AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Ongegrond beroep tegen omgevingsvergunning uitbreiding bedrijfsgebouw en vrachtverkeerbeperkingen
Deze bestuursrechtelijke zaak betreft het beroep tegen de door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Stichtse Vecht verleende omgevingsvergunning voor de uitbreiding van een bedrijfsgebouw met 550 m² aan het betreffende perceel. Een deel van de eisers werd niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een persoonlijk belang, met name door de afstand tot en het ontbreken van zicht op de locatie, en het ontbreken van gevolgen van enige betekenis door de uitbreiding.
De rechtbank oordeelt dat het college terecht heeft geoordeeld dat deze eisers geen belanghebbende zijn, omdat de toename van vrachtverkeer door de uitbreiding niet significant is en de afstand tot het perceel te groot is om feitelijke gevolgen van betekenis te ondervinden. Voor de overige eisers die wel ontvankelijk zijn, is het geschil gericht op de vraag of de uitbreiding binnen het bestemmingsplan past en of het college had moeten toetsen aan de maximale vrachtwagenbewegingen.
De rechtbank stelt vast dat het bestemmingsplan een voorwaardelijke verplichting bevat die het aantal vrachtwagenbewegingen maximeert en een monitorplicht voorschrijft. Het college hoefde daarom geen maximale aantallen vrachtwagenbewegingen als voorschrift in de omgevingsvergunning op te nemen. De rechtbank volgt het college hierin en verklaart het beroep ongegrond. Eisers krijgen geen proceskostenvergoeding en het griffierecht wordt niet teruggegeven.
Uitkomst: Het beroep tegen de omgevingsvergunning voor de uitbreiding van het bedrijfsgebouw wordt ongegrond verklaard.
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/6981
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 april 2026 in de zaak tussen
[eiser 1] en [eiser 2] , [adres 1] in [plaats] ,
[eiser 3], [adres 2] in [plaats] , en
[eiser 4], [adres 3] in [plaats]
[eiser 5] en mw. [eiseres] ,[adres 4] in [plaats] ,
[eiser 6], [adres 5] in [plaats] ,
eisers
(gemachtigde: mr. J.P.H. de Bruijn),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Stichtse Vecht, het college
(gemachtigde: C. Brons).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde belanghebbende 1] B.V./ [derde belanghebbende 2] B.V. uit [plaats](de vergunninghouder)
(gemachtigde: mr. T.E.P.A. Lam).
Inleiding
1. Deze zaak gaat over de vraag of het college terecht een omgevingsvergunning heeft verleend voor een uitbreiding van de bedrijfsbebouwing op het perceel aan het [adres 6] in [plaats] .
1.1
[A] ( [A] ) is eigenaar van het perceel aan het [adres 6] in [plaats] (het perceel). Hij woont op het perceel en verhuurt dit aan de vergunninghouder. Op 21 juli 2023 heeft [A] een vergunning aangevraagd voor de uitbreiding van de bedrijfsbebouwing met 550 m², het aanbrengen van verharding ten behoeve van parkeerplaatsen en het rooien en aanplanten van eikenbomen op het perceel.
1.2.
In een besluit van 20 december 2023 (het primaire besluit) heeft het college deze omgevingsvergunning aan de vergunninghouder verleend.
1.3.
Eisers hebben afzonderlijk van elkaar bezwaar tegen dit besluit gemaakt.
1.4.
In afzonderlijke besluiten van 24 september 2024 (de bestreden besluiten) heeft het college de bezwaren van eisers [eiser 1] , [eiser 2] , [eiser 3] en [eiser 4] niet-ontvankelijk verklaard omdat zij niet als belanghebbende kunnen worden aangemerkt. Het college heeft de bezwaren van [eiser 5] , [eiseres] en [eiser 6] ongegrond verklaard. Het college heeft daarbij het advies van de bezwaarschriftencommissie overgenomen.
1.5.
Eisers hebben vervolgens beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
1.6.
Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 24 juni 2025. Eisers zijn niet verschenen en hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Namens eisers was een mede-buurtbewoner [B] aanwezig. De vergunninghouder is verschenen bij haar vertegenwoordiger [A] , bijgestaan door haar gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
1.7.
Na de zitting heeft het college aan de rechtbank laten weten dat partijen met elkaar in gesprek willen gaan over een mogelijke minnelijke oplossing. De rechtbank heeft diverse malen bij partijen geïnformeerd naar de stand van zaken van dit overleg. Op 12 december 2025 heeft de gemachtigde van eisers aan de rechtbank laten weten dat het minnelijk overleg tussen partijen is gestaakt.
Overwegingen
Omvang van het geschil
2. De omgevingsvergunning is verleend voor het uitbreiden van het bedrijfsgebouw, het aanleggen van parkeerplekken en het planten van eikenbomen. De gemachtigde van eisers heeft op de zitting aangegeven dat het beroep uitsluitend is gericht tegen de vergunde uitbreiding van het bedrijfsgebouw met 550 m².
Ontvankelijkheid van het beroep
3. In artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. In artikel 8:1 vanPro de Awb is bepaald dat een belanghebbende tegen een besluit beroep kan instellen bij de bestuursrechter. Alleen degene die een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang heeft dat rechtstreeks betrokken is bij het bestreden besluit, is belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.
4. Wie rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die het besluit toestaat, is in beginsel belanghebbende bij dat besluit. Op dit uitgangspunt bestaat een correctie die in de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) is ontwikkeld; het zogeheten criterium ‘gevolgen van enige betekenis’.
5. Gevolgen van enige betekenis ontbreken indien de gevolgen van een besluit wel zijn vast te stellen, maar de gevolgen voor de activiteit voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van betrokkene dermate gering zijn dat een persoonlijk belang ontbreekt. Daarbij wordt onder andere acht geslagen op de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en (eventuele) milieugevolgen van de activiteit die het besluit toestaat. Ook aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn. [1]
6. Het college acht bezwaarmakers [eiser 1] , [eiser 2] , [eiser 3] en [eiser 4] niet-ontvankelijk in hun bezwaren, omdat zij niet belanghebbend zijn in de zin van artikel 1:2 vanPro de Awb vanwege het ontbreken van zicht op de locatie dan wel de afstand tot die locatie. Verder is uit onderzoeken naar de gevolgen van de uitbreiding niet gebleken van een toename van verkeer waaruit gevolgen van enige betekenis voor deze eisers zouden kunnen worden herleid, aldus het college.
7. Eisers [eiser 1] , [eiser 2] , [eiser 3] en [eiser 4] voeren aan dat zij wel ontvankelijk zijn in bezwaar. Het college is volgens hen ten onrechte uitgegaan van de subjectieve verwachting dat van een toename van verkeer geen sprake zal zijn. Het feit dat in het bestemmingsplan regels zijn vastgelegd over het maximum aantal vrachtwagens is juist een objectieve aanwijzing dat het verkeer van vrachtwagens zal toenemen. Dit blijkt ook uit de uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling van 25 april 2024 [2] . Het is volgens eisers ondenkbaar dat de uitbreiding van de opslagcapaciteit van de vergunninghouder geen extra verkeer met zich zal meebrengen.
8. De rechtbank is van oordeel dat het college eisers [eiser 1] , [eiser 2] , [eiser 3] en [eiser 4] terecht niet-ontvankelijk in hun bezwaren heeft verklaard, omdat zij geen gevolgen van enige betekenis als gevolg van de uitbreiding van de bedrijfsbebouwing ondervinden. De rechtbank legt hierna uit waarom.
9. Eisers [eiser 1] en [eiser 2] ( [adres 1] in [plaats] ) wonen hemelsbreed op een afstand van circa 830 meter vanaf het perceel van de vergunninghouder. Eiser [eiser 3] ( [adres 2] ) woont op een hemelsbrede afstand van circa 1,45 kilometer vanaf dit perceel en eiser [eiser 4] ( [adres 3] ) op een hemelsbrede afstand van circa 1,2 kilometer. Deze grote afstanden tot het perceel en het ontbreken van zicht van deze eisers op de bedrijfsuitbreiding, maken dat zij in beginsel geen gevolgen van enige betekenis voor hun woon,- leef- en/of bedrijfssituatie als gevolg van de bedrijfsuitbreiding ondervinden.
10. Verder overweegt de rechtbank dat het in deze procedure uitsluitend gaat om de vraag wie feitelijke gevolgen van enige betekenis van de nog te bouwen uitbreiding van de bedrijfsbebouwing zal ondervinden om daadwerkelijk als belanghebbende te kunnen worden aangemerkt. De huidige verkeerssituatie rondom het bedrijf van de vergunninghouder is niet relevant. Uit de uitspraak van de Afdeling van 19 februari 2020 [3] volgt dat feitelijke gevolgen van enige betekenis zich kunnen voordoen door een toename van verkeer vanwege een bouwplan, in dit geval vrachtverkeer. Dit is voor eisers [eiser 1] , [eiser 2] , [eiser 3] en [eiser 4] niet aannemelijk. De rechtbank acht hierbij van belang dat in het bestemmingsplan is vastgelegd dat het gebruik van de bebouwing binnen de “specifieke bouwaanduiding – 1” slechts is toegestaan onder de voorwaarden dat het aantal vrachtauto’s van en naar [adres 6] niet meer bedraagt dan: 1) 80 per week, in de periode van 1 december tot en met 14 september, en 2) 130 per week, in de periode van 15 september tot en met 30 november. Deze aantallen zijn gebaseerd op de huidige bedrijfsvoering met een aantal vrachtauto’s van en naar het perceel van 30 augustus tot en met 5 september (77 per week) en 27 september tot en met 3 oktober (133 keer per week).
11. Het college heeft zich op basis van verkeerskundige onderzoeken op het standpunt gesteld dat een beperkte toename aan vrachtauto’s ten gevolge van de uitbreiding wordt verwacht. Er wordt zelfs eerder een afname van het aantal vrachtauto’s verwacht door de aanwezigheid van meer opslagmogelijkheden in het uit te breiden gebouw. De toename is ten opzichte van de huidige verkeersbelasting van het Zandpad dusdanig beperkt dat die voor weggebruikers en omwonenden niet merkbaar wordt geacht. Gelet daarop kan redelijkerwijs worden aangenomen dat de uitbreiding geen zodanige toename van vrachtverkeer met zich brengt dat dit feitelijke gevolgen van enige betekenis voor eisers [eiser 1] , [eiser 2] , [eiser 3] en [eiser 4] tot gevolg heeft. De rechtbank kan het college hierin volgen. Het college heeft deze eisers dan ook terecht niet-ontvankelijk in hun bezwaar verklaard.
12. De rechtbank acht eisers [eiser 5] en [eiseres] ( [adres 4] ) en [eiser 6] ( [adres 5] ) wel ontvankelijk in hun bezwaren. De rechtbank zal hierna de beroepsgronden van deze eisers bespreken.
Beoordelingskader
13. Op 1 januari 2024 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) ingetrokken en is de Omgevingswet in werking getreden. Omdat voor die datum (op 21 juli 2023) de aanvraag om de omgevingsvergunning is ingediend, is in deze zaak de Wabo met de onderliggende regelingen nog van toepassing. [4]
14. Het toetsingskader voor de beoordeling van de aangevraagde activiteiten “bouwen” staat in artikel 2.10 van de Wabo. Hierin staat dat een omgevingsvergunning moet worden verleend als aan de in dat artikel genoemde voorwaarden/regels is voldaan, dan wel moet worden geweigerd als niet aan één van deze voorwaarden/regels is voldaan. Er bestaat geen ruimte om een omgevingsvergunning te weigeren op andere gronden dan strijd met het bestemmingsplan, het Bouwbesluit, de bouwverordening of de redelijke eisen van welstand.
15. Niet in geschil is dat het bouwplan niet in strijd is met het Bouwbesluit, de bouwverordening of de redelijke eisen van welstand. Tussen partijen staat alleen de vraag ter discussie of het bouwplan binnen het bestemmingsplan past. Het college stelt dat dit het geval is. Eisers [eiser 5] , [eiseres] en [eiser 6] betwisten dit.
Vrachtwagenbewegingen
16. Het perceel aan het [adres 6] in [plaats] ligt binnen het bestemmingsplan “Rondom de Vecht, reparatie 2021” (het bestemmingsplan) dat op 1 november 2022 is vastgesteld. De Afdeling heeft op 25 april 2024 [5] in een voorlopige voorzieningenprocedure met betrekking tot het perceel geoordeeld dat ook wanneer wordt uitgegaan van een uitbreiding van de bedrijfsbebouwing met meer dan met 550 m² bruto vloeroppervlakte het extra effect op de verkeersafwikkeling van zwaar verkeer beperkt zal zijn. Hierbij is van belang dat de gemeenteraad ervoor heeft gekozen om in de planregels, in de vorm van een voorwaardelijke verplichting, een maximum aantal vrachtauto’s van en naar het perceel per week vast te stellen. De voorzieningenrechter heeft geen aanleiding gezien voor het oordeel dat dit bestemmingsplan in de bodemprocedure niet in stand kan blijven en heeft het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.
17. Artikel 4, lid 4.3, van het bestemmingsplan luidt:
“ Ter plaatse van de 'specifieke bouwaanduiding – 1' mag uitsluitend worden gebouwd
onder de voorwaarden dat:
de oppervlakte van de bebouwing binnen de 'specifieke bouwaanduiding - 1' niet meer bedraagt dan 550 m²;
voldaan is en blijft aan de voorwaarden als bedoeld in artikel 4, lid 4.4, onder 4.4.3.”
De vergunde bedrijfsbebouwing ter plaatse van de ‘specifieke bouwaanduiding – 1’ op het perceel bedraagt niet meer dan 550 m² aan oppervlakte.
18. Artikel 4, lid 4.4., onder 4.4.3 van het bestemmingplan bepaalt:
“Het gebruik van de bebouwing binnen de 'specifieke bouwaanduiding – 1' is slechts toegestaan onder de voorwaarden dat:
(…);
het aantal vrachtauto's van en naar [adres 6] niet meer bedraagt dan:
1. 80 per week, in de periode van 1 december t/m 14 september;
2. 130 per week, in de periode van 15 september t/m 30 november;
het aantal vrachtauto's van en naar [adres 6] jaarlijks wordt gemonitord en deze gegevens halfjaarlijks met burgemeester en wethouders worden gedeeld;
(…).”
19. Eisers voeren aan dat de bouwaanvraag ten onrechte niet is getoetst aan artikel 4, lid 4.4, onder 4.4.3, sub b, van het bestemmingsplan. Er had volgens hen in ieder geval moeten worden getoetst of de aangevraagde uitbreiding het genoemde aantal vrachtwagenbewegingen niet overschrijdt. Eisers vinden dat maximale aantallen vrachtwagenbewegingen als voorschrift in de omgevingsvergunning moeten worden opgenomen.
20. Het college heeft toegelicht dat in artikel 4, lid 4.4., onder 4.4.3, sub b, van de planregels wordt verwezen naar een voorwaardelijke verplichting. Deze voorwaardelijke verplichting maximeert het aantal vrachtauto’s van en naar het perceel nadat de uitbreiding waarop de bestreden omgevingsvergunning ziet, in gebruik is genomen. Er dient dus niet reeds bij de beoordeling van de vergunningaanvraag aan deze voorwaardelijke verplichting te worden voldaan, maar binnen de termijn gesteld in de voorwaarde van het bestemmingsplan. Verder staat in artikel 4, lid 4.4., onder 4.3.3, sub c, van het bestemmingsplan een verplichting tot monitoring van het aantal vrachtauto’s van en naar het betreffende perceel opgenomen. Die monitorgegevens zullen op gebruikelijke wijze worden gecontroleerd. Indien niet wordt voldaan aan de voorwaardelijke verplichting zal dat een kwestie van handhaving zijn. Dit maakt geen onderdeel uit van deze omgevingsvergunningsprocedure, aldus het college.
21. De rechtbank kan het college hierin volgen. Het college heeft geen maximale aantallen aan vrachtwagenbewegingen als voorschrift in de omgevingsvergunning hoeven opnemen, aangezien deze al in het bestemmingsplan zijn vastgesteld. Er zijn geen aanwijzingen dat deze aantallen zullen worden overschreden. De rechtbank betrekt daarbij de bepaling in het bestemmingsplan dat het aantal vrachtauto's van en naar [adres 6] jaarlijks moet worden gemonitord. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
22. De beroepen zijn ongegrond. Het college heeft terecht een omgevingsvergunning aan de vergunninghouder verleend voor een uitbreiding van het bedrijfsgebouw met 550 m². Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. van der Linde, rechter, in aanwezigheid van mr. J.M.T. Bouwman, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 14 april 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voetnoten
1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 23 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2271.