Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:1882

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
30 maart 2026
Publicatiedatum
24 april 2026
Zaaknummer
UTR 24/2568
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 Wet WOZArt. 30a Wet WOZBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering WOZ-waarde woning na compromis tussen partijen

Eiseres maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van haar woning, die door de heffingsambtenaar was vastgesteld op €746.000 voor het belastingjaar 2023 met waardepeildatum 1 januari 2022. Na een ongegrondverklaring van het bezwaar door de heffingsambtenaar, stelde eiseres beroep in bij de rechtbank Midden-Nederland.

Tijdens de zitting op 27 februari 2026 bereikten partijen een compromis waarbij zij overeenkwamen dat de WOZ-waarde van de woning €708.000 bedraagt. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde de uitspraak op bezwaar en stelde de WOZ-waarde vast op het overeengekomen bedrag.

Daarnaast veroordeelde de rechtbank de heffingsambtenaar tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht aan eiseres, waarbij de proceskosten werden vastgesteld volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht en rekening houdend met de toepasselijke vermenigvuldigingsfactor uit artikel 30a van de Wet WOZ. De uitspraak vervangt de eerdere uitspraak op bezwaar en leidt tot een verlaging van de aanslag onroerendezaakbelasting en watersysteemheffing.

Uitkomst: De WOZ-waarde van de woning wordt verlaagd naar €708.000 per 1 januari 2022 en de heffingsambtenaar wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/2568

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 maart 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: F. van der Plas)
en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap [gemeente], de heffingsambtenaar
(gemachtigde: mr. J.M.M. Woeltjes)

Inleiding

1.1
In deze zaak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de hoogte van de WOZwaarde van de onroerende zaak aan [adres] in [plaats] (de woning).
1.2
In de beschikking van 28 februari 2023 (het primaire besluit) heeft de heffingsambtenaar op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde van de woning voor het belastingjaar 2023 vastgesteld op € 746.000,- naar de waardepeildatum 1 januari 2022. Bij deze beschikking heeft de heffingsambtenaar aan eiseres als eigenaar van deze woning ook aanslagen onroerendezaakbelasting opgelegd, waarbij de WOZwaarde als heffingsmaatstaf is gehanteerd.
1.3
Eiseres heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. In de uitspraak op bezwaar van 22 februari 2024 (de bestreden uitspraak) heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en de WOZ-waarde van de woning gehandhaafd.
1.4
Eiseres heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift met een taxatiematrix ingediend.
1.5
De zaak is behandeld op de zitting van 27 februari 2026. Hieraan hebben deelgenomen: gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de heffingsambtenaar, vergezeld door [taxateur] (taxateur).

Beoordeling door de rechtbank

2. De WOZ-waarde van de woning is niet meer in geschil. Ter zitting hebben partijen bij wijze van compromis overeenstemming bereikt in de zin dat naar hun oordeel de waarde in het economisch verkeer, als bedoeld in artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ, van de woning op de waardepeildatum 1 januari 2022 moet worden vastgesteld op € 708.000,-.

Conclusie en gevolgen

3. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren, de uitspraak op bezwaar vernietigen en de waarde van de woning per waardepeildatum
1 januari 2022 voor het belastingjaar 2023 verlagen tot € 708.000,-.
Proceskosten en griffierecht
4.1
Omdat het beroep gegrond is wordt de heffingsambtenaar in de door eiseres gemaakte proceskosten in bezwaar en beroep veroordeeld en moet de heffingsambtenaar het betaalde griffierecht vergoeden.
4.2
De vergoeding voor de kosten van de bezwaar- en beroepsfase wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) vastgesteld. De rechtbank zal bij de vaststelling van de wegingsfactor aansluiting zoeken bij de uitspraak van het hof Arnhem-Leeuwarden van 14 oktober 2025 en het door de gerechtshoven gehanteerde Richtsnoer. [1]
4.3
Op 1 januari 2024 is artikel 30a van de Wet WOZ in werking getreden. Op grond van het eerste en tweede lid worden de te vergoeden proceskosten vermenigvuldigd met de daar bepaalde factor. Op grond van het overgangsrecht blijft deze wettelijke vermenigvuldigingsfactor echter buiten toepassing ten aanzien van (I) de bezwaarfase, als de aanslag van voor 1 januari 2024 dateert, en van (II) de beroepsfase, als de uitspraak op bezwaar van voor 1 januari 2024 dateert. De rechtbank ziet geen aanleiding om dit artikel niet toe te passen vanwege strijdigheid met een rechtsbeginsel.
4.4
De aanslag dateert van voor 1 januari 2024, waardoor bij de vaststelling van de proceskosten in de bezwaarfase de wettelijke vermenigvuldigingsfactor buiten toepassing blijft. De uitspraak op bezwaar dateert wel van na 1 januari 2024 en de WOZ-waarde is in beroep gewijzigd. Op grond van artikel 30 a van de Wet WOZ geldt als hoofdregel dat een vermenigvuldigingsfactor van 0,25 moet worden toegepast in het geval de WOZ-waarde wijzigt. Gemachtigde van eiseres heeft ter zitting bevestigd te werken op basis van no cure no pay. De arresten van de Hoge Raad van 17 januari 2025, 25 april 2025 en 11 juli 2025 die hier betrekking op hebben in aanmerking nemend, past de rechtbank dan ook de vermenigvuldigingsfactor van 0,25 toe.
4.5
Op basis van bovenstaande stelt de rechtbank de proceskosten als volgt vast.
€ 1.332,- voor de proceskosten in de bezwaarfase (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het deelnemen aan de hoorzitting, met een waarde per punt van € 666,- en wegingsfactor 1). € 467,- voor de proceskosten in de beroepsfase (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 934,-, wegingsfactor 1 en vermenigvuldigingsfactor 0,25). Dat maakt dat de totale proceskosten neerkomen op € 1.799,-.
4.6
Op grond van artikel 30a, vierde lid, van de Wet WOZ mag de heffingsambtenaar de in deze uitspraak toegekende proceskosten en het griffierecht uitsluitend uitbetalen op een bankrekening die op naam staat van eiseres.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- stelt de waarde van de woning aan [adres] in [plaats] vast op € 708.000,- naar waardepeildatum 1 januari 2022 en bepaalt dat de heffingsambtenaar de aanslag onroerendezaakbelasting en watersysteemheffing dienovereenkomstig vermindert;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van de bestreden uitspraak op bezwaar;
- bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 51,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van € 1.799,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Veenendaal, rechter, in aanwezigheid van
mr. E. Stumpel, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2026.
de griffier de rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.ECLI:NL:GHARL:2025:6427. Voor het door de gerechtshoven gehanteerde Richtsnoer, zie bijlage bij ECLI:NL:GHARL:2024:5335.