Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:1574

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
15 april 2026
Zaaknummer
C/16/607433 / FV RK 26-509
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.3 WfzArt. 9:1 WvggzArt. 1.1 Wfz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing zorgmachtiging naast voorwaardelijk beëindigde TBS-maatregel

Betrokkene verblijft op grond van een voorwaardelijk beëindigde TBS-maatregel bij een kliniek. De officier van justitie verzoekt een zorgmachtiging voor zes maanden, gericht op het verzekeren van medicatietrouw, zonder opname als verplichte zorg.

De advocaat betoogt dat een zorgmachtiging niet naast een voorwaardelijk beëindigde TBS kan bestaan, terwijl de officier van justitie en psycholoog dit wel mogelijk achten. De psycholoog licht toe dat betrokkene de antipsychotica niet altijd correct innam, maar opname niet wordt verzocht.

De rechtbank oordeelt dat betrokkene vrijwillig verblijft en meewerkt aan medicamenteuze behandeling, waardoor niet wordt voldaan aan de criteria voor verplichte zorg. Juridisch wordt bevestigd dat een zorgmachtiging naast een voorwaardelijk beëindigde TBS kan bestaan, maar in deze situatie is het niet passend en zou het oneigenlijk zijn om de zorgmachtiging in te zetten om omzetting naar TBS met verpleging te voorkomen.

Daarom wijst de rechtbank het verzoek af. Tegen deze beschikking staat cassatie open.

Uitkomst: Het verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging naast de voorwaardelijk beëindigde TBS-maatregel wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Utrecht
Zaaknummer: C/16/607433 / FV RK 26-509
Datum uitspraak: 17 maart 2026
Beschikking zorgmachtiging
op het verzoek van de officier van justitie voor
[betrokkene],
geboren op [geboortedatum] 1979 in [geboorteplaats] ,
hierna: betrokkene,
wonende in [plaats 1] ,
verblijvende bij [Kliniek] , [locatie] in [plaats 2] ,
advocaat: mr. S.C. Sassen.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 24 februari 2026;
  • het e-mailbericht met bijlagen van de officier van justitie (mr. C. Poelmans) van 16 maart 2026;
  • het e-mailbericht met bijlagen van de advocaat (mr. S.C. Sassen) van 16 maart 2026.
1.2.
De zitting heeft plaatsgevonden op 16 maart 2026. Daarbij zijn gehoord:
- betrokkene, bijgestaan door zijn advocaat;
  • [A.] , psycholoog;
  • C. Poelmans, officier van justitie (telefonisch aanwezig).

2.Wat vaststaat

Betrokkene verblijft op grond van een voorwaardelijk beëindigde tbs-maatregel
bij [Kliniek] , [locatie] in [plaats 2] .

3.Het verzoek

De officier van justitie verzoekt de rechtbank een zorgmachtiging te verlenen voor de duur van zes maanden.

4.De beoordeling

4.1.
De advocaat pleit namens betrokkene voor afwijzing van het verzoek. Zij stelt dat het op grond van artikel 2.3, eerste lid, sub 7 en 8 van de Wet forensische zorg (hierna: Wfz) niet mogelijk is om een zorgmachtiging af te geven naast een voorwaardelijk beëindigde tbs-maatregel. Een zorgmachtiging kan volgens de advocaat pas afgegeven worden als de maatregel van terbeschikkingstelling wordt beëindigd.
4.2.
De officier van justitie stelt dat een zorgmachtiging wél naast een voorwaardelijk beëindigde tbs-maatregel kan bestaan, nu er bij de zorgmachtiging niet wordt verzocht om opname van betrokkene. Het toepassen van verplichte zorg (dwang) is niet mogelijk bij een voorwaardelijk beëindigde tbs-maatregel. Daarvoor is een zorgmachtiging nodig.
4.3.
De psycholoog verzoekt om de zorgmachtiging toe te wijzen. Zij verklaart dat betrokkene momenteel is opgenomen op grond van de voorwaardelijk beëindigde tbs-maatregel, omdat betrokkene de daaraan gestelde voorwaarden heeft overtreden. Hij heeft namelijk zijn antipsychotica niet altijd juist ingenomen. De zorgmachtiging is er voornamelijk op gericht te verzekeren dat betrokkene de benodigde medicatie inneemt. Opname als vorm van verplichte zorg wordt dan ook niet verzocht. Volgens de psycholoog kan er onder de titel van de voorwaardelijk beëindigde tbs-maatregel geen gedwongen medicatie worden toegediend.
4.4.
De rechtbank zal het verzoek tot het verlenen van de gevraagde zorgmachtiging afwijzen. Zij legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt.
4.5.
Blijkens de medische verklaring van 3 februari 2026 lijdt betrokkene aan een psychische stoornis. Er is namelijk sprake van schizofrenie en een stoornis in middelengebruik, waarbij het ernstig nadeel bestaat uit ernstig lichamelijk letsel, ernstige psychische schade en maatschappelijke teloorgang. Om het ernstig nadeel af te wenden heeft betrokkene zorg nodig. De rechtbank is echter van oordeel dat er mogelijkheden zijn voor passende zorg op vrijwillige basis.
4.6.
Betrokkene verblijft op grond van een voorwaardelijk beëindigde tbs-maatregel bij de [Kliniek] . In artikel 9:1 lid 2 van Pro de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (hierna: Wvggz) is bepaald dat een deel van de Wvggz van toepassing is op personen die met hun instemming in een Wvggz-accommodatie verblijven en die tevens forensisch patiënt in de zin van artikel 1.1 van de Wet forensische zorg zijn. Hiermee wordt blijkens de memorie van toelichting bij de tweede nota van wijziging van de Wvggz (hierna: de memorie van toelichting [1] ) gedoeld op personen aan wie bij de oplegging van hun (deels) voorwaardelijke straf of maatregel een behandeling in een accommodatie als voorwaarde bij hun straf is opgelegd. Personen met een opname in het kader van een voorwaardelijk beëindigde tbs-maatregel verblijven formeel dus vrijwillig in de accommodatie. Betrokkene verblijft momenteel dan ook vrijwillig bij de [Kliniek] en de (medicamenteuze) behandeling van zijn psychische stoornis geschiedt dan ook op vrijwillige basis.
4.7.
Uit het verzoek en de toelichting daarop van de psycholoog tijdens de mondelinge behandeling blijkt dat het verzoek tot het verlenen van de zorgmachtiging er voornamelijk op is gericht om te verzekeren dat betrokkene de benodigde medicatie inneemt. Opname en daarmee samenhangende vormen van verplichte zorg worden niet verzocht.
Uit de medische verklaring van 3 februari 2026 blijkt dat betrokkene met de behandelaren is overeengekomen een depot cisordinol te nemen, omdat hij graag terug wil naar de RIBW. Hij had daar ten tijde van het opstellen van de medische verklaring één dosis van gehad en voelde zich daardoor gedempt, maar dat vond hij niet erg. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de psycholoog toegelicht dat het voor betrokkene in de toekomst, wanneer hij weer bij de RIBW verblijft, makkelijker is om zijn medicatie te weigeren. Zij heeft echter ook verklaard dat betrokkene heeft ingestemd met het depot, maar het al snel niet fijn vond en vervolgens heeft ingestemd met zijn oude, orale medicatie. De rechtbank herleidt hieruit dat betrokkene op dit moment vrijwillig meewerkt aan de (medicamenteuze) behandeling. Gelet hierop is niet voldaan aan de criteria van verplichte zorg als bedoeld in de Wvggz. De rechtbank zal het verzoek afwijzen.
4.11
Ten aanzien van de discussie over de vraag of een voorwaardelijk beëindigde tbs-maatregel en een zorgmachtiging naast elkaar kunnen bestaan overweegt de rechtbank voor de volledigheid nog als volgt. De stelling van de advocaat dat een zorgmachtiging op grond van artikel 2.3, eerste lid, sub 7 en 8 Wfz uitsluitend afgegeven kan worden als de maatregel van terbeschikkingstelling wordt beëindigd, vindt naar het oordeel van de rechtbank geen steun in de wet. De in voornoemd artikel gegeven bepalingen geven slechts een bevoegdheid aan de strafrechter om een zorgmachtiging af te geven indien een maatregel van terbeschikkingstelling of een maatregel van terbeschikkingstelling waarvan de verpleging van overheidswege voorwaardelijk is beëindigd niet wordt verlengd. Daaruit volgt naar het oordeel van de rechtbank niet dat een zorgmachtiging niet kan bestaan naast een voorwaardelijk beëindigde tbs-maatregel. Daar komt bij dat uit voornoemde memorie van toelichting volgt dat voor een persoon die met zijn instemming in een accommodatie verblijft en die tevens forensisch patiënt is een zorgmachtiging moet worden aangevraagd, indien verplichte zorg noodzakelijk is. Een zorgmachtiging kan dus in bepaalde gevallen naast een voorwaardelijk beëindigde tbs-maatregel bestaan. Een ‘verplichte-zorg-titel’ zoals een zorgmachtiging staat echter op gespannen voet met de formeel vrijwillige opname tijdens de voorwaardelijk beëindigde tbs-maatregel. Betrokkene is dan immers kennelijk niet in staat of bereid zich te conformeren aan de voorwaarde ‘zorg’. Wanneer de zorgmachtiging uitsluitend wordt ingezet om omzetting naar tbs met verpleging te voorkomen is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van het op een oneigenlijke wijze inzetten van een zorgmachtiging. De rechtbank is dan ook van oordeel dat hiermee terughoudend moet worden omgegaan.

5.De beslissing

De rechtbank:
wijst het verzoek af.
Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2026 door mr. C.M.A.T. van der Geest, rechter, in aanwezigheid van R. Staal, griffier en op schrift gesteld op 23 maart 2026.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.

Voetnoten

1.Tweede Kamer, vergaderjaar 2015–2016, 32 399, nr. 25 (artikel 9:1). Zie ook Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 16 december 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:11771.