ECLI:NL:RBMNE:2026:175

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
29 januari 2026
Publicatiedatum
27 januari 2026
Zaaknummer
UTR 23/3231
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 lid 5 ParticipatiewetArt. 4 Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogenArt. 6:19 lid 1 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek duurzame ontheffing arbeids- en re-integratieverplichtingen op grond van de Participatiewet

Eiseres, die een uitkering ontvangt op grond van de Participatiewet, verzocht om een permanente ontheffing van haar arbeids- en re-integratieverplichtingen op grond van artikel 9, vijfde lid, van de Participatiewet. Zij stelde dat zij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is en baseerde dit op medische en arbeidsdeskundige rapportages.

Verweerder verleende eerder tijdelijke ontheffingen en stelde op basis van verzekeringsgeneeskundige en arbeidsdeskundige onderzoeken dat eiseres niet duurzaam arbeidsongeschikt is. De rechtbank stelde vast dat eiseres momenteel volledig arbeidsongeschikt is, maar dat er aanwijzingen zijn voor verbetering door sociale activering en adequate daginvulling, waardoor de arbeidsongeschiktheid niet duurzaam is.

De rechtbank verwierp het beroep van eiseres, onder meer omdat subjectieve factoren zoals klachtbeleving en inactiviteit niet leidend zijn bij de beoordeling van duurzaamheid. Ook de verwijzing naar een eerdere uitspraak van de Centrale Raad van Beroep bood geen steun, omdat eiseres niet permanent tot pensioengerechtigde leeftijd is vrijgesteld van arbeidsverplichtingen.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waardoor eiseres geen recht heeft op terugbetaling van griffierecht of vergoeding van proceskosten. De uitspraak werd gedaan door rechter M.E.A. Braeken op 29 januari 2026.

Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt dat eiseres niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 23/3231

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 januari 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. J.H.F. de Jong),
en

het dagelijks bestuur van de RDWI, verweerder

(gemachtigde: A. Hoogendoorn).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de vraag of verweerder eiseres op grond van artikel 9,vijfde lid, van de Participatiewet (Pw) permanente ontheffing van de arbeids- en
re-integratieverplichtingen had moeten verlenen.
1.1.
Eiseres vindt dat zij een duurzame vrijstelling moet krijgen van deze verplichtingen omdat zij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het beroep van eiseres slaagt.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eiseres krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Inleiding en verloop van de procedure

2. Eiseres ontvangt een uitkering op grond van de Pw.
Op basis van een advies van 24 februari 2020 van Treve Advies heeft verweerder eiseres tot 24 februari 2022 ontheffing verleend van de arbeidsverplichtingen. Deze ontheffing is op 26 april 2022 verlengd tot 25 februari 2024.
2.1.
Op 1 augustus 2022 heeft eiseres een verzoek gedaan om haar definitief af te keuren en een duurzame vrijstelling van de verplichtingen te geven op grond van artikel 9, vijfde lid van de Pw. Op 20 december 2022 heeft eiseres verweerder in gebreke gesteld wegens het niet op tijd reageren op dit verzoek.
2.2.
Verweerder heeft op 2 januari 2023 gereageerd en wijst erop dat alleen als eiseres volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is, zowel de arbeidsverplichtingen als de
re-integratieverplichtingen niet gelden. In september 2023 zal verweerder een verzekeringsgeneeskundig en arbeidsdeskundig onderzoek laten uitvoeren. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
2.3.
Met het besluit van 3 mei 2023 (bestreden besluit 1) heeft verweerder dit bezwaar kennelijk nietontvankelijk verklaard omdat de brief van 2 januari 2023 niet gericht is op rechtsgevolg en dus geen besluit is. Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.
2.4.
De rechtbank heeft op verzoek van partijen op 6 februari 2024 besloten de behandeling van de zaak aan te houden. Partijen hadden namelijk afspraken gemaakt over het laten doen van verzekeringsgeneeskundig en arbeidsdeskundig onderzoek.
2.5.
Op 16 december 2024 heeft de rechtbank van verweerder de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 24 september 2024 en het verzekeringsgeneeskundig rapport van 24 september 2024 ontvangen opgesteld door Lechner consult. Op 13 januari 2025 heeft Calder Werkt een Sociaal Medisch Advies (SMA) opgesteld.
2.6.
Verweerder heeft op 12 mei 2025 een nieuw besluit op bezwaar genomen (bestreden besluit 2) en het besluit op bezwaar van 3 mei 2023 ingetrokken. Verweerder herroept het primaire besluit van 2 januari 2023 en merkt eiseres niet aan als volledig en duurzaam arbeidsongeschikt. Verder vergoedt verweerder de proceskosten in bezwaar tot een bedrag van € 647,-.
2.7.
Eiseres heeft op 2 juni 2025 gronden aangevoerd tegen dit besluit.
2.8.
De rechtbank heeft het beroep op 18 december 2025 op zitting behandeld. Daarbij waren aanwezig: eiseres, haar gemachtigde en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Het beroep voor zover gericht tegen het besluit van 3 mei 2023
3. Het beroep van eiseres heeft automatisch ook betrekking op het besluit van 12 mei 2025. Dat staat in artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het is niet gesteld en ook niet gebleken dat eiseres nog procesbelang heeft bij de behandeling van haar beroep tegen het besluit van 3 mei 2023. Het beroep voor zover gericht tegen het besluit van 3 januari 2023 verklaart de rechtbank dan ook
niet-ontvankelijk.
Het beroep voor zover gericht tegen het besluit van 12 mei 2025
4. Aan het bestreden besluit van 12 mei 2025 heeft verweerder ten grondslag gelegd dat eiseres niet duurzaam en volledig arbeidsongeschikt is. Verweerder baseert zich daarbij op de onder 2.5. genoemde rapportages. Verweerder zal een Plan van Aanpak opstellen waarin eiseres voor een langere tijd zal worden vrijgesteld van de arbeidsverplichtingen en de tegenprestatie. Er zal in overleg met eiseres een re-integratietraject worden ontwikkeld waarin sociale activering centraal staat.
5. De verplichtingen bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, b en c, van de Pw zijn niet van toepassing op een persoon die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is als bedoeld in artikel 4 van Pro de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wia). Dit volgt uit artikel 9, vijfde lid, van de Pw. Als dat het geval is wordt gesproken van een ‘permanente ontheffing’ van die verplichtingen. Bij de toepassing van artikel 9, vijfde lid, van de Pw moet zoveel als mogelijk worden aangesloten bij (de systematiek van) de Wia. Volgens de Wia is iemand volledig en duurzaam arbeidsongeschikt als hij duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur en dit een direct en objectief medisch vast te stellen gevolg is van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling. Onder duurzaam arbeidsongeschikt wordt verstaan een medisch stabiele of verslechterende situatie of een medische situatie waarbij op lange termijn een kleine kans op herstel bestaat. De beoordeling of iemand volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is, wordt gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. [1]
6. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat eiseres momenteel – mede door een combinatie van fysieke klachten, psychosociale factoren en een laag activiteiten niveau – als volledig arbeidsongeschikt wordt beschouwd voor re-integratie naar werk. Dit volgt uit het SMA. In geschil is of de arbeidsongeschiktheid ook duurzaam is.
7. Eiseres voert aan dat zij duurzaam volledig arbeidsongeschikt is. De verzekeringsarts zegt dat verbetering kan plaatsvinden door activering en daginvulling. Maar daarmee zegt hij niet dat eiseres geschikt kan worden voor arbeid. Eiseres heeft ter onderbouwing van haar standpunt dat haar beperkingen duurzaam zijn een advies van MedTadvies van 21 augustus 2025 overgelegd. Eiseres voert verder – subsidiair – aan dat uit de arbeidsdeskundige rapportage moet worden afgeleid dat sociale activering het hoogst haalbare is. Zij verwijst naar de passage in het arbeidsdeskundig onderzoek waarin staat dat, hoewel de arts aangeeft dat fysiek medisch gezien lichte activiteiten tot de mogelijkheden behoren, de klachtbeleving en de inactiviteit elke vorm van (re)-integratie onmogelijk maakt. Hieruit volgt volgens eiseres dat sociale activering nooit tot re-integratie naar werk kan leiden zodat van eiseres niet verwacht kan worden dat zij deelneemt aan sociale activering. Eiseres wijs hierbij op de uitspraak van de CRvB van 12 april 2016. [2]
8. De rechtbank oordeelt dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat uit het verzekeringsgeneeskundig rapport blijkt dat de beperkingen van eiseres niet duurzaam zijn, omdat er aanwijzingen zijn voor verbetering onder andere door sociale activering en het aanbieden van een adequate daginvulling. De conclusie van de medische beoordeling is immers dat eiseres beperkingen heeft ten gevolge van ziekte/gebrek maar dat zij wel belastbaar is. De medische beoordeling geeft verder aan dat de huidige beperkingen niet duurzaam zijn en dat verbetering nog kan plaatsvinden, bijvoorbeeld door activering en/of het aanbieden van een daginvulling met adequate dagstructuur. In de besluitvorming wijst verweerder er verder op dat uit het klachtenoverzicht blijkt dat er meerdere behandel- en herstelmogelijkheden zijn. Dat continuering van sociale ondersteuning in de vorm van activering en/of aanbieden van een daginvulling met adequate dagstructuur van groot belang is wordt ook bevestigd in het SMA. Het advies van MedTadvies leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Dit advies is opgesteld in een ander kader, namelijk een aanvraag voor huishoudelijke ondersteuning op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning. De arts schrijft weliswaar dat gezien de lange tijdsduur die is verlopen er geen verbetering meer te verwachten is. Maar deze beoordeling ziet op de vraag of eiseres in staat is om huishoudelijke taken te verrichten en niet op de vraag of eiseres volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is als bedoeld in artikel 4 van Pro de Wia. De rechtbank hecht daarom aan dit advies niet die waarde die eiseres daaraan gehecht wil zien.
8.1.
Het feit dat de arbeidsdeskundige stelt dat de klachtbeleving en inactiviteit elke vorm van (re)-integratie onmogelijk maakt, heeft verweerder niet tot een ander oordeel over de duurzaamheid van de beperkingen hoeven leiden. Klachtbeleving en inactiviteit zijn immers subjectieve factoren. Deze subjectieve factoren zijn voor de verzekeringsarts niet leidend bij het vaststellen van de beperkingen van eiseres en de beoordeling van de duurzaamheid ervan. Bovendien kunnen deze subjectieve factoren geactiveerd en verbeterd worden.
8.2.
Verder heeft verweerder in het bestreden besluit en ter zitting toegelicht dat sociale activering dient ter voorbereiding op een traject gericht op werk en in die zin een eerste stap is richting re-integratie en (eventueel) betaald werk. Hoewel op dit moment onduidelijk is hoe een en ander zal verlopen, stelt verweerder terecht dat niet is uit te sluiten dat eiseres met passende ondersteuning en interventies, in de toekomst (mogelijk) kan deelnemen aan een re-integratietraject. Ter zitting heeft verweerder nog toegelicht meerdere mogelijkheden te zien om – in aanvulling op de begeleiding die eiseres van Salus-U krijgt – de sociale activering vorm te geven. Deze mogelijkheden wil verweerder met eiseres bespreken maar een gesprek met eiseres daarover heeft tot op heden niet plaats gevonden.
8.3.
De subsidiaire beroepsgrond dat sociale activering nooit tot re-integratie naar werk kan leiden, slaagt gelet op het voorgaande dus niet. De verwijzing naar de uitspraak van de CRvB van 12 april 2016 kan eiseres ook niet baten. In die zaak oordeelde de CRvB dat sociale activering feitelijk niet gericht kon zijn op arbeidsinschakeling omdat betrokkene was vrijgesteld van de arbeidsverplichtingen tot aan de pensioengerechtigde leeftijd. In deze situatie was dus duidelijk dat betrokkene nooit meer zou gaan werken. Eiseres is weliswaar voor langere duur maar niet permanent (of tot de pensioenleeftijd) vrijgesteld van de arbeidsverplichtingen.
8.4.
Al het voorgaande brengt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder eiseres terecht niet heeft aangemerkt als volledig en duurzaam arbeidsongeschikt.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.E.A. Braeken, rechter, in aanwezigheid van
mr. N.R. Hoogenberk, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
29 januari 2026.
Griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie bv. de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 24 juni 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:920.