Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.De procedure
2.De feiten
3.Het geschil
4.De beoordeling
595,00(2,5 punten x tarief € 238,00)
Rechtbank Midden-Nederland
De werknemer trad op 3 oktober 2022 in dienst bij de werkgever en volgde een verplichte beroepsopleiding die noodzakelijk was voor zijn functie. De werkgever bracht opleidingskosten van € 4.500,00 in rekening, waarvan de werknemer € 3.375,00 betaalde. Na beëindiging van het dienstverband vorderde de werknemer deze kosten terug, stellende dat het studiekostenbeding nietig is op grond van artikel 7:611a BW.
De werkgever voerde aan dat de opleiding niet onder de wettelijke scholingsverplichting viel en dat de terugbetalingsverplichting terecht was. De kantonrechter stelde vast dat de opleiding noodzakelijk was voor de functie, zoals ook bevestigd door de werkgever zelf, die de opleiding verplicht stelde en het niet volgen of afronden ervan tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst leidde.
De kantonrechter volgde de prejudiciële uitspraak van de Hoge Raad van 26 september 2025, waarin artikel 7:611a BW in overeenstemming met EU-richtlijn 2019/1152 werd uitgelegd. Dit betekent dat de werkgever verplicht is de noodzakelijke opleiding kosteloos aan te bieden en dat een studiekostenbeding dat dit anders bepaalt nietig is. De werkgever moest de opleidingskosten dus dragen en de werknemer kreeg de betaalde kosten terugbetaald.
De werkgever werd veroordeeld tot betaling van € 3.375,00 aan de werknemer en tot vergoeding van diens proceskosten van € 1.135,04. De overige gronden van de werknemer behoefden geen beoordeling meer.
Uitkomst: Het studiekostenbeding is nietig en de werkgever moet de betaalde opleidingskosten van € 3.375,00 terugbetalen aan de werknemer.