Eiseres heeft namens haar minderjarige zoon een aanvraag ingediend voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). De aanvraag werd door het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) afgewezen, omdat niet kon worden vastgesteld dat de zoon blijvend 24-uurs zorg in de nabijheid nodig heeft. Eiseres voerde aan dat de beperkingen van haar zoon zodanig zijn dat hij niet zelfstandig kan functioneren en dus recht heeft op Wlz-zorg.
De rechtbank overwoog dat aan de eerste twee voorwaarden voor een Wlz-indicatie (grondslag en 24-uurs zorgbehoefte) is voldaan, maar dat de blijvendheid van deze zorgbehoefte niet is aangetoond. Het CIZ baseerde zich op meerdere medische adviezen, waarin werd geconcludeerd dat de mate van zorgbehoefte op jonge leeftijd nog onvoldoende duidelijk is en dat er ontwikkelmogelijkheden zijn.
De rechtbank vond de medische adviezen zorgvuldig en volledig en zag geen reden om daaraan te twijfelen. Rapporten van psychologen en kinderartsen die de blijvendheid van de zorgbehoefte stelden, waren onvoldoende onderbouwd. De rechtbank concludeerde dat het CIZ terecht heeft vastgesteld dat de zoon niet in aanmerking komt voor Wlz-zorg en verklaarde het beroep ongegrond.