Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:1590

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
15 april 2026
Publicatiedatum
15 april 2026
Zaaknummer
UTR 25/4828
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11.5 WsfArt. 8:80 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing verzoek aanvullende beurs zonder inkomen vader tot 21 jaar wegens ernstig conflict

Eiser, een student met studiefinanciering, verzocht de minister om bij de vaststelling van zijn aanvullende beurs geen rekening te houden met het inkomen van zijn vader tot zijn 21e jaar vanwege een ernstig en structureel conflict. De minister wees dit verzoek af en stelde dat eiser eerst een alimentatieprocedure moest starten. De rechtbank oordeelde in eerdere uitspraken dat de minister de afwijzing onvoldoende had gemotiveerd en gaf de minister de opdracht een nieuwe beslissing te nemen.

De minister nam op 7 augustus 2025 een nieuwe beslissing op bezwaar, waarin het bezwaar deels werd gegrond verklaard vanaf het 21e jaar van eiser, maar het inkomen van de vader voor de periode daarvoor werd meegenomen. De minister vond geen reden om de hardheidsclausule toe te passen en verwees naar het belang van een alimentatieprocedure. Eiser stelde dat dit onzorgvuldig was en dat het starten van een alimentatieprocedure het contactherstel met zijn vader zou belemmeren.

De rechtbank stelde vast dat de minister met het bestreden besluit geen gevolg gaf aan de onherroepelijke uitspraak van 26 juni 2025 en dat de motivering onvoldoende was. De rechtbank vernietigde het besluit van 7 augustus 2025, herroept het besluit van 16 oktober 2023 en bepaalt dat het inkomen van de vader buiten beschouwing wordt gelaten bij de aanvullende beurs tot het 21e jaar van eiser. Tevens veroordeelde de rechtbank de minister tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser.

Uitkomst: De rechtbank bepaalt dat het inkomen van de vader van eiser buiten beschouwing wordt gelaten bij de aanvullende beurs tot zijn 21e jaar vanwege een ernstig en structureel conflict.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/4828

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 april 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. M. den Hertog),
en

de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, verweerder

(gemachtigde: mr. H. Bouhuys).

Inleiding

Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om bij de vaststelling van zijn aanvullende beurs geen rekening te houden met het inkomen van zijn vader tot zijn 21e jaar. Omdat de vader van eiser mogelijk nog de plicht heeft om in het onderhoud te voorzien van eiser, moet eiser volgens de minister eerst een procedure over kinderalimentatie opstarten. Eiser vindt dat dat niet van hem verwacht kan worden.
De rechtbank heeft in een eerdere tussenuitspraak van 27 januari 2025 [1] en in de einduitspraak van 26 juni 2025 [2] geoordeeld dat de minister de afwijzing van de aanvraag met besluiten van 16 oktober 2023 en 12 april 2024 onvoldoende heeft gemotiveerd.
Naar aanleiding van de uitspraken van de rechtbank heeft de minister op 7 augustus 2025 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen. Eiser is het nog steeds niet eens met de beslissing van de minister en heeft opnieuw beroep ingesteld. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 24 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Wat heeft eiser verzocht?
1. Eiser is student en heeft studiefinanciering. Hij heeft de minister gevraagd om bij het bepalen van zijn recht op een aanvullende studiebeurs geen rekening te houden met het inkomen van zijn vader vanwege een ernstig en structureel conflict.
Vorige procedure
2. De minister heeft het verzoek van eiser op 16 oktober 2023 afgewezen. Met de beslissing op bezwaar van 12 april 2024 heeft de minister het bezwaar gegrond verklaard voor zover het gaat over de periode van na het 21e jaar van eiser. Er is namelijk sprake van een ernstig en structureel conflict. Voor de periode voor het 21e jaar van eiser is het verzoek afgewezen omdat eiser eerst een alimentatieprocedure moet starten. Er is volgens de minister geen reden om de hardheidsclausule toe te passen.
3. Tegen de beslissing op bezwaar van 12 april 2024 heeft eiser beroep ingesteld. De rechtbank heeft op 27 januari 2025 een tussenuitspraak gedaan om de minister in de gelegenheid het geconstateerde motiveringsgebrek te herstellen. [3] In de uitspraak heeft de rechtbank als volg overwogen:
“15. De rechtbank is van oordeel dat de minister de mogelijke gevolgen van het voeren van de procedure over de kinderalimentatie op het prille contactherstel met vader onvoldoende (duidelijk) heeft meegewogen bij het beoordelen van het beroep op de hardheidsclausule. Daarbij ziet de rechtbank niet in waarom in dit geval relevant is dat eiser zich in de procedure door een advocaat kan laten bijstaan, want ook als hij niet zelf bij de zitting aanwezig is kan de vader van eiser hem aanrekenen dat hij de procedure is gestart. De procedure kan het door eiser gewenste contactherstel dus wel degelijk in de weg zitten en de minister heeft niet toegelicht waarom dat in dit geval onvoldoende zwaarwegend is.
16. Verder is van belang dat de partner van de vader van eiser zich op sociale media stelselmatig negatief heeft uitgelaten over eiser en dat dit heeft geleid tot aangifte en een stopgesprek door de politie. De moeder van eiser heeft toegelicht dat zij vreest dat dit door het starten van een procedure over de alimentatie zal verergeren. De minister heeft bij de beoordeling van het beroep op de hardheidsclausule deze omstandigheid niet (kenbaar) meegewogen.”
4. Daarop heeft de minister een aanvullende motivering ingediend. Bij einduitspraak van 26 juni 2025 [4] heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard omdat het gebrek met die aanvullende motivering niet was hersteld. In de dragende overwegingen van de uitspraak is het volgende opgenomen:
“ 7. In de aanvullende motivering houdt de minister eraan vast dat er geen ruimte is voor toepassing van de hardheidsclausule. De minister wijst erop dat in situaties waarin een ernstig en structureel conflict speelt tussen een ouder en een kind, het voeren van een procedure over alimentatie vaak emotioneel is en tot spanning en stress zal leiden. Dat is dus door de wetgever voorzien en kan daarom geen reden zijn voor toepassing van de hardheidsclausule. De minister geeft aan dat hij in dit geval niet kan uitsluiten dat het voeren van de alimentatieprocedure leidt tot verslechtering van de relatie tussen eiser en zijn vader (en diens nieuwe partner). Het is volgens de minister de verantwoordelijkheid van eiser om een keuze te maken tussen herstel van de relatie of het niet verder doorzetten van zijn verzoek om het inkomen van vader buiten beschouwing te laten.
8. De rechtbank is van oordeel dat de minister het gebrek met deze aanvullende motivering onvoldoende heeft hersteld. Dat in algemene zin voorzienbaar is dat het voor een student emotioneel kan zijn en tot spanning en stress kan leiden om te procederen tegen een ouder met wie een conflict bestaat, kan naar het oordeel van de rechtbank niet de conclusie dragen dat de wetgever een situatie zoals die waar eiser zich in bevindt ook moet hebben voorzien. In het geval van eiser kan het starten van de alimentatieprocedure namelijk gevolgen hebben die voortduren tot (lang) nadat de procedure is geëindigd, doordat het door eiser gewenste contactherstel met vader is belemmerd of de negatieve uitlatingen op sociale media oplaaien. Uit de aanvullende motivering blijkt niet waarom die mogelijke gevolgen onvoldoende zwaarwegend en bijzonder zijn om de hardheidsclausule toe te passen.
9. De minister legt de verantwoordelijkheid bij eiser om de keuze te maken tussen de mogelijke gevolgen van de alimentatieprocedure en het niet doorzetten van het verzoek om het inkomen buiten beschouwing te laten (en daarmee niet in aanmerking te komen voor een aanvullende beurs). Dat eiser er ook voor kan kiezen om af te zien van de aanvullende beurs kan naar het oordeel van de rechtbank geen gewicht in de schaal leggen. De regeling waar eiser een beroep op doet strekt ertoe dat studenten met een weigerachtige ouder bij de toekenning van een aanvullende beurs hetzelfde worden behandeld als studenten van wie een ouder is overleden.2 Het doel is dus dat de student met de weigerachtige ouder daarvan niet de financiële gevolgen draagt.3 Gelet daarop past het niet om in de situatie van eiser, waarin is vastgesteld dat er sprake is van een ernstig en structureel conflict en dus van een weigerachtige ouder, in het kader van de hardheidsclausule mee te wegen dat eiser er ook voor kan kiezen om geen gebruik te maken van de wettelijke regeling (en daarmee een hogere studielening te accepteren). Als de omstandigheden zodanig zwaarwegend en bijzonder zijn dat niet van eiser kan worden gevergd dat hij de alimentatieprocedure tegen zijn vader start, is dat reden om met toepassing van de hardheidsclausule het vereiste te passeren. Uit hetgeen de minister naar voren heeft gebracht blijkt niet dat die situatie zich hier niet voordoet.”
5. De rechtbank heeft in de einduitspraak de beslissing op bezwaar van 12 april 2024 vernietigd voor zover daarin is bepaald dat eiser tot de leeftijd van 21 jaar geen recht heeft op een aanvullende beurs. De rechtbank heeft bepaald dat de minister een nieuwe beslissing moet maken over het recht van eiser op een aanvullende beurs voor de periode tot aan het moment dat eiser de leeftijd van 21 jaar bereikt, waarbij hij rekening houdt met wat in de uitspraak en de tussenuitspraak staat. Als de minister opnieuw vindt dat het inkomen van vader niet buiten beschouwing kan worden gelaten zolang de alimentatieverplichting niet duidelijk is, zal de minister moeten onderbouwen waarom hij de hardheidsclausule niet toepast, zo heeft de rechtbank overwogen.
Huidige procedure
6. De minister heeft naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank op 7 augustus 2025 een nieuwe beslissing op bezwaar (het bestreden besluit) genomen. De minister verklaart het bezwaar gegrond voor zover het de aanvullende beurs betreft vanaf het 21e jaar van eiser. Eiser heeft aangetoond dat sprake is van een ernstig en structureel conflict tussen hem en zijn vader. Vanaf maart 2026 zal het inkomen van zijn vader buiten beschouwing worden gelaten. Het inkomen wordt niet buiten beschouwing gelaten voor de periode van april 2023 tot maart 2026. Tot eisers 21e jaar moeten ouders de kosten dragen voor levensonderhoud. Daarom moet er door de rechter alimentatie worden vastgesteld. Er is in het geval van eiser geen alimentatie vastgesteld. Hij moet zich daarom wenden tot de civiele rechter om de alimentatieverplichting te laten vaststellen. Er is geen reden om van deze voorwaarde af te wijken op grond van de hardheidsclausule van artikel 11.5 van de Wet studiefinanciering (Wsf). De omstandigheden die eiser heeft aangevoerd, namelijk (kort gezegd) mogelijk contactherstel met zijn vader, is geen reden om de hardheidsclausule toe te passen. Dit volgt ook uit de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 21 augustus 2009. [5] Omdat een loskoppeling alleen is aangewezen in situaties van een ernstig en structureel conflict, kan er geen rekening worden gehouden met de mogelijkheid tot contactherstel. De minister ziet in de omstandigheid dat de partner van de vader van eiser vervelende berichten over eiser op sociale media heeft geplaatst niet een risico dat er meer berichten zullen worden geplaatst bij het starten van een alimentatieprocedure. Het starten van een juridische procedure tot vaststelling van kinderalimentatie zal volgens de minister in zijn algemeenheid leiden tot emotie, spanningen en wellicht een verslechterde verhouding.
Gronden beroep
7. Eiser heeft aangevoerd dat het nieuwe besluit weer onvoldoende is gemotiveerd en onzorgvuldig tot stand is gekomen. De wetgever heeft met het loskoppelingsbeginsel niet voorzien dat het starten van een alimentatieprocedure mogelijk contactherstel in de weg zou staan. In de specifieke situatie van eiser staat het starten van een alimentatieprocedure in de weg aan mogelijk contactherstel. Daarom moet de hardheidsclausule worden toegepast. Eiser is een kwetsbare jongvolwassene die in familiaire sfeer al het nodige heeft meegemaakt. Sinds 2020 heeft eiser een ernstig en structureel conflict met zijn vader. De vrouw van zijn vader plaatst nog dagelijks onheuse uitlatingen op het internetplatform X. Eiser wil het conflict met zijn vader niet verder op de spits drijven door een alimentatieprocedure te starten.
Oordeel van de rechtbank
8. De rechtbank stelt vast dat de minister het bestreden besluit heeft gebaseerd op hetzelfde dossier als bij het nemen van de beslissing op bezwaar van 12 april 2024. Er liggen dus geen nieuwe feiten en omstandigheden ten grondslag aan het bestreden besluit. In essentie komt de nieuwe beslissing op bezwaar overeen met de eerdere beslissing op bezwaar en de aanvullende motivering die de minister heeft gegeven nadat de rechtbank tussenuitspraak had gedaan. De rechtbank ziet wel accentverschillen; er is ingegaan waarom mogelijkheid tot contactherstel niet kan worden betrokken bij een beroep op de hardheidsclausule en er is nader ingegaan op het plaatsen van berichten op sociale media door de partner van de vader van eiser. Materieel gezien is de motivering echter hetzelfde gebleven als de aanvullende motivering die eerder na de tussenuitspraak van 27 januari 2025 is gegeven.
9. De rechtbank stelt vast dat met het bestreden besluit geen gevolg is gegeven aan de onherroepelijke uitspraak van de rechtbank van 26 juni 2025. Die uitspraak heeft kracht van gewijsde. [6] De minister heeft destijds geen hoger beroep ingesteld tegen deze uitspraak en dan geldt dat de in de uitspraak neergelegde opdracht moet worden opgevolgd. De minister kan niet volstaan met een afwijzing op grond van dezelfde motivering, ook niet als de bewoordingen wat anders zijn. Het beroep is daarom gegrond.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen en zelf in de zaak voorzien. Gelet op de omstandigheid dat de minister, met de geboden herstelmogelijkheden in de eerdere tussenuitspraak en einduitspraak, er niet in is geslaagd de weigering van een draagkrachtige motivering te voorzien, zal de rechtbank in de zaak voorzien door eisers bezwaar gegrond verklaren en te bepalen dat eisers verzoek om bij de vaststelling van zijn aanvullende beurs tot zijn 21e jaar geen rekening te houden met het inkomen van zijn vader wordt toegewezen op grond van artikel 11.5 van de Wsf.
11. De rechtbank herroept het primaire besluit van 16 oktober 2023 en bepaalt dat de minister bij de vaststelling van de aanvullende beurs tot eisers 21e jaar geen rekening houdt met het inkomen van eisers vader. Deze uitspraak treedt in de plaats van het vernietigde besluit. De minister zal eiser hierover met inachtneming van artikel 8:80 van Pro de Algemene wet bestuursrecht nader moeten informeren en uitvoering moeten geven aan deze uitspraak.
12. Omdat het beroep gegrond is moet de minister het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten.
13. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 2.534,- omdat de gemachtigde van eiser een bezwaarschrift heeft ingediend, een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het besluit van 7 augustus 2025;
  • herroept het besluit van 16 oktober 2023;
  • bepaalt dat de minister het inkomen van de vader van eiser buiten beschouwing laat bij het bepalen van de hoogte van de aanvullende beurs van eiser;
  • bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde besluit;
  • bepaalt dat de minister het griffierecht van € 53,- aan eiser moet vergoeden;
  • veroordeelt de minister tot betaling van € 2.534,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Wilpstra-Foppen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 15 april 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

6.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 18 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4492 onder 3 en 3.1.