Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:1657

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
8 april 2026
Publicatiedatum
19 april 2026
Zaaknummer
C/16/561531 / HA ZA 23-526
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:277 BWArt. 6:119 BWArt. 6:83 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing ontbindingsschade na niet-nakoming samenwerkingsovereenkomst grondverkoop

Eisers en gedaagde sloten een samenwerkingsovereenkomst waarbij gedaagde grond van eisers zou kopen. Gedaagde weigerde de koopovereenkomst te sluiten, waardoor zij tekortschiet in nakoming. De rechtbank oordeelde eerder dat eisers de overeenkomst mogen ontbinden en dat gedaagde schade moet vergoeden.

De rechtbank benoemde een deskundige om de schade vast te stellen. Deze stelde de waarde van de onroerende zaak bij correcte nakoming vast op €9.173.843,- en de marktwaarde op €5.103.300,-, waardoor de ontbindingsschade €4.070.543,- bedraagt. De rechtbank volgt deze conclusies en wijst bezwaren van gedaagde en eisers tegen het deskundigenbericht af.

Daarnaast veroordeelt de rechtbank gedaagde tot betaling van bijkomende schadeposten, waaronder verkoopkosten, kosten van adviseur en proceskosten, tezamen opgeteld tot ruim €250.000,-. De wettelijke rente wordt toegewezen vanaf de datum van het vonnis. De vordering van eisers tot rente over de schadevergoeding vanaf 4 mei 2023 wordt afgewezen omdat verzuim pas vanaf ontbinding intreedt.

Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van in totaal €4.320.586,31 aan eisers, inclusief rente en proceskosten. De reconventionele vorderingen van gedaagde worden afgewezen en gedaagde draagt ook de proceskosten in reconventie. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De rechtbank ontbindt de samenwerkingsovereenkomst en veroordeelt gedaagde tot betaling van ruim €4,3 miljoen aan ontbindingsschade en bijkomende kosten aan eisers.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/561531 / HA ZA 23-526
Vonnis van 8 april 2026
in de zaak van

1.[eiser sub 1] ,2. [eiseres sub 2] ,

beiden wonende te [woonplaats] ,
eisende partijen in conventie, gedaagde partijen in reconventie,
hierna samen te noemen: [eisers] ,
advocaat: mr. M. van Nee,
tegen
[gedaagde] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. Ch.P.A.T. van Goethem.

1.Verder verloop van de procedure

1.1
Voor het verloop van de procedure wordt verwezen naar de tussenvonnissen van 17 juli 2024 (ECLI:NL:RBMNE:2024:4329) en 22 januari 2025.
1.2
Na het tussenvonnis van 22 januari 2025, waarbij de heer ing. J. Dijkmans als deskundige is benoemd (hierna: de deskundige), zijn de volgende stukken aan het procesdossier toegevoegd:
- het deskundigenbericht met 11 bijlagen en gespecificeerde eindnota van 29 september 2025,
- de akte uitlating na deskundigenbericht met één productie van [eisers] van 5 november 2025, en
- de akte uitlating na deskundigenbericht met één productie van [gedaagde] van 1 december 2025.
1.3
Tegen randnummers 7 en 8 van deze laatste akte van [gedaagde] heeft [eisers] bezwaar gemaakt, omdat [gedaagde] daar voor het eerst in de procedure verweer voert tegen de door [eisers] gevorderde uitvoerbaar bij voorraadverklaring en – ook voor het eerst – een beroep doet op matiging. Nadat [gedaagde] heeft gereageerd op het bezwaar van [eisers] , heeft de rechtbank besloten om die randnummers buiten beschouwing te laten.
1.4
Daarnaast heeft [gedaagde] op 12 december 2025 een verzoek ingediend tot wraking van mr. D. Wachter, één van de behandelend rechters in deze procedure. De wrakingskamer heeft dit verzoek tot wraking afgewezen (ECLI:NL:RBMNE:2025:7069).
1.5
Ten slotte is bepaald dat er een vonnis komt.

2.De kern van dit vonnis

2.1
In dit vonnis begroot de rechtbank de schade die [eisers] lijdt doordat de overeenkomst die zij met [gedaagde] heeft gesloten, wordt ontbonden in plaats van nagekomen op € 4.070.543,-. De overige door [eisers] gevorderde schadeposten worden deels toegewezen, namelijk tot een bedrag van (in totaal) € 250.043,31. Dit betekent dat [gedaagde] in totaal € 4.320.586,31 aan [eisers] moet betalen.

3.Wat voorafging aan dit vonnis

3.1
[gedaagde] en [eisers] hebben een samenwerkingsovereenkomst gesloten. Op basis van die overeenkomst zou [gedaagde] grond van [eisers] kopen. Die grond had geen woonbestemming, maar de locatie was door de gemeente wel aangemerkt als gebied waarop in de toekomst woningbouw zou kunnen plaatsvinden.
3.2
[gedaagde] heeft de grond niet gekocht van [eisers] [gedaagde] heeft namelijk geweigerd om de koopovereenkomst te sluiten, terwijl zij zich hiertoe wel heeft verplicht in de samenwerkingsovereenkomst. De rechtbank heeft in het tussenvonnis van 17 juli 2024 daarom geoordeeld dat [gedaagde] tekort is geschoten in de nakoming van de samenwerkingsovereenkomst. [1] [eisers] mag de samenwerkingsovereenkomst daarom ontbinden. Dit betekent dat [gedaagde] de schade zal moeten vergoeden die het gevolg is van de (in dit eindvonnis) uit te spreken ontbinding (op grond van artikel 6:277 van Pro het Burgerlijk Wetboek). [2]
3.3
Die schade kon de rechtbank in het tussenvonnis van 17 juli 2024 nog niet vaststellen, omdat zij meer informatie nodig had om een goede vergelijking te kunnen maken tussen enerzijds de fictieve situatie waarin [eisers] zou hebben verkeerd als [gedaagde] haar verplichtingen wel volledig en tijdig was nagekomen en anderzijds de situatie waarin [eisers] in werkelijkheid verkeert. De rechtbank heeft daarom in het tussenvonnis van 22 januari 2025 een deskundige benoemd en ook de vragen aan de deskundige geformuleerd. De deskundige heeft op 29 september 2025 zijn definitieve rapport uitgebracht, nadat partijen door hem nog in de gelegenheid zijn gesteld om hun reactie te geven op het conceptrapport. Beide partijen hebben na het deskundigenbericht een akte genomen waarin zij zich hebben uitgelaten over de conclusies van de deskundige. De inhoud daarvan wordt hierna (voor zover relevant) besproken en beoordeeld.
3.4
De rechtbank merkt ten slotte op dat zij in haar tussenvonnis van 17 juli 2024 de reconventionele vorderingen van [gedaagde] heeft afgewezen. [3] Het enige punt dat in reconventie nog openstaat, is de vraag wie de proceskosten moet betalen (dat is [gedaagde] , zie rechtsoverweging 4.28). Los van dit punt ziet de verdere beoordeling in dit vonnis dus alleen op het geschil in conventie.

4.De verdere beoordeling in conventie

Beoordeling deskundigenbericht: het toetsingskader
4.1
De rechtbank bepaalt aan de hand van het volgende toetsingskader of de inhoud van de akten na het deskundigenbericht aanleiding geven om af te wijken van de conclusies van de deskundige: pas als er sprake is van een objectieve onjuistheid, een onlogische redenering of een redenering die in redelijkheid niet de conclusie van de deskundige kan dragen, is er reden voor vragen aan de deskundige of om af te wijken van het deskundigenbericht. Dat de deskundige tot een ander oordeel komt dan een partij betekent namelijk op zichzelf niet dat de deskundige in redelijkheid niet tot zijn standpunt heeft kunnen komen. De deskundige is immers juist benoemd omdat de partijstandpunten over onderwerpen die op zijn vakgebied liggen, inhoudelijk verschillen. Daarmee is gegeven dat het standpunt van (in ieder geval) één van de partijen niet hetzelfde is als het oordeel van de deskundige.
4.2
In dit licht hoeft de rechtbank de beslissing om de deskundige te volgen in het algemeen niet verder te motiveren dan door aan te geven dat de door deze deskundige gebezigde motivering overtuigend voorkomt. De rechtbank zal in dit vonnis daarom alleen op specifieke bezwaren van partijen tegen de zienswijze van de deskundige ingaan, als deze bezwaren een voldoende gemotiveerde betwisting inhouden van de juistheid van deze zienswijze (Hoge Raad 5 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AN8478, r.o. 3.6).
[gedaagde] moet € 4.070.543,00 aan [eisers] betalen

Wat vindt de deskundige?
4.3
De deskundige heeft de waarde van de onroerende zaak bij correcte en tijdige nakoming door [gedaagde] vastgesteld op € 9.173.843,-. Dit is het bedrag dat resteert nadat de deskundige een korting heeft toegepast van 20%. De deskundige heeft die korting toegepast, omdat de rechtbank in haar tussenvonnis van 22 januari 2025 aan de deskundige heeft meegegeven dat hij bij de bepaling van de waarde van de onroerende zaak rekening moet houden met het risico dat er geen bestemmingsplan wordt vastgesteld. [4] Het percentage van 20% weerspiegelt volgens de deskundige zowel de kans op juridische vertraging als de kans dat woningbouwplannen in de praktijk later of niet tot uitvoering komen. De deskundige stelt daarnaast vast dat dat de marktwaarde van de onroerende zaak op de peildatum (25 augustus 2025) € 5.103.300,- bedraagt. Dit betekent dat het verschil tussen de waarde van de onroerende zaak bij correcte nakoming van de overeenkomst door [gedaagde] en de waarde van dezelfde onroerende zaak € 4.070.543,- bedraagt.

Wat oordeelt de rechtbank daarover?
4.4
De rechtbank neemt de conclusies van de deskundige over en maakt deze tot de hare. Dit betekent dat [gedaagde] op grond van artikel 6:277 BW Pro € 4.070.543,- aan schade moet vergoeden aan [eisers] De rechtbank stelt vast dat de conclusies van de deskundige op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen. Partijen zijn gehoord en hebben de gelegenheid gehad om (schriftelijk) te reageren op het conceptrapport. Zij hebben daar ook gebruik van gemaakt en de deskundige heeft de reacties van partijen in het definitieve rapport besproken. Verder zijn de conclusies van de deskundige zorgvuldig onderbouwd en deze conclusies vloeien voort uit de door hem in het deskundigenrapport vermelde gegevens en zijn daarmee voldoende begrijpelijk.
4.5
De door [gedaagde] aangevoerde bezwaren tegen het deskundigenbericht vormen geen aanleiding om daarvan af te wijken. In de eerste plaats maakt [gedaagde] het bezwaar dat de deskundige geen rekening heeft gehouden met een gefixeerde schadevergoeding, die zij in de conceptkoopovereenkomst (bij correcte nakoming) met [eisers] overeen zou zijn gekomen voor als het (bestemmings)plan niet van de grond zou komen.
4.6
In de concept koopovereenkomst staat ten aanzien van de eerste betalingstermijn (pagina 4) onder andere het volgende opgenomen:
“(…)
Indien koper niet uiterlijk een september tweeduizend tweeëndertig (01-09-2032) de locatie afneemt en betaalt, dan kan de overeenkomst door de verkoper eenzijdig, ongeacht of er al dan niet een onherroepelijk bestemmingsplan is, worden beëindigd en vervalt de eerste termijnbetaling aan verkoper zonder enige verrekening of vermindering. (…)”
4.7
Volgens [gedaagde] moet deze bepaling zo worden uitgelegd dat zij alleen de eerste termijn (die € 1.637.500,- bedraagt) aan [eisers] is verschuldigd (en niets meer) als [gedaagde] niet uiterlijk op 1 september 2032 de locatie afneemt en betaalt, ongeacht of er dan een onherroepelijk bestemmingsplan is vastgesteld.
4.8
De rechtbank stelt vast dat [gedaagde] in haar laatste akte naar aanleiding van het deskundigenbericht deze bepaling voor het eerst op deze manier uitlegt. Nog los van het feit dat dit te laat is, is de rechtbank van oordeel dat dit artikel niet zo kan worden uitgelegd dat partijen een gefixeerde schadevergoeding zijn overeengekomen (zoals [gedaagde] betoogt). In deze bepaling staat namelijk uitdrukkelijk dat [eisers] de overeenkomst
kanbeëindigen als [gedaagde] de locatie niet afneemt en betaalt op (uiterlijk) 1 september 2032. Naast de beëindiging van de overeenkomst, behoudt [eisers] dus haar wettelijke remedies, zoals de vordering tot nakoming of de vordering tot een vervangende schadevergoeding. Het staat [eisers] vrij om wel of niet gebruik te maken van deze contractuele beëindigingsmogelijkheid. Dit bezwaar vormt daarom geen aanleiding om van het deskundigenbericht af te wijken.
4.9
Het tweede bezwaar dat [gedaagde] maakt, houdt kort gezegd in dat zij het niet eens is met de door BaseValue geschetste tijdlijn. De rechtbank merkt ten aanzien van dit bezwaar op dat in het tussenvonnis van 22 januari 2025 al is beslist dat door de deskundige moet worden aangesloten bij de tijdslijn die door BaseValue in haar rapport is geschetst voor zover er geen ontwikkelingen zijn (bijvoorbeeld met betrekking tot het bestemmingsplan). [5] Die beslissing in het tussenvonnis was een bindende eindbeslissing. Van een feitelijke misslag of juridische fout is geen sprake, waardoor de rechtbank niet terugkomt op deze bindende eindbeslissing. De rechtbank gaat daarom voorbij aan dit bezwaar.
4.1
Het derde bezwaar van [gedaagde] houdt in dat zij het door de deskundige toegepaste kortingspercentage van 20% te laag vindt. Dit bezwaar vormt ook geen aanleiding om van het deskundigenbericht af te wijken. De rechtbank vindt niet dat er in het deskundigenbericht sprake is van een objectieve onjuistheid, een onlogische redenering of een redenering die in redelijkheid de conclusie van de deskundige niet kan dragen. Hetzelfde geldt voor het vierde (en laatste) bezwaar van [gedaagde] dat de deskundige de marktwaarde te laag heeft gewaardeerd.
4.11
Ook de door [eisers] aangevoerde bezwaren vormen geen aanleiding om van het deskundigenbericht af te wijken. [eisers] vindt het toegepaste kortingspercentage van 20% te hoog. Ook ten aanzien van dit bewaar geldt dat de rechtbank niet vindt dat de deskundige bij het vaststellen van het kortingspercentage is uitgegaan van een objectieve onjuistheid of gebruik heeft gemaakt van een onlogische redenering of een redenering die in redelijkheid de conclusie van de deskundige niet kan dragen.
4.12
Tot slot is de deskundige volgens [eisers] uitgegaan van een onjuiste bepaling uit de samenwerkingsovereenkomst. Volgens [eisers] suggereert de deskundige namelijk in zijn bericht (op pagina 15) dat naast [eisers] ook [gedaagde] de samenwerkingsovereenkomst kan beëindigen als [gedaagde] de locatie niet afneemt en betaalt op (uiterlijk) 1 september 2032, terwijl uitsluitend [eisers] in dat geval de overeenkomst kan beëindigen (zie de hiervoor in randnummer 4.6 geciteerde bepaling uit de conceptkoopovereenkomst).
4.13
Het klopt dat de deskundige op pagina 15 niet expliciet de mogelijkheid benoemt dat [eisers] onder die omstandigheden de overeenkomst kan beëindigen, maar die mogelijkheid benoemt de deskundige wel op pagina 19. De bepaling is dus niet onjuist in het deskundigenbericht opgenomen, zoals [eisers] stelt. Bovendien heeft [eisers] ook niet toegelicht welke gevolgen dit zou hebben voor de door de deskundige vastgestelde schade. Van een voldoende gemotiveerde betwisting is daarom geen sprake.
[gedaagde] moet de wettelijke rente betalen
4.14
[gedaagde] moet de schade (€ 4.070.543,-) vergoeden die [eisers] lijdt doordat de overeenkomst is ontbonden in plaats van nagekomen. De door [eisers] gevorderde wettelijke rente (zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro) zal hierover worden toegewezen vanaf 8 april 2026 (de vonnisdatum).
4.15
Dit is een latere datum dan [eisers] heeft gevorderd. [eisers] vordert namelijk wettelijke rente over deze schade vanaf 4 mei 2023, maar op die datum verkeerde [gedaagde] ten aanzien van die verbintenis tot het betalen van een schadevergoeding (op grond van artikel 6:277 BW Pro) nog niet in verzuim en dit is op grond van artikel 6:119 BW Pro wel vereist.
4.16
De vordering om die schadevergoeding te betalen is namelijk pas opeisbaar op het moment dat de overeenkomst is ontbonden. Op dat moment lijdt [eisers] namelijk pas de schade die het gevolg is van die ontbinding. Omdat de ontbinding in dit vonnis wordt uitgesproken, is de vordering tot betaling van een schadevergoeding op grond van artikel 6:277 BW Pro opeisbaar vanaf de datum van dit vonnis. De hoogte van de schade is ook bepaald aan de hand van de waarde van de onroerende zaak op 25 augustus 2025, dus relatief kort voor dit vonnis.
4.17
De verbintenis tot vergoeding van ontbindingsschade zoals bedoeld in artikel 6:277 BW Pro valt onder artikel 6:83 sub Pro BW. [6] Op grond van dit artikel treedt het verzuim ten aanzien van de verbintenis tot vergoeding van ontbindingsschade (in dit geval) in zonder ingebrekestelling. Dit betekent dat de rente daarom wordt toegewezen vanaf de datum van de ontbinding (8 april 2026).
Overige schadeposten
4.18
[eisers] heeft daarnaast nog een aantal andere schadeposten opgevoerd, namelijk:
De kosten van een nieuwe verkoop
De rentelasten in verband met de aankoop van ander onroerend goed
De kosten van adviseur [bedrijf] B.V.
De kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid
4.19
Ten aanzien van schadepost (iv) heeft de rechtbank al een definitieve beslissing genomen in het tussenvonnis van 17 juli 2024 (zie rechtsoverweging 2.47 t/m 2.49 in dat vonnis). [gedaagde] zal daarom in dit vonnis worden veroordeeld tot betaling van die kosten ter hoogte van € 15.261,12, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de respectieve factuurdata tot aan het moment van betaling (zie rechtsoverweging 2.47 van et tussenvonnis van 17 juli 2024). Ten aanzien van de overige schadeposten heeft de rechtbank in haar tussenvonnis ook al op een aantal onderdelen definitief beslist, maar nog niet op alle. Die punten zal de rechtbank hierna bespreken.
i.
De kosten van een nieuwe verkoop
4.2
In het tussenvonnis heeft de rechtbank geoordeeld dat [gedaagde] de verkoopkosten van [eisers] moet vergoeden. De verkoopkosten bedragen 2% (exclusief btw) van de door de rechtbank op basis van het deskundigenbericht te schatten koopsom. [7] De deskundige stelt de marktwaarde vast op € 5.103.300,-. Dit betekent dat de verkoopkosten exclusief btw € 102.066,- bedragen en inclusief btw € 123.500,-. [gedaagde] moet dit laatste bedrag (de verkoopkosten inclusief btw) vergoeden. De btw kwalificeert namelijk ook als schade, omdat [eisers] zelf niet btw-plichtig is.
4.21
De door [eisers] gevorderde wettelijke rente hierover zal worden toegewezen vanaf de datum dat [gedaagde] met de vergoeding van deze schade in verzuim is geraakt en dat is op 8 april 2026 (zie rechtsoverweging 4.14 e.v.).
ii.
De rentelasten in verband met de aankoop van ander onroerend goed
4.22
[eisers] vordert de rente die hij moet betalen over een lening die hij heeft afgesloten om een ander onroerend goed te kunnen kopen, maar die vordering heeft [eisers] onvoldoende onderbouwd. [8] In haar tussenvonnis van 17 juli 2024 heeft de rechtbank [eisers] de gelegenheid gegeven om die vordering alsnog nader te onderbouwen in de akte waarin ook op het deskundigenbericht wordt gereageerd, maar van die gelegenheid heeft [eisers] geen gebruik gemaakt. Daarom zal deze vordering worden afgewezen.
iii.
De kosten van de adviseur [bedrijf] B.V.
4.23
[eisers] heeft [bedrijf] B.V. (hierna: [bedrijf] ) ingeschakeld om hem in het traject met [gedaagde] te adviseren. De kosten van [bedrijf] bedragen in totaal € 123.646,87. De rechtbank heeft in het tussenvonnis dat [gedaagde] in ieder geval de helft (€ 61.823,44) hiervan moet vergoeden. [9]
4.24
De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde] ook de andere helft moet vergoeden, maar bij de vergoeding van deze kosten moet wel rekening worden gehouden met het kortingspercentage van 20% zoals vastgesteld door de deskundige. De verplichting voor [gedaagde] om deze kosten te vergoeden is namelijk onderhevig aan dezelfde onzekere factoren. Dit betekent dat [gedaagde] van de andere helft (€ 61.823,44 - € 12.364,69 =) € 49.458,75 moet vergoeden. [gedaagde] zal dus worden veroordeeld om (€ 61.823,44 + € 49.458,75 =) € 111.282,19 van de kosten van [bedrijf] te vergoeden.
4.25
De rechtbank heeft in het tussenvonnis beslist dat [gedaagde] over dit bedrag de wettelijke rente moet betalen vanaf de vervaldata van de respectieve facturen van [bedrijf] tot aan de dag van betaling. [10]
[gedaagde] moet de proceskosten in conventie en reconventie betalen
4.26
[gedaagde] is in conventie grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. Tot de proceskosten horen ook de kosten van de deskundige. Die kosten (€ 19.871,15) zijn bijna gelijk aan het voorschot (€ 19.871,75) dat door [gedaagde] is betaald. Die kosten blijven dus voor rekening van [gedaagde] . Het teveel door [gedaagde] betaalde zal door het LDCR aan [gedaagde] worden terugbetaald.
4.27
De proceskosten van [eisers] worden in conventie begroot op:
- kosten van de dagvaarding
132,29
- griffierecht
2.277,00
- salaris advocaat
11.577,50
(2,5 punten × € 4.631,00)
Totaal
13.986,79
4.28
In reconventie is [gedaagde] in het tussenvonnis van 17 juli 2024 in het ongelijk gesteld. Daarom moet [gedaagde] ook de proceskosten in reconventie betalen. [11] De reconventionele vorderingen hangen samen met de procedure in conventie. Om die reden halveert de rechtbank het liquidatietarief. Dit betekent dat [gedaagde] in reconventie € 4.631,00 aan proceskosten moet betalen aan [eisers] (2 punten x 0,5 x het toepasselijke tarief € 4.631,00).
4.29
Daarnaast moet [gedaagde] ook de nakosten van [eisers] betalen. Dat komt neer op een bedrag van € 278,00 in conventie en reconventie samen.
4.3
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten in conventie en reconventie wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De rechtbank
in conventie
5.1
ontbindt de overeenkomst (SOK) tussen [gedaagde] en [eisers] van 8 juni 2022,
5.2
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eisers] van een schadevergoeding van € 4.070.543,00, te vermeerderen met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf de datum van dit vonnis tot aan de dag van volledige betaling,
5.3
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eisers] van een schadevergoeding van € 123.500,00, binnen 14 dagen na dit vonnis, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf de datum van dit vonnis tot aan de dag van betaling,
5.4
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eisers] van € 111.282,19, binnen 14 dagen na dit vonnis, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf de vervaldata van de respectieve facturen van [bedrijf] tot aan de dag van betaling,
5.5
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eisers] van een schadevergoeding van € 15.261,12, binnen 14 dagen na dit vonnis, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf de respectieve factuurdata tot aan het moment van betaling,
5.6
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 13.986,79, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
5.7
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
5.8
wijst de vorderingen van [gedaagde] af,
5.9
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 4.631,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
in conventie en in reconventie
5.1
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de nakosten van € 278,- te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.11
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.12
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.1 tot en met 5.6 en 5.9 tot en met 5.11 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. Atema, mr. D. Wachter en mr. A.A.T. van Rens en in het openbaar uitgesproken op 8 april 2026. De voorzitter (mr. J.M. Atema) is buiten staat om het vonnis te ondertekenen en daarom is dit vonnis getekend door mr. D. Wachter
EM 5792

Voetnoten

1.Zie rechtsoverweging 2.23 in het tussenvonnis van 17 juli 2024.
2.Hierna wordt het Burgerlijk Wetboek afgekort naar “BW”.
3.Zie rechtsoverweging 2.54 in het tussenvonnis van 17 juli 2024.
4.Zie rechtsoverweging 3.5 in het tussenvonnis van 22 januari 2025.
5.Zie rechtsoverweging 3.1 in het tussenvonnis van 22 januari 2025.
6.P.S. Bakker, in: GS Verbintenissenrecht, art. 6:83 BW Pro, aant. 39.
7.Zie rechtsoverweging 2.36 in het tussenvonnis van 17 juli 2024.
8.Zie rechtsoverweging 2.37 t/m 2.39 in het tussenvonnis van 17 juli 2024.
9.Zie rechtsoverweging 2.44 in het tussenvonnis van 17 juli 2024.
10.Zie rechtsoverweging 2.46 in het tussenvonnis van 17 juli 2024.
11.Zie rechtsoverweging 2.54 in het tussenvonnis van 17 juli 2024.