokosten heeft gemaakt.
[eiser] moet [gedaagde sub 2] € 172,50 aan proceskosten betalen
3.8
Ten aanzien van [gedaagde sub 2] is [eiser] in het ongelijk gesteld. Zij moet daarom zijn proceskosten betalen. [gedaagde sub 2] heeft om een reële proceskostenvergoeding gevraagd. Omdat [eiser] om onbegrijpelijke redenen heeft geweigerd om de spullen van hem in ontvangst te nemen, zal de kantonrechter dat verzoek toewijzen. Als zij wel had meegewerkt, was deze procedure namelijk niet nodig geweest. [gedaagde sub 2] zegt dat hij een dag vrij heeft moeten nemen voor de zitting en de voorbereiding daarvan en daardoor € 344,56 aan inkomsten misloopt. Omdat de zitting om 9.00 begon en maar 45 minuten in beslag heeft genomen, oordeelt de kantonrechter dat een halve dag vrij voldoende was om die zitting voor te bereiden en daarbij aanwezig te kunnen zijn. De reële proceskosten van [gedaagde sub 2] worden daarom begroot op € 172,50.
3.9
Ten aanzien van [gedaagde sub 1] is [eiser] deels in het gelijk gesteld, maar ook voor haar vorderingen op [gedaagde sub 1] was het niet nodig om een procedure te starten en door te zetten. Zowel [gedaagde sub 2] als de bewindvoerder hebben immers namens [gedaagde sub 1] meerdere keren aangeboden om de spullen terug te geven. Er is ook geen reden om aan te nemen dat de bewindvoerder zou hebben geweigerd om de zoekgeraakte Apple Watch namens [gedaagde sub 1] te vergoeden. De proceskosten tussen de bewindvoerder en [eiser] worden daarom gecompenseerd. Dat betekent dat zij ieder hun eigen kosten moeten dragen.

4.De beslissing

De kantonrechter:
ten aanzien van [gedaagde sub 2]
4.1
wijst de vorderingen van [eiser] af,
4.2
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 172,50, aan [gedaagde sub 2] te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend.
ten aanzien van de bewindvoerder
4.3
veroordeelt de bewindvoerder om € 35,00 aan [eiser] te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente [5] vanaf 31 maart 2026,
4.4
compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat beide partijen de eigen kosten moeten dragen,
4.5
verklaart de beslissing bij randnummer 4.3. uitvoerbaar bij voorraad,
4.6
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.L. Rijnbout en in het openbaar uitgesproken op 15 april 2026.

Voetnoten

1.Op grond van Hoge Raad 7 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:525.
2.Artikel 6:87 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW).
3.Artikel 6:83 onder Pro b BW.
4.Artikel 6:30 BW Pro.
5.Als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro.