Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:1518

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
27 maart 2026
Publicatiedatum
14 april 2026
Zaaknummer
UTR 25/4941
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Regeling maatregelen rijvaardigheid en rijgeschiktheid 2011
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

CBR mag Educatieve Maatregel Gedrag en verkeer opleggen wegens gevaarlijk rijgedrag

Deze bestuursrechtelijke zaak betreft het besluit van het CBR om aan eiser een Educatieve Maatregel Gedrag en verkeer (EMG) op te leggen vanwege gevaarlijk rijgedrag op 17 maart 2025. Het CBR baseerde het besluit op een proces-verbaal waarin eiser werd geïdentificeerd als bestuurder van een Seat Ibiza die diverse verkeersovertredingen beging, waaronder het optrekken met piepende banden, rijden over een puntstuk, zijdelings verplaatsen zonder richting aan te geven en rijden met circa 170 km/u.

Eiser betwistte zijn rol als bestuurder en voerde aan dat hij niet degene was die reed, maar kon dit niet onderbouwen. De rechtbank oordeelde dat het CBR terecht mocht uitgaan van de juistheid van het proces-verbaal en dat de identificatie van eiser als bestuurder voldoende betrouwbaar was, mede gelet op de verklaring van de verbalisant en het aanvullende proces-verbaal.

De rechtbank verwierp ook de betwisting van de snelheid en de overige gedragingen, aangezien de verbalisant deze had vastgesteld tijdens een achtervolging. De sepot van de Mulder-boetes aan de leasemaatschappij en niet aan eiser, en het feit dat eiser niet wilde zeggen wie er wel reed, waren onvoldoende om twijfel te zaaien.

Gelet op deze feiten concludeerde de rechtbank dat het CBR terecht de EMG aan eiser heeft opgelegd. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard, met als gevolg dat eiser de cursus moet volgen en geen griffierecht of proceskostenvergoeding ontvangt.

Uitkomst: Het beroep van eiser tegen het opleggen van de EMG door het CBR wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/4941

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: H.A. Hussain),
en

de algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR)

(gemachtigde: mr. S. Sheikchote).

Inleiding

1. Deze uitspraak gaat over het besluit van het CBR om aan eiser een Educatieve Maatregel Gedrag en verkeer (EMG) op te leggen.
1.1.
Aan dat besluit heeft het CBR ten grondslag gelegd dat eiser als bestuurder van een Seat Ibiza (hierna: Seat) op 17 maart 2025 herhaaldelijk gedragingen heeft verricht als bedoeld in de bij de Regeling maatregelen rijvaardigheid en rijgeschiktheid 2011 (Regeling) behorende bijlage 1, onder A, onderdeel III. Die gedragingen bestonden uit het op de oprit van de A12 wegrijden met piepende banden, het rijden over een puntstuk, het zijdelings verplaatsen zonder richting aan te geven en het rijden met een snelheid van ongeveer 170 kilometer per uur. Met het bestreden besluit van 15 juli 2025 op het bezwaar van eiser is het CBR bij het opleggen van de EMG gebleven.
1.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.3.
Op 10 maart 2026 heeft eiser zijn gronden van beroep aangevuld.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 27 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het CBR.

Beoordeling door de rechtbank

2. In deze zaak gaat het om de vraag of het CBR terecht een EMG aan eiser heeft opgelegd. De rechtbank vindt dat dit zo is en geeft eiser daarom geen gelijk.
3. De bestuurder van de Seat is op 17 maart 2025 niet staande gehouden. De verbalisant heeft eiser geïdentificeerd op basis van een foto die negen dagen later is gemaakt toen eiser als bestuurder van de Seat staande is gehouden. Eiser betwist dat hij op 17 maart 2025 de bestuurder van de auto was.
4. De rechtbank stelt voorop dat het CBR in beginsel mag uitgaan van de juistheid van de bevindingen in een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt en ondertekend proces-verbaal, tenzij die bevindingen worden betwist en daardoor zodanige twijfel aan die bevindingen ontstaat dat die niet aan het besluit ten grondslag kunnen worden gelegd.
5. De rechtbank is van oordeel dat het CBR er gelet op het proces-verbaal van
27 maart 2025 en het aanvullende proces-verbaal van 15 september 2025 vanuit mocht gaan dat eiser de bestuurder was van de Seat op 17 maart 2025.
6. De rechtbank ziet in de omschrijving van de identificatie van eiser als bestuurder in het proces-verbaal geen tegenstrijdigheden. De verbalisant legt in het proces-verbaal uit dat hij naast de auto heeft gereden en dat hij daarbij diverse malen goed naar de bestuurder heeft kunnen kijken. Dat de beschrijving van de bestuurder van dat moment wat algemeen is, vindt de rechtbank gelet op het feit dat dit tijdens een achtervolging op hoge snelheid werd geconstateerd, niet onbegrijpelijk. De verbalisant verklaart vervolgens, op basis van foto’s die negen dagen daarna zijn gemaakt toen eiser in dezelfde Seat staande werd gehouden tijdens een controle, dat hij eiser herkent als de bestuurder van 17 maart 2025. De rechtbank heeft geen aanleiding om aan deze identificatie te twijfelen. Het aanvullend proces-verbaal van 5 september 2025 waarin de verbalisant enkele zaken opheldert over de identificatie bevestigt dat oordeel. Daarbij vindt de rechtbank van belang dat verbalisanten gelet op hun training voldoende in staat zijn om te observeren en registreren en dat zij geen belang hebben bij onjuistheden in een proces-verbaal. [1] In het aanvullend proces-verbaal verklaart de verbalisant daarover dat hij geoefend is in het onthouden van gezichtskenmerken en gezichten in het algemeen. Eiser heeft gewezen op het risico van een
confirmation biasbij de verbalisant. De rechtbank ziet geen reden om de conclusie te trekken dat de identificatie van eiser het gevolg is van een dergelijk vooroordeel.
7. Wat eiser aanvoert vindt de rechtbank onvoldoende om te twijfelen aan de identificatie. Eiser heeft op de zitting verklaard dat hij niet wil zeggen wie er volgens hem die dag in de auto heeft gereden omdat hij niemand wil verklikken. De rechtbank begrijpt die keuze, maar die keuze betekent ook dat eisers verklaring dat een ander gereden heeft geen aanleiding geeft om te twijfelen aan de identificatie. Ook de verklaring van eiser dat hij op het moment van de achtervolging bij zijn vader was weegt niet op tegen de bewijskracht die van het proces-verbaal uitgaat. Ook het feit dat de Mulder-boetes van de overtredingen zijn geseponeerd, legt onvoldoende gewicht in de schaal. De auto werd door de werkgever van een vriendin van eiser geleased van een leasemaatschappij. De boetes zijn niet aan eiser opgelegd maar aan de leasemaatschappij en het is niet duidelijk geworden waarom deze boetes zijn geseponeerd.
8. De rechtbank concludeert dat voldoende zekerheid bestaat dat eiser de bestuurder van de auto was.
9. De rechtbank is verder van oordeel dat het CBR uit het proces-verbaal heeft kunnen afleiden dat de daarin beschreven overtredingen door eiser zijn begaan. Tegen het met piepende banen optrekken, over het puntvak rijden en het van rijstrook wisselen zonder richtingaanwijzer heeft eiser geen gronden aangevoerd. Voor zover eiser betwist dat de verbalisant heeft vastgesteld dat er (ongeveer) 170 kilometer per uur is gereden, volgt de rechtbank hem daarin niet. De verbalisant heeft in het proces-verbaal opgenomen dat hij naast de Seat is gaan rijden en dat hij de auto kon bijhouden toen hij zelf ongeveer 170 kilometer per uur reed volgens de snelheidsmeter. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan deze observatie van de verbalisant te twijfelen. Dat het betreffende model Seat een maximumsnelheid heeft van rond de 182 kilometer per uur maakt verder niet dat deze observatie niet juist kan zijn. De beroepsgronden slagen niet.
10. Gelet op het voorgaande heeft het CBR naar het oordeel van de rechtbank kunnen concluderen dat eiser als bestuurder van een auto op 17 maart 2025 herhaaldelijk gedragingen heeft verricht als bedoeld in de bij de Regeling maatregelen rijvaardigheid en rijgeschiktheid 2011 (Regeling) behorende bijlage 1, onder A, onderdeel III. Het CBR was daarom gehouden om aan eiser een EMG op te leggen.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat hij de cursus EMG zal moeten volgen. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
11. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2026 door mr. J.J. Catsburg, rechter, in aanwezigheid van mr. B.L. Kosterman-Meijer, griffier.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie onder andere de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van