Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:1886

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
14 april 2026
Publicatiedatum
25 april 2026
Zaaknummer
12050824 \ UE VERZ 26-16 en 12052922 \ UE VERZ 26-18
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:678 lid 1 BWArt. 7:677 BWArt. 7:673 BWArt. 7:686a lid 4 BWArt. 7:672 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtsgeldigheid ontslag op staande voet en toekenning gefixeerde schadevergoeding

De werknemer, sinds 2019 in dienst bij Lidl als lid van het Filiaal Management Team, werd op staande voet ontslagen wegens het onrechtmatig verwijderen van gewerkte uren van medewerkers, het nabootsen van handtekeningen en het afboeken van verlofuren zonder toestemming. Lidl ontdekte dit na een melding van een oproepkracht en een daaropvolgend onderzoek.

De kantonrechter beoordeelde of het ontslag aan de wettelijke eisen voldeed: een dringende reden, onverwijld gegeven ontslag en onverwijlde mededeling van de reden. Het ontslag werd als onverwijld gegeven en medegedeeld beschouwd, omdat Lidl pas na een gesprek en onderzoek op 10 en 11 november 2025 tot ontslag overging.

De verwijdering van uren en afboeken van verlofuren werden als voldoende dringende redenen en ernstig verwijtbaar handelen aangemerkt, terwijl het nabootsen van handtekeningen niet als dringende reden werd erkend. De werknemer kreeg geen recht op transitievergoeding, billijke vergoeding of vergoeding wegens onregelmatige opzegging.

Lidl's tegenverzoek tot een gefixeerde schadevergoeding wegens het handelen van de werknemer werd toegewezen, maar voor een lager bedrag dan gevorderd, gebaseerd op een opzegtermijn van één maand. Proceskosten werden verdeeld: werknemer draagt eigen kosten, partijen compenseren elkaar.

Uitkomst: Het ontslag op staande voet is rechtsgeldig; de vergoedingsverzoeken van de werknemer worden afgewezen en de werkgever krijgt een gefixeerde schadevergoeding toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Beschikking van 14 april 2026
in de zaak met zaaknummer 12050824 \ UE VERZ 26-16 MS/1270
van
[procesdeelnemer 1],
wonende te [woonplaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [procesdeelnemer 1] ,
gemachtigde: mr. P.H. van der Vleuten,
tegen
de besloten vennootschap naar Duits recht
LIDL NEDERLAND GMBH,
gevestigd te Huizen,
verwerende partij,
hierna te noemen: Lidl,
gemachtigde: mr. A. van Kerkhof,
en in de zaak met zaaknummer 12052922 \ UE VERZ 26-18 MS/1270
van
de besloten vennootschap naar Duits recht
LIDL NEDERLAND GMBH,
gevestigd te Huizen,
verzoekende partij,
hierna te noemen: Lidl,
gemachtigde: mr. A. van Kerkhof,
tegen
[procesdeelnemer 1],
wonende te [woonplaats] ,
verwerende partij,
hierna te noemen: [procesdeelnemer 1] ,
gemachtigde: mr. P.H. van der Vleuten.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
in de zaak 12050824\ UE VERZ 26-16:
- het verzoekschrift met producties, door de kantonrechter ontvangen op 9 januari 2026,
- het verweerschrift met producties,
in de zaak 12052922\ UE VERZ 26-18:
- het zelfstandig tegenverzoek met producties, door de kantonrechter ontvangen op 8 januari 2026,
- het verweerschrift,
in beide zaken:
- de aanvullende producties van [procesdeelnemer 1] ,
- de aanvullende productie van Lidl.
1.2
De zaken zijn mondeling behandeld op de zitting van 17 maart 2025. [procesdeelnemer 1] was aanwezig met zijn gemachtigde. Namens Lidl waren aanwezig de heer [A] (hierna: [A] ), [functie 1] bij Lidl, mevrouw [B] (hierna: [B] ), [functie 2] bij Lidl, en de gemachtigde van Lidl. Partijen hebben hun standpunten toegelicht, waarbij de gemachtigde van [procesdeelnemer 1] gebruik heeft gemaakt van een pleitnota. Zij hebben op elkaar kunnen reageren en vragen beantwoord van de kantonrechter. De griffier heeft hiervan aantekeningen gemaakt.
1.3
Aan het einde van de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter besloten dat vandaag uitspraak zal worden gedaan.

2.De kern van de zaken

Lidl heeft [procesdeelnemer 1] op staande voet ontslagen. [procesdeelnemer 1] wil verschillende vergoedingen van Lidl omdat er volgens hem niet is voldaan aan de wettelijke vereisten voor een ontslag op staande voet. De kantonrechter oordeelt dat het ontslag rechtsgeldig is en en wijst de verzoeken van [procesdeelnemer 1] daarom af. Het zelfstandig tegenverzoek van Lidl tot betaling van een gefixeerde schadevergoeding wordt voor een lager bedrag toegewezen.

3.De achtergrond van de zaken

3.1
[procesdeelnemer 1] , geboren [geboortedatum] 1998, is sinds 15 april 2019 in dienst bij Lidl. De arbeidsovereenkomst geldt voor onbepaalde tijd. De meest recente functie van [procesdeelnemer 1] is [functie 3] met een loon van € 5.401,97 bruto per maand exclusief vakantiebijslag.
3.2
Een [functie 3] maakt deel uit van het Filiaal Management Team (FMT) van de vestiging van Lidl waar hij of zij werkzaam is. De [functie 4] en de [functie 5] maken ook deel uit van het FMT.
3.3
De uren die de medewerkers van Lidl werken, worden geregistreerd in een urenregistratiesysteem. Het verantwoordelijke FMT-lid moet voor sluitingstijd van het filiaal, als onderdeel van de dagafsluiting, controleren of alle medewerkers hebben in- en uitgeklokt, of de juiste pauzetijden zijn geregistreerd en of eventuele ziekte-uren en opleidingsuren zijn opgegeven. Als de urenregistratie van een medewerker op deze punten niet blijkt te kloppen, wordt de hele dienst geannuleerd en uit het urenregistratiesysteem verwijderd. Het systeem registreert op wiens naam de annulering wordt gemaakt en dit is terug te vinden in het zogenaamde PZE-journaal.
3.4
Als een FMT-lid een gewerkte dienst annuleert, moet hij of zij de juiste gegevens op een PZE-correctieformulier invullen. Onderaan het formulier staat een veld waar de betreffende medewerker zijn of haar handtekening kan zetten. De ingevulde PZE-correctieformulieren worden vervolgens verwerkt door de personeelsadministratie, zodat uitbetaling van de gewerkte uren kan plaatsvinden.
3.5
[A] heeft begin november 2025 via de personeelsadministratie een melding ontvangen van de oproepkracht [C] (hierna: [C] ) dat de uitbetaling van zijn gewerkte uren niet correct zou zijn geweest. Hij zou in augustus 2025 zes dagen te weinig uitbetaald hebben gekregen. [A] heeft [procesdeelnemer 1] gevraagd dit uit te zoeken. [procesdeelnemer 1] heeft daarop de urenregistratie van [C] alsnog door middel van een PZE-correctieformulier gecorrigeerd, waarna de gewerkte dagen alsnog zijn uitbetaald.
3.6
[A] en [B] hebben over deze kwestie op 10 november 2025 een gesprek gehad met [procesdeelnemer 1] . [procesdeelnemer 1] kon in dit gesprek niet uitleggen waarom de uren die [C] in augustus had gewerkt toen niet waren geregistreerd en uitbetaald. Lidl heeft [procesdeelnemer 1] tijdens dit gesprek geschorst, omdat zij de situatie verder wilde onderzoeken. Uit dit onderzoek bleek dat [procesdeelnemer 1] in veel meer gevallen gewerkte uren van medewerkers had geannuleerd en vervolgens niet had gecorrigeerd door middel van een PZE-correctieformulier.
3.7
[A] en [B] hebben op 11 november 2025 opnieuw een gesprek gehad met [procesdeelnemer 1] om de uitkomsten van het onderzoek te bespreken. [procesdeelnemer 1] heeft ook in dit gesprek geen verklaring voor het annuleren van de gewerkte uren gegeven. Hij is vervolgens op staande voet ontslagen.
3.8
Lidl heeft het ontslag op staande voet met een brief van 12 november 2025 bevestigd. In deze brief worden als dringende redenen voor dit ontslag - zowel ieder voor zich als in onderlinge samenhang - genoemd:
  • het ten onrechte verwijderen/annuleren van gewerkte uren van (ondergeschikte) medewerkers uit het urenregistratiesysteem;
  • het nabootsen van handtekeningen van medewerkers, zonder dat zij daarvoor toestemming hebben gegeven;
  • het ten onrechte afboeken van verlofuren van (ondergeschikte) medewerkers.

4.De beoordeling

in de zaak 12050824\ UE VERZ 26-16:
Wat moet de kantonrechter beoordelen?
4.1
[procesdeelnemer 1] berust in de beëindiging van de arbeidsovereenkomst per 11 november 2025, maar stelt dat het ontslag niet onverwijld is gegeven, dat de ontslagreden niet onverwijld aan hem is meegedeeld en dat een dringende reden voor het ontslag ontbreekt. [procesdeelnemer 1] verzoekt daarom veroordeling van Lidl tot betaling van:
€ 12.789,74 bruto aan transitievergoeding;
€ 97.500,00 bruto aan billijke vergoeding.
€ 15.312,19 bruto aan gefixeerde schadevergoeding wegens onregelmatige opzegging.
4.2
Lidl voert verweer en stelt dat de verzoeken van [procesdeelnemer 1] moeten worden afgewezen.
4.3
Het gaat in deze zaak dus om de vraag of Lidl aan [procesdeelnemer 1] vergoedingen moet betalen. Daarvoor moet worden beoordeeld of het ontslag op staande voet rechtsgeldig is.
Het ontslag op staande voet voldoet aan de eisen die daaraan gesteld worden
4.4
De werkgever kan de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig opzeggen zonder dat de werknemer daarmee schriftelijk instemt. Dat is anders als er sprake is van een dringende reden op grond waarvan de werkgever de arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang mag beëindigen, ook wel een ontslag op staande voet genoemd.
4.5
De wet stelt drie eisen aan het ontslag op staande voet. Alleen als aan alle drie de eisen wordt voldaan is het ontslag op staande voet rechtsgeldig.
Allereerst moet er een dringende reden zijn. Een dringende reden kan bestaan als de werknemer zich zó gedraagt, dat het niet redelijk is om van de werkgever te verlangen dat hij hem nog in dienst houdt [1] . Daarnaast moet het ontslag op staande voet onverwijld worden gegeven en moet de dringende reden onverwijld aan de werknemer worden meegedeeld. Onverwijld betekent dat dit direct of zo snel mogelijk moet gebeuren.
4.6
Naar het oordeel van de kantonrechter voldoet het ontslag op staande voet aan de wettelijke vereisten voor een ontslag op staande voet. Dat wordt hierna toegelicht.
Het ontslag op staande voet is onverwijld gegeven
4.7
Een werkgever moet de werknemer na het ontdekken van de feiten die reden zijn voor het ontslag op staande voet onverwijld ontslaan
.Voor het antwoord op de vraag of het ontslag op staande voet snel genoeg is gegeven, wordt dus gekeken naar het moment waarop de feiten en gedragingen die hebben geleid tot het ontslag op staande voet bekend waren bij degene die de werknemer mocht ontslaan. Als een werkgever vermoedt dat sprake is van een dringende reden voor ontslag, maar dat eerst nog wil onderzoeken dan mag dat. Hij moet dit dan wel zo snel mogelijk en zo efficiënt mogelijk doen. De kantonrechter weegt bij de beoordeling van de onverwijldheid van het ontslag alle omstandigheden van het geval mee.
4.8
[procesdeelnemer 1] stelt dat het ontslag op staande voet niet onverwijld is gegeven, omdat [A] al eind oktober 2025 door de ontvangst van PZE-correctieformulieren ervan op de hoogte was dat hij gewerkte uren had verwijderd en verlofuren had afgeboekt.
4.9
De kantonrechter is van oordeel dat Lidl voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij pas na het gesprek met [procesdeelnemer 1] op 10 november 2025 aanleiding had om onderzoek te doen, omdat [procesdeelnemer 1] tijdens dit gesprek geen goede verklaring kon geven voor het feit dat hij uren van [C] had verwijderd. Lidl heeft ook voldoende aannemelijk gemaakt dat zij pas na dit onderzoek op de hoogte was van het grote aantal gevallen waarin [procesdeelnemer 1] ten onrechte gewerkte uren van medewerkers had verwijderd. Zij heeft [procesdeelnemer 1] hiermee op 11 november 2025 geconfronteerd en hem op staande voet ontslagen. Het ontslag op staande voet is hiermee onverwijld gegeven.
De dringende reden is onverwijld meegedeeld
4.1
Voor de werknemer moet onmiddellijk duidelijk zijn welke eigenschappen en gedragingen voor de werkgever de reden zijn geweest voor het beëindigen van de arbeidsovereenkomst. De reden staat op het moment van het ontslag op staande voet vast en kan niet later worden veranderd of aangevuld. De kantonrechter weegt bij de beoordeling van de onverwijldheid van de mededeling alle omstandigheden van het geval mee.
4.11
[procesdeelnemer 1] stelt dat in de ontslagbrief van 12 november 2025 niet duidelijk staat vermeld om welke medewerkers het ging en dat de dringende reden hem daarom niet onverwijld is meegedeeld.
4.12
De kantonrechter is van oordeel dat uit de ontslagbrief duidelijk blijkt wat [procesdeelnemer 1] wordt verweten, namelijk het ten onrechte verwijderen van gewerkte uren van medewerkers, het nabootsen van handtekeningen van medewerkers en het ten onrechte afboeken van verlofuren van medewerkers. Dat deze medewerkers in de ontslagbrief niet met naam worden genoemd, betekent niet dat de reden voor het ontslag op staande voet [procesdeelnemer 1] niet duidelijk was. Aan het vereiste van onverwijlde mededeling is daarom voldaan.
Er is sprake van een dringende reden
Het standpunt van Lidl
4.13
Lidl stelt ter onderbouwing van de dringende redenen voor het ontslag op staande voet dat na onderzoek is gebleken dat [procesdeelnemer 1] in de maanden augustus, oktober en november 2025 in een groot aantal gevallen gewerkte uren van medewerkers uit het registratiesysteem heeft verwijderd, zonder akkoord van deze medewerkers en zonder dat daar een goede reden voor was. Uit het urenregistratiesysteem blijkt dat deze medewerkers op de betreffende dagen hadden ingeklokt en uitgeklokt en dat zij ook hun pauzetijden goed hadden geregistreerd. [procesdeelnemer 1] heeft verder op 31 oktober 2025 een correctieformulier geschreven voor een medewerker ( [D (voornaam)] ) met het verzoek om voor twee dagen min-uren om te zetten naar opname verlof. [D (voornaam)] was hiervan niet op de hoogte en de handtekening die op het correctieformulier stond was niet van hem. [procesdeelnemer 1] heeft ook voor andere medewerkers correctieformulieren opgesteld waarop in het veld dat bestemd is voor de handtekening van de medewerker een handtekening was geplaatst die niet van de betreffende medewerker was. Lidl stelt dat [procesdeelnemer 1] hiermee meerdere ondergeschikte medewerkers (financieel) heeft benadeeld. Deze medewerkers zeggen dat zij [procesdeelnemer 1] meermaals hebben aangesproken op het missen van betalingen van gewerkte uren, maar dat [procesdeelnemer 1] daar niets mee heeft gedaan. Gelet op het grote aantal gevallen gaat Lidl ervan uit dat er geen sprake is geweest van een enkele fout, maar van opzet van de kant van [procesdeelnemer 1] . Het vertrouwen van Lidl in [procesdeelnemer 1] als werknemer is hierdoor onherstelbaar beschadigd.
Het standpunt van [procesdeelnemer 1]
4.14
betwist dat hij het was die de gewerkte uren van [C] heeft verwijderd en stelt dat dit is gebeurd op momenten waarop hij niet aanwezig was. Hij betwist ook een aantal andere gevallen waarin hij volgens Lidl gewerkte uren van andere medewerkers heeft verwijderd. In de gevallen waarin hij dit wel heeft gedaan, gebeurde dit in het kader van zijn controlerende taak als [functie 3] en had hij hiervoor altijd een goede reden. [procesdeelnemer 1] stelt verder dat het gebruikelijk was dat de [.] in plaats van de betreffende medewerker een paraaf zette op het PZE-correctieformulier. Volgens [procesdeelnemer 1] was [A] van deze werkwijze op de hoogte omdat hij de formulieren kreeg toegezonden en het voor hem duidelijk kenbaar was dat de betreffende medewerkers niet zelf een paraaf op het formulier hadden gezet. [procesdeelnemer 1] stelt ten slotte dat de min-uren van [D (voornaam)] op uitdrukkelijke instructie van [A] als verlof zijn afgeboekt.
Het ten onrechte verwijderen van gewerkte uren en het afboeken van verlofuren leveren een dringende reden op
4.15
De kantonrechter is van oordeel dat de gedragingen van [procesdeelnemer 1] met betrekking tot het ten onrechte verwijderen van gewerkte uren uit het urenregistratiesysteem en het ten onrechte afboeken van verlofuren die Lidl aan het ontslag ten grondslag heeft gelegd voldoende vaststaan en dat deze gedragingen op zichzelf en in onderlinge samenhang een dringende reden opleveren voor een ontslag op staande voet. Dit oordeel wordt hierna toegelicht.
Het is aannemelijk dat [procesdeelnemer 1] in 36 gevallen gewerkte uren heeft verwijderd en in zes van deze gevallen staat dit ook voldoende vast
4.16
Uit het overzicht uit het PZE-journaal dat Lidl in het geding heeft gebracht blijkt dat in de periode van 11 augustus 2025 tot 9 november 2025 in 36 gevallen gewerkte uren van medewerkers uit het systeem zijn geannuleerd via het account van [procesdeelnemer 1] . [procesdeelnemer 1] heeft ontkend dat hij dit heeft gedaan. Hij heeft gesteld dat hij in een aantal van deze gevallen niet werkte toen de uren via zijn account werden verwijderd en heeft aangevoerd dat ook de [functie 4] en de [functie 5] toegang hadden tot zijn account.
4.17
Lidl heeft echter screenshots van camerabeelden van 29 oktober 2025, 31 oktober 2025, 1 november 2025, 8 november 2025 en 9 november 2025 in het geding gebracht waaruit blijkt dat in ieder geval in zes gevallen het [procesdeelnemer 1] zelf was die op het moment van de annulering van de gewerkte uren achter de computer zat. Meer camerabeelden zijn er niet, omdat deze na enige tijd worden gewist. Gelet op de wel overgelegde camerabeelden staat naar het oordeel van de kantonrechter voldoende vast dat het [procesdeelnemer 1] was die in zes gevallen uren van medewerkers uit het urenregistratiesysteem heeft verwijderd.
4.18
Lidl heeft verder voldoende aannemelijk gemaakt dat het ook in de andere gevallen [procesdeelnemer 1] zelf is geweest die de gewerkte uren heeft verwijderd. Zij heeft erop gewezen dat de [functie 4] en de [functie 5] een eigen account hebben waarmee zij toegang hebben tot het urenregistratiesysteem en dat het daarom niet voor de hand ligt dat zij gebruik maken van het account van [procesdeelnemer 1] . [A] heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat gebleken is dat [procesdeelnemer 1] op de momenten waarop hij volgens de camerabeelden achter de computer zat om gewerkte uren van medewerkers te verwijderen - aan het einde van de dag - niet had ingeklokt. [procesdeelnemer 1] heeft dit niet weersproken en heeft op de zitting erkend dat hij af en toe in de avond is teruggekomen om een nieuwe assistente te helpen. De omstandigheid dat [procesdeelnemer 1] in een aantal van de andere gevallen volgens het urenregistratiesysteem niet werkte op het moment dat via zijn account gewerkte uren van medewerkers werden verwijderd, betekent dus niet dat [procesdeelnemer 1] dit niet zelf kan hebben gedaan. Het betekent alleen dat [procesdeelnemer 1] toen niet was ingeklokt.
De gewerkte uren zijn ten onrechte uit het registratiesysteem verwijderd
4.19
Lidl heeft gesteld dat in geen van deze 36 gevallen er aanleiding was de gewerkte uren uit het urenregistratiesysteem te verwijderen. De betreffende werknemers hadden die dagen in- en uitgeklokt en hadden ook hun pauzes goed geregistreerd. [procesdeelnemer 1] heeft gesteld dat in twee gevallen die hij zich nog kan herinneren, hij de uren van die medewerkers - [E (voornaam)] en [F (voornaam)] - heeft verwijderd omdat zij na het inklokken niet meteen aan het werk waren gegaan. In dat geval had hij echter een PZE-formulier moeten invullen zodat de uren die deze medewerkers volgens [procesdeelnemer 1] wel hadden gewerkt alsnog goed zouden worden geregistreerd. Dat heeft hij echter niet gedaan, ook niet in de andere gevallen. Voor die andere gevallen heeft hij geen reden kunnen geven waarom hij de uren had verwijderd. De kantonrechter vindt daarom dat voldoende vaststaat dat [procesdeelnemer 1] ten onrechte gewerkte uren van (ondergeschikte) medewerkers heeft verwijderd/geannuleerd uit het urenregistratiesysteem.
[procesdeelnemer 1] heeft hiermee ernstig verwijtbaar gehandeld
4.2
Het ten onrechte verwijderen van gewerkte uren uit het urenregistratiesysteem is ernstig verwijtbaar. De betreffende medewerkers hebben namelijk als gevolg van deze verwijdering hun gewerkte uren niet uitbetaald gekregen of kregen te maken met min-uren die zij moesten compenseren door extra te werken. [procesdeelnemer 1] heeft deze medewerkers, waarvoor hij als leidinggevende verantwoordelijk was, hierdoor benadeeld.
4.21
[procesdeelnemer 1] heeft gesteld dat hij moet hebben vergeten om de verwijderde uren door middel van een PZE-formulier te corrigeren, omdat hij - hoewel hij werkte - ziek was en waarschijnlijk daardoor niet scherp was. Het was zijn bedoeling dit op een later moment nog te doen, maar dat is er vanwege het ontslag op staande voet niet meer van gekomen. De kantonrechter vindt deze verklaring onvoldoende overtuigend. Het valt zonder nadere toelichting, die [procesdeelnemer 1] niet heeft gegeven, niet in te zien dat [procesdeelnemer 1] destijds wel scherp genoeg was om gewerkte uren te verwijderen maar ogenblikkelijk daarna niet scherp genoeg meer was om de uren met een PZE-formulier te corrigeren.
4.22
[procesdeelnemer 1] heeft verder aangevoerd dat hij zelf geen voordeel heeft gehad van het verwijderen van deze uren. De kantonrechter overweegt dat het inderdaad niet duidelijk is geworden wat het motief van [procesdeelnemer 1] hiervoor was, maar voor het aannemen van een dringende reden en ernstige verwijtbaarheid is het niet noodzakelijk dat dit motief komt vast te staan. Lidl heeft toegelicht dat het gewerkte aantal uren in relatie tot de omzet van een filiaal van invloed is op de stuksprestatie van het filiaal en dat hier van hogerhand ook op wordt gestuurd. Dit zou dus een mogelijk motief kunnen zijn, hoewel [procesdeelnemer 1] dit heeft ontkend.
Lidl hoefde niet als dringende reden aan het ontslag ten grondslag te leggen dat [procesdeelnemer 1] de verwijderde uren niet met een PZE-formulier heeft gecorrigeerd
4.23
[procesdeelnemer 1] heeft gesteld dat Lidl hem eigenlijk verwijt dat hij na het verwijderen van de gewerkte uren geen PZE-formulier heeft opgesteld om de verwijderde uren te corrigeren, maar dat Lidl dit niet aan het ontslag op staande voet ten grondslag heeft gelegd. De kantonrechter merkt hierover op dat [procesdeelnemer 1] in de eerste plaats de gewerkte uren al niet had mogen verwijderen en dat Lidl hem dit terecht heeft verweten en ten grondslag heeft gelegd aan het ontslag op staande voet. Dat [procesdeelnemer 1] deze uren niet meteen door middel van een PZE-formulier heeft gecorrigeerd is van belang voor de verwijtbaarheid, maar Lidl hoefde dit niet mede als dringende reden aan het ontslag ten grondslag te leggen.
Het staat ook voldoende vast dat [procesdeelnemer 1] ten onrechte verlofuren van een medewerker heeft afgeboekt
4.24
De kantonrechter vindt ook dat voldoende vaststaat dat [procesdeelnemer 1] ten onrechte verlofuren van een (ondergeschikte) medewerker heeft afgeboekt. In de ontslagbrief staat weliswaar als dringende reden genoemd dat [procesdeelnemer 1] ten onrechte verlofuren van (ondergeschikte) medewerker
s(dus meervoud) heeft afgeboekt, maar uit de brief blijkt verder duidelijk dat het hier gaat om verlofuren van één medewerker, [D (voornaam)] . Het was [procesdeelnemer 1] dus voldoende duidelijk dat met ‘medewerkers’ alleen [D (voornaam)] wordt bedoeld. [procesdeelnemer 1] heeft gesteld dat hij dit in opdracht van [A] heeft gedaan, omdat [D (voornaam)] veel verlofuren had maar ook veel min-uren. Uit de WhatsAppcorrespondentie die [procesdeelnemer 1] in het geding heeft gebracht blijkt echter niet dat [A] hem hiervoor opdracht heeft gegeven. Het enkele bericht ‘ [D (voornaam)] gelukt?’ is onvoldoende om dit aan te nemen. [A] heeft verklaard dat hij met [procesdeelnemer 1] had besproken dat hij er bij [D (voornaam)] op zou aandringen dat hij verlofuren zou opnemen om een stuwmeer aan verlofuren te voorkomen. Dit is echter iets anders dan het afboeken van verlofuren zonder toestemming van de betreffende medewerker en [procesdeelnemer 1] heeft geen goede verklaring gegeven waarom hij meende dat hij dit zomaar kon doen. Ook dit is ernstig verwijtbaar, omdat hij een ondergeschikte medewerker, waarvoor hij als leidinggevende verantwoordelijk was, hierdoor heeft benadeeld.
Het nabootsen van handtekeningen van medewerkers levert geen dringende reden op
4.25
Voor het verwijt dat [procesdeelnemer 1] handtekeningen van medewerkers heeft nagebootst zonder dat zij daarvoor toestemming hebben gegeven, geldt het volgende. Het staat voldoende vast dat [procesdeelnemer 1] zelf een handtekening heeft gezet op PZE-formulieren in het veld waar een handtekening van de betreffende medewerker had moeten staan. Dit heeft hij ook niet ontkend. Op basis van verklaringen van (oud)-collega’s die hij in het geding heeft gebracht, is het echter niet uitgesloten dat dit in de praktijk uit oogpunt van efficiëntie vaker gebeurde, bijvoorbeeld als uren van een werknemer die ziek was en daardoor niet zelf kon tekenen moesten worden aangepast. De enkele reden dat [procesdeelnemer 1] handtekeningen op de PZE-formulieren zonder toestemming van de betreffende medewerker heeft nagebootst, is daarom onvoldoende om als dringende reden voor het ontslag op staande voet te kunnen worden aangemerkt.
De verwijdering van de gewerkte uren en het afboeken van verlofuren leveren wel een voldoende reden voor het ontslag op staande voet op
4.26
De verwijdering van de gewerkte uren en het afboeken van verlofuren leveren ieder voor zich en in onderlinge samenhang wel een voldoende reden voor het ontslag op staande voet op. [procesdeelnemer 1] heeft de op hem rustende verplichting zich tegenover Lidl als goed werknemer te gedragen ernstig geschonden. Hij heeft daarmee een zodanige inbreuk gemaakt op het vertrouwen dat Lidl in hem moest kunnen stellen, dat van Lidl redelijkerwijs niet kan worden verlangd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.
Tijdens het gesprek op 11 november 2025 is sprake geweest van hoor en wederhoor
4.27
[procesdeelnemer 1] heeft erover geklaagd dat er tijdens het gesprek op 11 november 2025 geen sprake is geweest van hoor en wederhoor over de verwijdering van de gewerkte uren van andere medewerkers dan [C] . Uit de geluidsopname en de transcriptie daarvan die hij zelf van dit gesprek heeft gemaakt, blijkt echter dat hij door [A] toen wel in de gelegenheid is gesteld een uitleg te geven, maar dat hij dit niet heeft gedaan. Hij kan Lidl daarom niet verwijten dat geen hoor en wederhoor is toegepast.
Conclusie: het ontslag op staande voet is rechtsgeldig
4.28
De conclusie is het ontslag op staande voet rechtsgeldig is. De persoonlijke omstandigheden van [procesdeelnemer 1] leiden niet tot een ander oordeel. [procesdeelnemer 1] wordt door het ontslag op staande voet weliswaar zwaar getroffen omdat hij arbeidsongeschikt is maar geen aanspraak kan maken op een (ziektewet)uitkering, maar gelet op de ernst van zijn handelen, waardoor hij medewerkers waarvoor hij als [functie 3] verantwoordelijk was financieel heeft benadeeld, kan van Lidl niet worden gevergd dat zij [procesdeelnemer 1] nog langer in dienst houdt. Lidl had daarom ook niet hoeven te volstaan met een minder zware sanctie.
[procesdeelnemer 1] heeft geen recht op een vergoeding wegens onregelmatige opzegging of op een billijke vergoeding
4.29
Omdat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is, heeft [procesdeelnemer 1] geen recht op een vergoeding wegens onregelmatige opzegging en een billijke vergoeding. Deze verzoeken worden daarom afgewezen.
[procesdeelnemer 1] heeft geen recht op de transitievergoeding
4.3
[procesdeelnemer 1] verzoekt om toekenning van de transitievergoeding. De werkgever is aan de werknemer een transitievergoeding verschuldigd als de arbeidsovereenkomst op initiatief van de werkgever is geëindigd. De werknemer kan zijn recht op een transitievergoeding alleen kwijtraken in uitzonderlijke gevallen, namelijk als het eindigen of niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer. [2]
4.31
Hiervoor is geoordeeld dat er een dringende reden is voor het ontslag op staande voet. Een ontslag op staande voet betekent niet automatisch dat de werknemer ook geen recht heeft op een transitievergoeding. Maar in dit geval leveren de feiten en omstandigheden die de dringende reden vormen ook ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [procesdeelnemer 1] op, omdat [procesdeelnemer 1] medewerkers waarvoor hij als [functie 3] verantwoordelijk was financieel heeft benadeeld. De verzochte transitievergoeding zal daarom worden afgewezen
.
De proceskosten en uitvoerbaarheid bij voorraad
4.32
[procesdeelnemer 1] moet de proceskosten betalen, omdat hij overwegend ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van Lidl worden begroot op € 1.009,00 (€ 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.
4.33
Deze beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, dat wil zeggen dat [procesdeelnemer 1] moet uitvoeren wat daar in staat, ook als er hoger beroep wordt ingesteld.
in de zaak 12052922\ UE VERZ 26-18:
Wat moet de kantonrechter beoordelen?
4.34
Lidl vraagt veroordeling van [procesdeelnemer 1] tot betaling van een gefixeerde schadevergoeding van € 15.635,47, vermeerderd met wettelijke rente. Lidl is bij de berekening van deze vergoeding uitgegaan van een opzegtermijn van twee maanden. Zij legt aan dit verzoek ten grondslag dat [procesdeelnemer 1] door opzet of schuld aan haar een dringende reden heeft gegeven om de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen en dat hij daarom op grond van artikel 7:677 lid 2 BW Pro schadeplichtig is.
4.35
[procesdeelnemer 1] voert verweer en stelt dat het verzoek van Lidl moet worden afgewezen omdat geen sprake is van een rechtsgeldig ontslag op staande voet. Voor zover hiervan wel sprake is, ontbreekt de voor de gefixeerde schadevergoeding vereiste schuld/opzet. Deze vergoeding kan bovendien volgens [procesdeelnemer 1] hooguit één bruto maandsalaris bedragen, omdat moet worden uitgegaan van de opzegtermijn die geldt voor de partij die de dringende reden geeft.
Het verzoekschrift is tijdig ingediend
4.36
[procesdeelnemer 1] stelt ook dat het verzoek te laat is ingediend. De wet [3] bepaalt dat een verzoek tot toekenning van een gefixeerde schadevergoeding binnen twee maanden na einde dienstverband moet zijn ingediend bij de kantonrechter. Lidl heeft dit verzoek op 8 januari 2026, en dus op tijd, ingediend.
Lidl heeft recht op een gefixeerde schadevergoeding
4.37
Het verzoek van Lidl om [procesdeelnemer 1] te veroordelen tot betaling van de gefixeerde schadevergoeding wordt toegewezen, omdat is voldaan aan de voorwaarden voor toekenning hiervan. In de zaak 12050824 \ UE VERZ 26-16 is immers geoordeeld dat [procesdeelnemer 1] aan Lidl een dringende reden heeft gegeven om de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen. Verder is geoordeeld dat [procesdeelnemer 1] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. Er is daarmee ook voldaan aan de voorwaarde dat sprake moet zijn van opzet of schuld van zijn kant.
4.38
De vergoeding is gelijk aan het bedrag van het loon over de opzegtermijn die [procesdeelnemer 1] in acht had moeten nemen als hij de arbeidsovereenkomst zelf had opgezegd. [4] Daarbij moet ook rekening worden gehouden met de dag waartegen mag worden opgezegd. [5] Dat is in dit geval tegen het einde van de maand. Lidl heeft de gefixeerde schadevergoeding berekend op basis van een opzegtermijn van twee maanden, maar heeft tijdens de zitting erkend dat voor [procesdeelnemer 1] een opzegtermijn van één maand geldt. De gefixeerde schadevergoeding wordt, uitgaande van een bruto maandsalaris van € 5.834,13 inclusief vakantiebijslag, vastgesteld op € 9.801,34 (1,68 x € 5.834,13). De verzochte wettelijke rente over deze vergoeding wordt toegewezen, te rekenen vanaf de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 11 november 2025.
De proceskosten en uitvoerbaarheid bij voorraad
4.39
Omdat beide partijen deels in het ongelijk worden gesteld worden de proceskosten gecompenseerd, in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt.
4.4
Deze beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, dat wil zeggen dat [procesdeelnemer 1] moet uitvoeren wat daar in staat, ook als er hoger beroep wordt ingesteld.

5.De beslissing

De kantonrechter
in de zaak 12050824 \ UE VERZ 26-16:
5.1
wijst de verzoeken af,
5.2
veroordeelt [procesdeelnemer 1] in de proceskosten van € 1.009,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [procesdeelnemer 1] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,
5.3
verklaart deze beschikking wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
in de zaak 12052922 UE VERZ 26-18:
5.4
veroordeelt [procesdeelnemer 1] tot betaling van de gefixeerde vergoeding van € 9.801,34 bruto, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf 11 november 2025 tot de dag van volledige betaling,
5.5
compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt,
5.6
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,
5.7
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.R. Creutzberg en in het openbaar uitgesproken op 14 april 2026.

Voetnoten

1.Artikel 7:678 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) en artikel 7:677 BW Pro
2.Artikel 7:673 BW Pro
3.Artikel 7:686a lid 4 BW
4.Hoge Raad 7 juli 2023, ECLI:NL:HR:2023:1058.
5.Artikel 7:672 lid 1 BW Pro.