Eiser betwist de door de heffingsambtenaar vastgestelde WOZ-waarde van zijn appartement aan een adres te een plaats, vastgesteld op €488.000 per 1 januari 2022. Na bezwaar en een bestreden uitspraak die het bezwaar ongegrond verklaarde, is beroep ingesteld bij de rechtbank.
De heffingsambtenaar heeft de waarde bepaald met de vergelijkingsmethode, waarbij drie referentiewoningen uit hetzelfde appartementencomplex en uit de buurt van de waardepeildatum zijn gebruikt. Eiser stelde dat een andere woning beter vergelijkbaar was en dat de waarde te hoog was, mede op basis van een verkoop in december 2023 en een correctie van 10% voor marktstijging.
De rechtbank oordeelt dat de gebruikte referentiewoningen passend zijn en dat de heffingsambtenaar voldoende rekening heeft gehouden met verschillen in woonoppervlak en voorzieningen. De indexatie van het eigen verkoopbedrag is ook aannemelijk gemaakt. Eiser heeft onvoldoende onderbouwd waarom deze correcties onjuist zouden zijn.
Daarom wordt het beroep ongegrond verklaard, blijft de bestreden uitspraak in stand en wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.