Eiser, een student met studiefinanciering, verzocht de minister om bij de vaststelling van zijn aanvullende beurs geen rekening te houden met het inkomen van zijn vader tot zijn 21e jaar vanwege een ernstig en structureel conflict. De minister wees dit verzoek af en stelde dat eiser eerst een alimentatieprocedure moest starten. De rechtbank oordeelde in eerdere uitspraken dat de minister de afwijzing onvoldoende had gemotiveerd en gaf de minister de opdracht een nieuwe beslissing te nemen.
De minister nam op 7 augustus 2025 een nieuwe beslissing op bezwaar, waarin het bezwaar deels werd gegrond verklaard vanaf het 21e jaar van eiser, maar het inkomen van de vader voor de periode daarvoor werd meegenomen. De minister vond geen reden om de hardheidsclausule toe te passen en verwees naar het belang van een alimentatieprocedure. Eiser stelde dat dit onzorgvuldig was en dat het starten van een alimentatieprocedure het contactherstel met zijn vader zou belemmeren.
De rechtbank stelde vast dat de minister met het bestreden besluit geen gevolg gaf aan de onherroepelijke uitspraak van 26 juni 2025 en dat de motivering onvoldoende was. De rechtbank vernietigde het besluit van 7 augustus 2025, herroept het besluit van 16 oktober 2023 en bepaalt dat het inkomen van de vader buiten beschouwing wordt gelaten bij de aanvullende beurs tot het 21e jaar van eiser. Tevens veroordeelde de rechtbank de minister tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser.