Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:1764

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
25 februari 2026
Publicatiedatum
22 april 2026
Zaaknummer
UTR 24/2647
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30a Wet WOZArt. 8:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:75a Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing verzoek proceskostenveroordeling na intrekking beroep WOZ-waarde

Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar inzake de WOZ-waarde van zijn woning. Na gedeeltelijke verlaging van de WOZ-waarde door de heffingsambtenaar heeft verzoeker zijn beroep ingetrokken en verzocht om proceskostenveroordeling.

De rechtbank beoordeelt dat de heffingsambtenaar aan verzoeker is tegemoetgekomen door de WOZ-waarde verder te verlagen en de aanslag ambtshalve te verminderen. Daarom wijst de rechtbank het verzoek om proceskostenveroordeling toe.

De proceskostenvergoeding wordt vastgesteld op basis van de geldende richtsnoeren en bedraagt in totaal € 906,28, inclusief vergoeding voor kadastrale kosten en griffierecht. De heffingsambtenaar wordt veroordeeld tot betaling van dit bedrag aan verzoeker.

De uitspraak is gedaan zonder zitting en partijen zijn geïnformeerd over de mogelijkheid tot verzet binnen zes weken na bekendmaking.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van € 906,28 aan proceskosten aan verzoeker.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/2647
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 25 februari 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr.drs. J.C. Scherff),
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Veenendaal(de heffingsambtenaar), verweerder.

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van verzoeker om een veroordeling van de heffingsambtenaar in de proceskosten. Verzoeker heeft dit verzoek op 13 januari 2026 gedaan bij de intrekking van zijn beroep tegen de uitspraak op bezwaar van 9 februari 2024.
De rechtbank heeft de heffingsambtenaar in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om veroordeling in de proceskosten. De heffingsambtenaar heeft hierop niet gereageerd.
De rechtbank doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling. [1]

Beoordeling door de rechtbank

1. De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling toe. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?
2. Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. [2]
Is de heffingsambtenaar aan verzoeker tegemoetgekomen?
3. De rechtbank moet dus beoordelen of de heffingsambtenaar geheel of gedeeltelijk aan verzoeker is tegemoetgekomen.
4. Op 22 maart 2024 heeft verzoeker beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar van 9 februari 2024, waarin het bezwaar van verzoeker tegen de beschikking van 24 februari 2023 gegrond is verklaard. Daarbij heeft de heffingsambtenaar op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak [adres] in [plaats] (de woning) voor het belastingjaar 2023 verlaagd naar € 539.000,-. Ook heeft de heffingsambtenaar een vergoeding van € 310,- toegekend voor de gemaakte proceskosten in bezwaar.
5. Op 27 maart 2024 heeft de heffingsambtenaar de waarde van de woning verder verlaagd naar € 515.000,- en de aanslag dienovereenkomstig ambtshalve verminderd. Hiermee is de heffingsambtenaar tegemoetgekomen aan het beroep van verzoeker.
Welk bedrag aan proceskosten moet de heffingsambtenaar aan verzoeker vergoeden?
6. De rechtbank wijst het verzoek als kennelijk gegrond toe. Verzoeker krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. De heffingsambtenaar moet deze vergoeding betalen.
De vergoeding wordt met toepassing van artikel 30a van de Wet WOZ en het Bpb vastgesteld.
7. In bezwaar heeft verzoeker een bezwaarschrift ingediend waarvoor in de uitspraak op bezwaar van 9 februari 2024 een bedrag van € 310,- aan proceskosten is toegekend (1 punt en een wegingsfactor 1). In het verweerschrift stelt de heffingsambtenaar dat voor de proceskostenveroordeling in bezwaar uitgegaan moet worden van wegingsfactor 0,5 zodat de proceskosten voor het indienen van een bezwaarschrift op € 312,- uitkomt
(€ 624,- x 0,5). Verder heeft de heffingsambtenaar in het verweerschrift toegezegd om de door verzoeker gemaakte kadastrale kosten van € 6,78 alsnog te vergoeden.
8. Verzoeker stelt dat de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase niet juist is vastgesteld. De rechtbank volgt verzoeker in dit standpunt. Bij de vaststelling van de wegingsfactor sluit de rechtbank aan bij het door de gerechtshoven gehanteerde Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024. [3] Hieruit volgt dat wegingsfactor 1 wordt gehanteerd voor een zaak met een per saldo gemiddeld belang en gemiddelde ingewikkeldheid. De rechtbank ziet geen reden om in deze zaak af te wijken van wegingsfactor 1.
9. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoeker een vast bedrag per proceshandeling. Omdat deze uitspraak in 2026 wordt gedaan, heeft elke proceshandeling in bezwaar een waarde van € 666,- en in beroep een waarde van € 934,-. [4] Voor de bezwaarfase bedraagt het door de heffingsambtenaar te vergoeden bedrag € 672,78 (€ 666,- + € 6,78).
10. In beroep wordt 1 punt toegekend voor het indienen van het beroepschrift. Omdat het beroep van verzoeker is gericht tegen de uitspraak op bezwaar van na 1 januari 2024, is de vermenigvuldigingsfactor van 0,25 van toepassing. [5] De rechtbank stelt de proceskosten voor de beroepsfase dan ook vast op € 233,50,- (€ 934,- met een wegingsfactor 1 en vermenigvuldigingsfactor 0,25).
11. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 906,28.
Krijgt verzoeker een vergoeding van het griffierecht?
12. De rechtbank wijst erop dat de heffingsambtenaar verplicht is het door verzoeker betaalde griffierecht van € 51,- te vergoeden. [6] Verzoeker moet zich hiervoor dan ook tot de heffingsambtenaar wenden.
13. Verder wijst de rechtbank erop dat de heffingsambtenaar op grond van deze uitspraak te vergoeden bedragen voor proceskosten en griffierecht uitsluitend mag uitbetalen op een bankrekening die op naam staat van verzoeker. Dat volgt uit artikel 30a, vierde lid, van de Wet WOZ, waarvoor geen overgangsrecht geldt.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van € 906,28,- aan proceskosten aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.W.A. Schimmel, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Azmi, griffier.
griffier
rechter
Uitgesproken op 25 februari 2026.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, in samenhang met artikel 8:75a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Dit volgt uit artikel 8:75a van de Awb en is nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
3.Opgenomen als bijlage bij de uitspraak van gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 20 augustus 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:5335.
4.Bijlage bij het Bpb onder B1 en B2.
5.Op grond van artikel 30a, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wet WOZ.
6.Dit volgt uit artikel 8:41, zevende lid, van de Awb.