Beoordeling door de rechtbank
1. De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling toe. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?
2. Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.
Is de heffingsambtenaar aan verzoeker tegemoetgekomen?
3. De rechtbank moet dus beoordelen of de heffingsambtenaar geheel of gedeeltelijk aan verzoeker is tegemoetgekomen.
4. Op 22 maart 2024 heeft verzoeker beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar van 9 februari 2024, waarin het bezwaar van verzoeker tegen de beschikking van 24 februari 2023 gegrond is verklaard. Daarbij heeft de heffingsambtenaar op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak [adres] in [plaats] (de woning) voor het belastingjaar 2023 verlaagd naar € 539.000,-. Ook heeft de heffingsambtenaar een vergoeding van € 310,- toegekend voor de gemaakte proceskosten in bezwaar.
5. Op 27 maart 2024 heeft de heffingsambtenaar de waarde van de woning verder verlaagd naar € 515.000,- en de aanslag dienovereenkomstig ambtshalve verminderd. Hiermee is de heffingsambtenaar tegemoetgekomen aan het beroep van verzoeker.
Welk bedrag aan proceskosten moet de heffingsambtenaar aan verzoeker vergoeden?
6. De rechtbank wijst het verzoek als kennelijk gegrond toe. Verzoeker krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. De heffingsambtenaar moet deze vergoeding betalen.
De vergoeding wordt met toepassing van artikel 30a van de Wet WOZ en het Bpb vastgesteld.
7. In bezwaar heeft verzoeker een bezwaarschrift ingediend waarvoor in de uitspraak op bezwaar van 9 februari 2024 een bedrag van € 310,- aan proceskosten is toegekend (1 punt en een wegingsfactor 1). In het verweerschrift stelt de heffingsambtenaar dat voor de proceskostenveroordeling in bezwaar uitgegaan moet worden van wegingsfactor 0,5 zodat de proceskosten voor het indienen van een bezwaarschrift op € 312,- uitkomt
(€ 624,- x 0,5). Verder heeft de heffingsambtenaar in het verweerschrift toegezegd om de door verzoeker gemaakte kadastrale kosten van € 6,78 alsnog te vergoeden.
8. Verzoeker stelt dat de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase niet juist is vastgesteld. De rechtbank volgt verzoeker in dit standpunt. Bij de vaststelling van de wegingsfactor sluit de rechtbank aan bij het door de gerechtshoven gehanteerde Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024.Hieruit volgt dat wegingsfactor 1 wordt gehanteerd voor een zaak met een per saldo gemiddeld belang en gemiddelde ingewikkeldheid. De rechtbank ziet geen reden om in deze zaak af te wijken van wegingsfactor 1.
9. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoeker een vast bedrag per proceshandeling. Omdat deze uitspraak in 2026 wordt gedaan, heeft elke proceshandeling in bezwaar een waarde van € 666,- en in beroep een waarde van € 934,-.Voor de bezwaarfase bedraagt het door de heffingsambtenaar te vergoeden bedrag € 672,78 (€ 666,- + € 6,78).
10. In beroep wordt 1 punt toegekend voor het indienen van het beroepschrift. Omdat het beroep van verzoeker is gericht tegen de uitspraak op bezwaar van na 1 januari 2024, is de vermenigvuldigingsfactor van 0,25 van toepassing.De rechtbank stelt de proceskosten voor de beroepsfase dan ook vast op € 233,50,- (€ 934,- met een wegingsfactor 1 en vermenigvuldigingsfactor 0,25).
11. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 906,28.
Krijgt verzoeker een vergoeding van het griffierecht?
12. De rechtbank wijst erop dat de heffingsambtenaar verplicht is het door verzoeker betaalde griffierecht van € 51,- te vergoeden.Verzoeker moet zich hiervoor dan ook tot de heffingsambtenaar wenden.
13. Verder wijst de rechtbank erop dat de heffingsambtenaar op grond van deze uitspraak te vergoeden bedragen voor proceskosten en griffierecht uitsluitend mag uitbetalen op een bankrekening die op naam staat van verzoeker. Dat volgt uit artikel 30a, vierde lid, van de Wet WOZ, waarvoor geen overgangsrecht geldt.