Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:1486

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
1 april 2026
Publicatiedatum
13 april 2026
Zaaknummer
11880238 \ UC EXPL 25-7211
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 Personeelswet PTTArt. J13 ABP-wetArt. F7c ABP-wetArt. 6:89 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vorderingen PTT-werkneemsters inzake pensioenvermindering en samenlooptoeslag na privatisering

De PTT-werkneemsters, voormalige werknemers van PTT en haar rechtsopvolgers, vorderden een verklaring voor recht en betaling van vermeende achterstallige pensioenaanspraken en samenlooptoeslag. Zij stelden dat hun pensioenaanspraken bij de pensioenfondsen PostNL en KPN onterecht waren verminderd en dat zij recht hadden op een samenlooptoeslag op grond van de ABP-wet en het Overgangsreglement.

De fondsen voerden verweer dat zij de overgangsregeling correct hadden toegepast en dat de gelijkwaardigheid van pensioenaanspraken alleen op de overgangsdatum (1 januari 1989) geldt. Tevens werd een beroep gedaan op schending van de klachtplicht vanwege het late tijdstip van de klachten.

De rechtbank oordeelde dat de klachtplicht niet was geschonden omdat de PTT-werkneemsters pas recentelijk de gevolgen van de pensioenregeling volledig konden overzien. De rechtbank stelde vast dat de wettelijke gelijkwaardigheidsgarantie ziet op de situatie op de overgangsdatum en niet op voortdurende gelijkwaardigheid. De vermeende 'Vermindering Vrouw' was geen onrechtmatige vermindering maar onderdeel van een systematiek waarbij een garantietoeslag werd afgebouwd naarmate het ouderdomspensioen toenam.

De samenlooptoeslag kwalificeert niet als ouderdomspensioen en het niet-uitkeren daarvan is niet in strijd met het Overgangsreglement of de Personeelswet PTT. De vorderingen werden afgewezen en de PTT-werkneemsters werden veroordeeld in de proceskosten en wettelijke rente.

Uitkomst: De vorderingen van de PTT-werkneemsters worden afgewezen en zij worden veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 11880238 \ UC EXPL 25-7211
Vonnis van 1 april 2026
in de zaak van

1.[eiseres sub 1] ,

wonende te [woonplaats 1] ,
2.
[eiseres sub 2],
wonende te [woonplaats 2] ,
3.
[eiseres sub 3],
wonende te [woonplaats 3] ,
eisende partijen,
gemachtigde: mr. T. Huijg,
tegen
1. de stichting
STICHTING PENSIOENFONDS POSTNL,
gevestigd te Driebergen-Rijsenburg,
2. de stichting
STICHTING PENSIOENFONDS KPN,
gevestigd te Amersfoort,
gedaagde partijen,
gemachtigden: mr. S.H. Kuiper en mr. C.J. Gerritsen.
Hierna zal de kantonrechter eisende partijen samen noemen: ‘de PTT-werkneemsters’ en afzonderlijk noemen: ‘ [eiseres sub 1] ’ ( [.] ), ‘ [eiseres sub 2] ’ en ‘ [eiseres sub 3] ’.
De gedaagde partijen zal de kantonrechter hierna samen noemen: ‘de fondsen’ en afzonderlijk ‘pensioenfonds PostNL’ en ‘pensioenfonds KPN”.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de beide dagvaardingen en de akte overleggen producties van de PTT-werkneemsters met
10 producties
- de conclusie van antwoord met 4 producties
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
- de aktes overleggen producties van de PTT-werkneemsters van 3 februari 2026 en
12 februari 2026 met 6 aanvullende producties
- de mondelinge behandeling van 13 februari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Op 13 februari 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. [eiseres sub 1] , [eiseres sub 2] en [eiseres sub 3] waren aanwezig, bijgestaan door mr. Huijg, de gemachtigde. Namens de fondsen waren aanwezig [A] , werkzaam bij pensioenfonds PostNL en [B] , werkzaam bij pensioenfonds KPN, bijgestaan door mr. Kuiper en mr. Gerritsen, de gemachtigden. Ook was voor de fondsen aanwezig
[C] , werkzaam bij TKP, pensioenuitvoerder van de fondsen.
1.3.
Daarna is vonnis bepaald.

2.De kern van de zaak

2.1.
De PTT-werkneemsters hebben gewerkt bij PTT en haar rechtsopvolgers. De PTT-werkneemsters hebben tijdens hun aanstelling bij PTT pensioen opgebouwd bij het Algemeen burgerlijk pensioenfonds (ABP). Na de privatisering van PTT hebben de fondsen de pensioenuitvoering van ABP overgenomen. Volgens de PTT-werkneemsters hebben de fondsen geen rekening gehouden met hun hogere pensioenaanspraak bij ABP en hun ABP-pensioen ten onrechte verminderd en hebben de fondsen hen ten onrechte ook geen samenlooptoeslag uitgekeerd, terwijl zij op grond van de ABP-wet daar wel recht op hebben. De PTT-werkneemsters stellen dat de fondsen hiermee in strijd met de wettelijke gelijkwaardigheidsgarantie en het Overgangsreglement handelen. De fondsen zijn het daarmee niet eens. Volgens de fondsen hebben zij na de overname van de pensioenuitvoering de overgangsregeling op een juiste wijze uitgelegd en uitgevoerd. Ook vinden de fondsen dat de PTT-werkneemsters hierover te laat hebben geklaagd.

3.De achtergrond van de zaak

De dienstverbanden en de pensioenen van de PTT-werkneemsters
3.1.
[eiseres sub 1] is op 8 oktober 1973 (of volgens de fondsen op 1 mei 1976) in dienst getreden bij toenmalig Staatsbedrijf der Posterijen, Telegrafie en Telefonie (hierna: ‘PTT’) en in november 2008 uit dienst getreden bij PostNL, rechtsopvolger van PTT. [eiseres sub 1] is gepensioneerd en ontvangt pensioen van pensioenfonds PostNL. [eiseres sub 3] is op
1 september 1973 in dienst getreden bij PTT en op 1 januari 2015 (of volgens de fondsen op 31 december 2006) uit dienst getreden bij KPN, een andere rechtsopvolger van PTT. [eiseres sub 3] is gepensioneerd en ontvangt pensioen van pensioenfonds KPN.
[eiseres sub 2] is op 1 mei 1988 in dienst getreden bij PTT en is op 1 maart 2011 uit dienst getreden bij PostNL. [eiseres sub 2] heeft de pensioengerechtigde leeftijd nog niet bereikt. Zij heeft pensioen opgebouwd bij pensioenfonds PostNL.
Privatisering PTT en gevolgen voor de pensioenuitvoering
3.2.
De PTT-werkneemsters bouwden tot 1 januari 1989 pensioen op bij ABP volgens de ABP-wet. Als gevolg van het privatiseren van PTT per 1 januari 1989 kregen de PTT-werkneemsters vanaf die datum een privaatrechtelijke dienstbetrekking met PTT Nederland N.V. Omdat PTT werd geprivatiseerd zijn de pensioenaanspraken van de PTT-werkneemsters per 1 januari 1989 overgedragen aan de Stichting Bedrijfspensioenfonds PTT Nederland (hierna ook: pensioenfonds PTT). Daarbij zijn de aanspraken van de PTT-werkneemsters op het ABP komen te vervallen. Dit volgt uit artikel 5 van Pro de Personeelswet PTT Nederland NV (hierna: de Personeelswet PTT). In plaats daarvan verkreeg het PTT-personeel aanspraken jegens een door NV PTT aan te wijzen pensioenfonds (Stichting Bedrijfspensioenfonds PTT Nederland (hierna pensioenfonds PTT)), die in totaliteit in elk geval gelijkwaardig zijn aan de aanspraken die zij op de laatste dag van de kalendermaand voorafgaand aan de overgangsdatum hadden jegens ABP. In 1998 is PTT Nederland N.V. opgesplitst in twee afzonderlijke ondernemingen, TNT Post (thans Post NL) en KPN. Uit de Stichting Bedrijfspensioenfonds PTT Nederland zijn daardoor twee aparte pensioenfondsen ontstaan, met de huidige namen ‘pensioenfonds PostNL’ en ‘pensioenfonds KPN’.
Pensioenreglement en Overgangsreglement Stichting bedrijfspensioenfonds PTT Nederland
3.3.
De uitvoering van de pensioenopbouw- en aanspraken is geregeld in het Pensioenreglement van de Stichting bedrijfspensioenfonds PTT Nederland van mei 1989 [1] (hierna: Pensioenreglement 1989). Voor de voormalige werknemers van staatsbedrijf PTT geldt ook het ‘Reglement overgangsregelingen Stichting Bedrijfspensioenfonds PTT Nederland [2] ’ (hierna: het Overgangsreglement), onderdeel van het Pensioenreglement 1989. In het Overgangsreglement is geregeld op welke wijze de bij ABP opgebouwde pensioenrechten worden omgezet naar rechten bij het pensioenfonds PTT.
Inbouw AOW voor een gehuwde vrouw bij ABP
3.4.
Bij de pensioenopbouw wordt rekening gehouden met het feit dat een werknemer na zijn of haar pensioneren AOW krijgt, waardoor een werknemer bij de pensioenopbouw over het AOW-gedeelte (de AOW-inbouw) geen pensioen opbouwt. De PTT-werkneemsters zijn gehuwde vrouwen. ABP hanteerde tot 1986 voor gehuwde vrouwen een lagere AOW-inbouw voor ongehuwden, waardoor vrouwelijke werkneemsters bij ABP tot die tijd een hoger pensioen opbouwden dan gehuwde mannen [3] .
Samenlooptoeslag
3.5.
Op grond van gelijke behandelingsvoorschriften werd de AOW in 1985 geïndividualiseerd en daarmee kregen gehuwden en daarmee gelijkgestelde partners ieder een zelfstandig recht op een AOW-uitkering van 50%. Gehuwde deelnemers, die beiden pensioen opbouwden konden nadeel ondervinden van dit gedifferentieerde franchisesysteem. Het ABP voorzag daarom in een tegemoetkoming door middel van een Samenlooptoeslag [4] . Deze toeslag kon tot uitkering komen op het moment dat de deelnemer de pensioengerechtigde leeftijd bereikte, mits werd voldaan aan een aantal voorwaarden.
Informatie over de pensioenaanspraken
3.6.
ABP en pensioenfonds PTT hebben de PTT-werkneemsters in 1990 en in 1991 brieven gestuurd over de opbouw van hun pensioenaanspraken [5] . Bij de brief van mei/juni 1991 heeft het pensioenfonds PTT de PTT-werkneemsters laten weten dat haar eerdere opgave van december 1990 niet juist is en hen een gecorrigeerde opgave verstrekt. Volgens die correctie hebben de PTT-werkneemsters naast hun aanspraak op ouderdomspensioen (en voor [eiseres sub 1] en [eiseres sub 3] op emolumentenpensioen) ook aanspraak op een jaarlijkse garantietoeslag uit hoofde van een garantieregeling. Uit de brieven die het pensioenfonds PTT daarna jaarlijks aan de PTT-werkneemsters heeft toegestuurd blijkt dat hun aanspraak op de garantieslag jaarlijks afnam, tot uiteindelijk 0 Nederlandse gulden (NLG) en dat hun ouderdomspensioen jaarlijks toenam. Dat was op 1 januari 1995 voor [eiseres sub 2] , op 1 januari 1997 voor [eiseres sub 3] en op 1 januari 1998 voor [eiseres sub 1] [6] .
De melding van de PTT-werkneemsters bij de fondsen en reactie van de fondsen
3.7.
De PTT-werkneemsters hebben de fondsen op 27 december 2024 bij email van hun gemachtigde verweten dat hun ABP-pensioen in strijd met de Personeelswet voor een aanzienlijk deel is verminderd en dat zij niet krijgen waarop zij recht hebben op grond van het pensioenreglement. De fondsen hebben daarop bij brief van 9 januari 2025 gereageerd en daarin uitgelegd waarom deze verwijten volgens hen niet kloppen.
De vordering
3.8.
De PTT-werkneemsters vorderen - samengevat -:
een verklaring voor recht dat de eis van gelijkwaardigheid uit artikel 5 lid 1 Personeelswet Pro PTT inhoudt dat die gelijkwaardigheid er niet alleen op 1 januari 1989, maar ook daarna nog moet zijn;
een verklaring voor recht dat het door de fondsen niet of niet geheel uitkeren aan de PTT-werkneemsters van:
de Vermindering Vrouw en
de verhogingen die de fondsen over de Vermindering Vrouw hebben toegekend en
de Samenlooptoeslag,
in strijd is met artikel 5 lid 1 Personeelswet Pro PTT en/of het Pensioenreglement 1989 en/of het Overgangsreglement;
3) de fondsen te verplichten aan de PTT-werkneemsters uit te keren:
de Vermindering Vrouw inclusief de verhogingen die het desbetreffende fonds generiek heeft toegekend met terugwerkende kracht vanaf de pensioeningangsdatum en
de Samenlooptoeslag met terugwerkende kracht vanaf de pensioeningangsdatum en
de wettelijke rente vanwege het niet tijdig uitkeren van deze Vermindering Vrouw, de verhogingen en de Samenlooptoeslag,
4) de fondsen te veroordelen in de buitengerechtelijke kosten en de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.9.
De PTT-werkneemsters leggen aan de vordering het volgende ten grondslag. De fondsen handelen in strijd met de gelijkwaardigheidsgarantie in de Personeelswet PTT en in strijd met waar de PTT-werkneemsters recht op hebben onder het Pensioenreglement 1989 en het Overgangsreglement. Op grond van artikel 5 Personeelswet Pro PTT moeten de aanspraken die een deelnemer aan het pensioenfonds PTT op 1 januari 1989 heeft, in totaliteit gelijkwaardig zijn aan de aanspraken die de deelnemer had ten opzichte van het ABP. ABP hanteerde tot 1986 een lagere AOW-inbouw voor vrouwelijke PTT-werknemers. De fondsen negeren deze systematiek door met terugwerkende kracht uit te gaan van een hoger AOW-inbouwbedrag. Daardoor krijgen de PTT-werkneemsters voor hun opbouwjaren tot 1986 minder ouderdomspensioen dan wat zij op 31 december 1988 bij ABP hadden opgebouwd. Dit is terug te zien op de jaarlijkse pensioenoverzichten die de PTT-werkneemsters van pensioenfonds PTT hebben ontvangen. De daarop vermelde ‘jaarlijkse toeslag garantietoeslag’ is vanaf 1991 elk jaar verlaagd tot uiteindelijk 0 NLG in 1998. De afname van deze toeslag, waarvan de aanvangshoogte op 1 januari 1989 per PTT-werkneemster verschilde (NLG 804, NLG 1.541 en NLG 562), noemen de
PTT-werkneemsters de ‘Vermindering Vrouw’.
3.10.
Daarnaast hadden de PTT-werkneemsters op grond van de artikelen J14 lid 6 en/of J15 lid 6 ABP-wet (vóór 1986) en op grond van artikel F7c ld 1 ABP-wet (van 1986 tot en met 1988) voor ieder (samenvallend) dienstjaar met hun echtgenoot die over dezelfde periode ook pensioen opbouwde, aanspraak op de Samenlooptoeslag. De fondsen keren deze Samenlooptoeslag ten onrechte niet uit terwijl de PTT-werkneemsters daarvoor wel aan de voorwaarden voldoen. De Samenlooptoeslag is ook een opgebouwd ouderdomspensioen in de zin van artikel VI lid 2 sub a en b van het Overgangsreglement en had als emolumentenpensioen uitgekeerd moeten worden, voor zover de
PTT-werkneemsters aan de voorwaarden van artikel F7c lid 1 ABP-wet voldoen. Door de Samenlooptoeslag niet uit te keren is de waarde van de pensioenaanspraken van de
PTT-werkneemsters ook afgenomen.
Het verweer
3.11.
De fondsen voeren verweer. De fondsen voeren aan dat zij hebben gehandeld in overeenstemming met de gelijkwaardigheidseis van artikel 5 van Pro de Personeelswet PTT. De gelijkwaardigheid moet volgens de fondsen worden beoordeeld op de overgangsdatum. Er is volgens de fondsen geen ABP-pensioen verminderd. In het Overgangsreglement wordt in artikel IV lid 2 bij de rekengrootheid “ABP-ouderdomspensioen” voor iedereen rekening gehouden met de AOW-inbouw voor een gehuwde. Hiermee wordt niet de AOW-inbouw voor een gehuwde vrouw bedoeld, zoals de PTT-werkneemsters stellen. Het Overgangsreglement zorgt er via de minimumgarantie (de ABP-garantie, artikel VI) voor dat het pensioen dat door de fondsen wordt uitgekeerd, niet lager is dan het daadwerkelijk bij ABP opgebouwde pensioen op 31 december 1988. Daarmee is het pensioen in totaliteit gelijkwaardig volgens de Personeelswet PTT. De systematiek van het Overgangsreglement is logisch en consistent. De samenlooptoeslag vormde geen pensioenaanspraak ten opzichte van ABP op 31 december 1988.
3.12.
Daarnaast doen de fondsen een beroep op schending van de klachtplicht door de PTT-werkneemsters. De fondsen wijzen erop dat het Overgangsreglement al meer dan
35 jaar van toepassing is en dat de PTT-werkneemsters in juni 1991 de gecorrigeerde pensioenopgaven hebben ontvangen waarin het Overgangsreglement werd toegelicht. Door het zeer late tijdstip waarop de PTT-werkneemsters hun bezwaren hebben geuit, worden de fondsen beperkt om adequaat verweer te kunnen voeren.

4.De beoordeling

Samenvatting
4.1.
Voorop wordt gesteld dat deze kwestie weerbarstig is. In dit vonnis is getracht uit te leggen waarom de stellingen van de PTT-werkneemsters niet opgaan. Dit vonnis pretendeert niet volledig te zijn, omdat de grote hoeveelheid argumenten van de werkneemsters niet altijd goed te volgen en om deze reden ook moeilijk te beoordelen zijn. De belangrijkste conclusie is dat er geen sprake is van “Vermindering Vrouw’ zoals de gemachtigde van de PTT-werkneemsters stelt. Om deze reden worden de vorderingen van de PTT-werkneemsters afgewezen. Omdat de PTT-werkneemsters geen gelijk krijgen moeten zij de proceskosten van de fondsen betalen. Hieronder wordt een en ander toegelicht.
De klachtplicht is niet geschonden
4.2.
De fondsen hebben een beroep gedaan op de klachtplicht [7] omdat de
PTT-werkneemsters veel eerder bezwaar hadden kunnen maken tegen de toegezonden pensioenopgaven. De kantonrechter is van oordeel dat de PTT-werkneemsters hun bezwaren tegen de berekening van hun pensioenaanspraken niet te laat bij de fondsen hebben gemeld. De PTT-werkneemsters baseren hun vordering op de berekening van hun pensioenaanspraken in de gecorrigeerde opgaven uit juni 1991 en de pensioenoverzichten die daarna jaarlijks aan hen zijn verstrekt. Pas in december 2024 hebben de
PTT-werkneemsters zich bij de fondsen beklaagd over de hoogte van hun pensioen. Tussen de gecorrigeerde opgaven uit 1991 en de melding ligt een periode van meer dan 33 jaar. Hoewel dit een zeer lange periode is, kon van de PTT-werkneemsters niet worden verwacht dat zij de wijze waarop de fondsen de Personeelswet PTT en het Overgangsreglement toepassen, volledig konden begrijpen en dat zij in 1991 de gevolgen daarvan al konden overzien. Daar komt bij dat de informatiebrieven die zij destijds ontvingen bepaald niet uitblonken in helderheid. Dat dit gebrek aan helderheid ook geldt voor toepasselijke wet- en regelgeving blijkt ook al uit het feit dat partijen in deze procedure ieder hun eigen interpretatie hebben. Nadat omroep MAX in 2024 in een tv-uitzending aandacht had besteed aan de pensioenopbouw van de ex PTT-werkneemsters, hebben zij eind december 2024 bij de fondsen geklaagd. In het licht van de geschetste feiten en omstandigheden is dat tijdig, zodat de PTT-werkneemsters de klachtplicht niet hebben geschonden.
Geen gelegenheid om nog schriftelijk te reageren
4.3.
Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van de PTT-werkneemsters verzocht om nog schriftelijk te mogen reageren op de producties van de fondsen. De kantonrechter wijst dit verzoek af omdat de PTT-werkneemsters voldoende gelegenheid hebben gehad om op de producties van de fondsen te reageren. De fondsen hebben 4 producties overgelegd, die bij de conclusie van antwoord op 12 oktober 2025 zijn ingediend. Partijen zijn bij brief van
5 december 2025 uitgenodigd voor de zitting die op 13 februari 2026 heeft plaatsgevonden. Tussen de uitnodiging voor de zitting en de zittingsdatum is voldoende tijd geweest voor de partijen om de zitting te kunnen voorbereiden. Tijdens de zitting heeft de kantonrechter beide partijen ruim de gelegenheid gegeven hun standpunten mondeling toe te lichten en op elkaars standpunten en processtukken, waaronder ook de producties van de fondsen, te reageren. Beide partijen hebben hun standpunten dan ook voldoende over het voetlicht kunnen brengen. Voor de beoordeling van de zaak acht de kantonrechter het niet noodzakelijk dat de PTT-werkneemsters op deze producties nog schriftelijk reageren. Hierbij speelt een rol dat de door de fondsen ingediende producties geen zwaarwegende rol spelen bij de beoordeling. De PTT-werkneemsters worden dan ook niet benadeeld wanneer zij niet meer schriftelijk mogen reageren.
De Vermindering Vrouw is niet in strijd met de wettelijke gelijkwaardigheidsgarantie
4.4.
In artikel 5 lid 1 van Pro de Personeelswet PTT staat:
‘Met ingang van de overgangsdatum verkrijgt een personeelslid met wie een arbeidsovereenkomst als bedoeld [..], is gesloten, aanspraken jegens een door de NV PTT aan te wijzen instelling als bedoeld in [..], die in totaliteit in elk geval gelijkwaardig zijn aan die welke dit personeelslid op de laatste dag van de kalendermaand voorafgaand aan de overgangsdatum heeft jegens het Algemeen burgerlijk pensioenfonds krachtens de Algemene burgerlijke pensioenwet (
Stb.1986, 540) en neemt de aangewezen instelling de daarmee verband houdende verplichtingen op zich.’
4.5.
Uit de tekst van artikel 5 lid 1 Personeelswet Pro PTT volgt dat een personeelslid van de PTT op 1 januari 1989 aanspraken krijgt jegens het pensioenfonds PTT die in totaliteit gelijkwaardig zijn aan de aanspraken die het personeelslid op 31 december 1988 jegens het ABP had. Gelet op deze formulering moet de wettelijke gelijkwaardigheidsgarantie beoordeeld worden op de overgangsdatum, 1 januari 1989, zoals de fondsen hebben aangevoerd. Dit is in lijn met de wetsgeschiedenis [8] van artikel 5 Personeelswet Pro PTT, waarin hierover het volgende is opgemerkt:
Nota naar aanleiding van het eindverslag aan de Tweede Kamer, nr. 219b, p. 3-4:(..) “Allereerst is van belang dat de garanties uit de Personeelswet zijn
toegesneden op de situatie van het moment van overgangnaar de private sector. Dit geldt ook ten aanzien van de pensioengarantie.
(..)
Gezien het vorenstaande is duidelijk dat van een “levenslange” garantie in de breedste zin ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden niet kan worden gesproken(cursief ktr). Een dergelijke garantie is ook nimmer beoogd.”
4.6.
Uit de tekst van artikel 5 lid 1 Personeelswet Pro PTT en het hiervoor aangehaalde antwoord van de regering in de Nota aan de Tweede Kamer, blijkt duidelijk dat de gelijkwaardigheidsgarantie ziet op de pensioenaanspraken op 1 januari 1989, maar niet geldt voor onbepaalde tijd daarna.
4.7.
De PTT-werkneemsters stellen dat de woorden ‘Met ingang van’ aan het begin van artikel 5 lid 1 Personeelswet Pro PTT wijzen op een voortdurende verplichting om een aan het ABP-pensioen gelijkwaardig pensioen uit te keren voor de opbouwperiode tot 1989. De fondsen stellen dat de volledige zinsstructuur van dit artikel aantoont dat het gaat om gelijkwaardigheid op de laatste dag van de kalendermaand voorafgaand aan de overgangsdatum, wat in lijn is met de wetsgeschiedenis. De kantonrechter volgt deze stelling van de fondsen. Ook al staat aan het begin van artikel 5 lid 1 Personeelswet Pro PTT ‘Met ingang van’, uit het tweede deel van dit artikel, vanaf de woorden ‘die in totaliteit in elk geval gelijkwaardig zijn’ blijkt dat de gelijkwaardigheidsgarantie op 1 januari 1989 geldt voor de aanspraken
op31 december 1988 en niet op een voortdurende gelijkwaardigheidsgarantie. Dit volgt ook uit de hiervoor geciteerde passage uit de Nota aan de Tweede Kamer.
4.8.
Anders dan de PTT-werkneemsters stellen, is de afname van de tijdelijke aanvulling van het PTT-pensioen, zolang het ABP-niveau op 31 december 1988 nog niet is gehaald (‘de ABP-garantie’), niet hetzelfde als het ‘verminderen’ van pensioen. Zoals in de conclusie van antwoord (pt 51) is toegelicht, kende het PTT-fonds een eigen reglement en is de totale pensioenaanspraak van de PTT-werkneemsters, zoals ook uit hun eigen overzichten [9] blijkt, niet afgenomen, maar toegenomen. Verder blijkt zowel uit de bewoordingen van artikel 5 lid 1 Personeelswet Pro PTT als uit de wetsgeschiedenis dat het gaat om aanspraken die ‘in totaliteit’ gelijkwaardig zijn en dat een toeslag zal moeten worden ‘inverdiend’ en dus eindig zal moeten zijn. Zie hiervoor de Memorie van Antwoord (MvA) [10] , nr. 6, pagina 3:
“Kern van de Personeelswet is dat de betreffende garanties zien op de situatie zoals die is op de laatste dag van de kalendermand voorafgaand aan de datum van overgang.
Het niveau van het op die datum geldende arbeidsvoorwaardenpakket, inclusief de pensioenvoorziening, wordt gegarandeerd(cursief ktr)
.Ontwikkelingen die zich na die datum in de ambtelijke arbeidsvoorwaarden voordoen, hebben hierop geen invloed. (..) Op het moment van overgang prevaleert het tweede uitgangspunt op grond waarvan aan een grote groep zittende personeelsleden een toeslag op de marktconforme arbeidsvoorwaarden zal worden toegekend. Uiteindelijk zal deze toeslag moeten worden inverdiend omdat het uitgangspunt is dat eventuele overgangsmaatregelen in de tijd eindig moeten zijn. De wijze en het tempo waarop afbouw c.q. beëindiging plaatsvindt, zal steeds onderwerp van CAO-overleg zijn.”
en op pagina 5:
(..) De pensioenregeling voor de zittende personeelsleden zal - al dan niet middels aanvullende regeling op een marktconforme pensioenregeling voor nieuwe personeelsleden -
in totaliteit gelijkwaardig dienen te zijn aan de wettelijke aanspraken die op het moment voor de overgang jegens het Abp bestaan(cursief ktr). (..)”,
Zie ook de Memorie van Toelichting (Mvt), nr. 3, op pagina 6:
“De aanspraken die het personeel verkrijgt jegens het pensioenfonds zullen in elk geval in totaliteit gelijkwaardig zijn aan de wettelijke aanspraken die op de laatste dag van de kalendermaand voorafgaand aan de overgangsdatum jegens het Algemeen burgerlijk pensioenfonds bestonden.”
4.9.
De garantietoeslag en de opbouw van het ouderdomspensioen waren in feite communicerende vaten. De fondsen hebben dan ook met het toekennen en vervolgens jaarlijks verlagen van de garantietoeslag en tegelijkertijd verhogen van het ouderdomspensioen niet in strijd met de wettelijke gelijkwaardigheidsgarantie gehandeld. De garantietoeslag zorgde ervoor dat de aanspraken die de PTT-werkneemsters op
31 december 1988 jegens het ABP hadden gehandhaafd bleven, totdat het ouderdomspensioen het ABP- niveau had bereikt. Daarna was de toeslag niet meer nodig.
De samenlooptoeslag
4.10.
Over het niet-uitkeren van de samenlooptoeslag hebben de fondsen toegelicht dat de Personeelswet PTT geen onverkorte aanspraak geeft op samenlooptoeslag en dat in het Overgangsreglement met de ABP-garantie is voorzien in het niet tot uitkering komen van de samenlooptoeslag. Verder hebben de fondsen gewezen op een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 24 maart 2020 [11] waarin al eerder is geoordeeld dat
PTT-deelnemers aan de tekst van de Personeelswet en het Overgangsreglement geen aanspraak op een samenlooptoeslag kunnen ontlenen. De gemachtigde van de PTT-werkneemsters heeft tijdens de zitting gesteld dat hun argumenten in deze procedure niet in het genoemde arrest zijn meegewogen. Wat hier verder ook van zij, naar de kantonrechter begrijpt zijn de PTT-werkneemsters van mening [12] dat ‘het niet-uitkeren van de samenlooptoeslag in strijd is met artikel 5 lid 1 Personeelswet Pro PTT’. Uit r.o. 5.1 van het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden blijkt echter dat dit argument wel is beoordeeld. De kantonrechter ziet geen aanleiding om hierover anders te oordelen dan het hof
Arnhem-Leeuwarden. De samenlooptoeslag was geen pensioenaanspraak jegens ABP maar een vorm van compensatie voor de destijds gehanteerde AOW-inbouw voor gehuwde vrouwen. Uit een brief van het ABP aan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 15 oktober 2024 [13] blijkt dat voor de samenlooptoeslag bij de overdracht aan het pensioenfonds PTT door het ABP geen waarde is overgedragen. Verder blijkt uit artikel
VI lid 6 van het Overgangsreglement dat voor de vaststelling van de in lid 2 van dat artikel genoemde pensioenen, het ouderdomspensioen, rekening moet worden gehouden met de samenlooptoeslag (artikel F7c van de APW-wet). De fondsen wijzen er terecht op dat als de samenlooptoeslag onderdeel zou uitmaken van het ouderdomspensioen, lid 6 van artikel
VI Overgangsreglement overbodig zou zijn geweest. Uit de systematiek van het Overgangsreglement volgt daarom dat de samenlooptoeslag ook bij pensioenfonds PTT en de huidige fondsen niet kwalificeert als ouderdomspensioen.
4.11.
De PTT-werkneemsters hebben op de zitting ook gewezen op de informatie op de website van ABP (productie 16), waaruit volgens hen blijkt dat ABP nog steeds de Vermindering Vrouw en de Samenlooptoeslag toekent. De fondsen betwisten niet dat het nog steeds mogelijk is een aanvraag te doen bij ABP voor de samenlooptoeslag en een aanvulling voor een gehuwde vrouw voor 1 januari 1986, maar hebben erop gewezen dat zij hun eigen reglement moeten toepassen, waarin andere aanspraken zijn opgenomen. Gelet op het bepaalde in artikel 5 lid 1 Personeelswet Pro PTT zijn de aanspraken van de PTT-werkneemsters op het ABP vervallen. De fondsen hebben als taak het Overgangsreglement uit te voeren, waarin de aanvulling voor een gehuwde vrouw vóór 1986 en de samenlooptoeslag niet als afzonderlijke aanspraken zijn opgenomen.
De Vermindering Vrouw is ook niet in strijd met het Overgangsreglement
4.12.
De PTT-werkneemsters stellen tevens dat de Vermindering Vrouw in strijd is met artikel IV lid 2 sub a van het Overgangsreglement. Volgens de PTT-werkneemsters hebben de fondsen na 1 januari 1989 het ABP-pensioen voor een aanzienlijk deel verminderd door voor de jaren tot 1986 niet uit te gaan van de lagere (AOW-)inbouw voor een gehuwde vrouw, maar van de hogere inbouw voor gehuwde mannen. Een redelijke uitleg van artikel IV lid 2 sub a Overgangsreglement is volgens de PTT-werkneemsters dat daarin met de woorden ‘de inbouw voor een gehuwde’ wordt gedoeld op het (lagere) inbouwbedrag voor een gehuwde vrouw als bedoeld in artikel J13 ABP-wet.
4.13.
Artikel IV lid 2 van het Overgangsreglement luidt als volgt:
“Het ,,ABP-ouderdomspensioen” bedraagt de som van:
het ingevolge de ABP-wet opgebouwde ouderdomspensioen over de periode tot en met december 1985 verminderd met de inbouw zoals deze in voornoemde wet wordt gedefinieerd voor een gehuwde en,
het ingevolge de ABP-wet opgebouwde ouderdomspensioen over de periode van 1 januari 1986 tot de overgangsdatum waarbij de in voornoemde wet gedefinieerde franchise voor een gehuwde wordt gehanteerd.”
4.14.
De interpretatie van de PTT-werkneemsters miskent de tekst en de systematiek van het Overgangsreglement. Het Overgangsreglement is opgesteld door het bestuur van het bedrijfspensioenfonds PTT, dat bestaat uit vertegenwoordigers van werkgevers- en werknemersverenigingen. Het Overgangsreglement, dat onderdeel is van het Pensioenreglement 1989, moet daarom worden uitgelegd aan de hand van de cao-norm [14] :
‘voor die uitleg zijn de bewoordingen van de desbetreffende bepaling, gelezen in het licht van de gehele tekst van die overeenkomst, in beginsel van doorslaggevende betekenis [15] . Daarbij dient ook gekeken te worden naar:
de ratio van de onderhavige regeling, de redelijkheid van (de uitkomst van) de uitleg die het pensioenfonds voorstaat en de mate waarin die uitleg past binnen het systeem van het pensioenreglement [16] .
4.15.
De fondsen stellen dat in artikel IV lid 2 sub a voor ‘gehuwde’ niet ‘gehuwde vrouw’ moet worden gelezen. De kantonrechter is van oordeel dat deze uitleg meer in de rede ligt dan de uitleg van de PTT-werkneemsters. In artikel IV lid 2 sub a Overgangsreglement staat niet dat naar het op grond van de ABP-wet opgebouwde ouderdomspensioen verminderd met de inbouw voor een gehuwde vrouw moet worden gekeken. Zoals de fondsen hebben verwoord in de conclusie van antwoord [17] : “Een ander systeem zou hebben geleid tot onderscheid naar geslacht bij toekenning van het pensioen in de nieuwe PTT-regeling. Deze problematiek stond in die jaren centraal in de juridische en beleidsmatige ontwikkelingen, waardoor het voor de hand lag dit onderscheid niet voor te zetten in de nieuwe pensioenregeling:” Nu het op grond van de implementatierichtlijn over de gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van sociale zekerheid vanaf december 1984 [18] en het daarna op grond van vaste rechtspraak [19] niet meer was toegestaan ongelijke behandeling te laten voortduren, ligt het niet in de rede dat in artikel IV lid 2 sub a Overgangsreglement wordt bedoeld het onderscheid tussen gehuwde mannen en vrouwen ten aanzien van de inbouw te handhaven. Op grond van de tekst van artikel IV lid 2 sub a wordt het “ABP-ouderdomspensioen” berekend met de gehuwde inbouw/franchise voor een gehuwde en borgt de ABP-garantie (artikel VI Overgangsreglement) het daadwerkelijk bij ABP opgebouwde pensioen, inclusief de lagere inbouw voor gehuwde vrouwen vóór 1986. De fondsen wijzen in de conclusie van antwoord [20] ook nog op:
“Voor gehuwde vrouwen die vóór 1986 bij ABP de lagere ongehuwde AOW-inbouw genoten wordt de ABP-garantie vastgesteld op basis van die daadwerkelijk toegepaste lagere inbouw. Een andere uitleg, waarbij het garantiepensioen wordt vastgesteld met de gehuwde inbouw terwijl ABP feitelijk de ongehuwde inbouw toepaste, zou tot dubbeltelling leiden: een te hoog vastgesteld garantiepensioen en het volledige aanvullend ouderdomspensioen. Dat zou in strijd zijn met het gelijkwaardigheidsbeginsel van artikel 5 Personeelswet Pro, dat niet beoogt de ABP-aanspraken te verbeteren, maar slechts te waarborgen.”.
4.16.
De PTT-werkneemsters stellen ook dat op andere plaatsen in het Overgangsreglement wel onderscheid is gemaakt tussen man en vrouw. Zij verwijzen naar artikel XIII lid 1 Overgangsreglement. De fondsen hebben gemotiveerd toegelicht dat dit artikel een specifieke context heeft, namelijk de AWW, en dat het gebruik van de neutrale term ‘gehuwde’ er juist op wijst dat er geen onderscheid naar geslacht wordt gemaakt. De kantonrechter is met de fondsen van oordeel dat het niet voor de hand ligt in artikel IV lid 2 sub a Overgangsreglement impliciet onderscheid te maken voor vrouwen te maken, terwijl dat onderscheid elders wel expliciet wordt gemaakt.
4.17.
Verder stellen de PTT-werkneemsters dat het onderscheid in opbouw tussen mannen en vrouwen bij ABP bekend was ten tijde van het opstellen van het Overgangsreglement, zodat het logisch was geweest dat als de opstellers voor de vrouw hadden willen verwijzen naar de hogere inbouw voor mannen, dit expliciet zou zijn opgeschreven. Met de fondsen is de kantonrechter echter van oordeel dat deze terminologie en het onderscheid tussen artikel IV en VI dat het Overgangsreglement in artikel IV lid 2 sub a uitgaat van één (gelijke) inbouw voor alle gehuwden en géén voortzetting van het eerdere onderscheid uit de ABP-wet.
4.18.
De PTT-werkneemsters hebben er ook op gewezen dat op andere plaatsen in het Overgangsreglement wel een zelfstandig naamwoord achter het woord ‘gehuwde’ staat. Zoals de fondsen hebben toegelicht, kan uit deze omstandigheid niet geconcludeerd worden dat met de tekst ‘voor een gehuwde’ in artikel IV lid 2 sub a Overgangsreglement moet zijn bedoeld ‘voor een gehuwde vrouw’, maar kan daaruit juist geconcludeerd worden dat bij de bepaling van het begrip “ABP-ouderdomspensioen” is gekozen voor een uniforme aanpak.
4.19.
De fondsen hebben verder toegelicht dat het Overgangsreglement de minimum- of ABP-garantie (artikel VI Overgangsreglement) bevat om de gelijkwaardigheid op de overgangsdatum te waarborgen. Op grond van deze garantie wordt voor gehuwden de som van regulier pensioen en emolumentenpensioen tenminste vastgesteld op het minimum van artikel VI. Daarbij wordt uitgegaan van de daadwerkelijk bij ABP toegepaste inbouw. Voor gehuwde vrouwen, zoals de PTT-werkneemsters betekent dit het voordeel van de lagere AOW-inbouw voor ongehuwden vóór 1986. Uit deze toelichting van de fondsen blijkt dat het nadeel van pensioen op basis van de hogere AOW-inbouw op grond artikel
IV lid 2 sub a Overgangsreglement wordt opgevangen door de ABP-garantie waarin rekening wordt gehouden met de lagere AOW-inbouw.
4.20.
De fondsen hebben naar het oordeel van de kantonrechter in de conclusie van antwoord en met de toelichting op de zitting voldoende inzichtelijk gemaakt dat de argumenten van de PTT-werkneemsters voor een andere uitleg van artikel IV lid 2 sub a Overgangsreglement niet logisch zijn. Door bij het toepassen van artikel IV lid 2 sub a Overgangsreglement uit te gaan van de inbouw voor een gehuwde, hebben de fondsen dit artikel niet onjuist uitgelegd of aanspraken ten onrechte van de PTT-werkneemsters afgenomen. De kantonrechter volgt ook niet het beroep van de PTT-werkneemsters op de
3e volzin van artikel V lid 3 van het Overgangsreglement omdat de PTT-werkneemsters daarbij uitgaan van een onjuiste uitleg van het begrip “ABP-ouderdomspensioen” zoals vermeld in artikel IV lid 2 sub a Overgangsreglement.
Conclusie
4.21.
De kantonrechter is van oordeel dat de fondsen hebben gehandeld in overeenstemming met artikel 5 lid 1 Personeelswet Pro PTT omdat de PTT-werkneemsters op de overgangsdatum pensioenaanspraken hebben gekregen die in totaliteit gelijkwaardig zijn aan de aanspraken die zij op 31 december 1988 bij ABP hadden opgebouwd. Daarna is geen sprake geweest van ‘een leeglopende ballon’, zoals de gemachtigde van de
PTT-werkneemsters op de zitting bij herhaling heeft gesteld. De garantietoeslag op grond van het Overgangsreglement is afgebouwd omdat na de overgang bij het geprivatiseerde PTT gaandeweg meer ouderdomspensioen werd opgebouwd. De PTT-werkneemsters zijn aldus op in totaliteit gelijkwaardige pensioenaanspraken uitgekomen. De samenlooptoeslag als bedoeld in de ABP-wet is geen opgebouwd ouderdomspensioen als bedoeld in artikel VI lid 2 sub a en b van het Overgangsreglement. Het niet-uitkeren van een samenlooptoeslag is daarom ook niet in strijd met het Overgangsreglement en/of artikel
5 lid 1 van de Personeelswet PTT.
4.22.
Alle overige stellingen leiden niet tot een andere conclusie en kunnen daarom onbesproken blijven.
Buitengerechtelijke incassokosten
4.23.
Omdat de hoofdvorderingen van de PTT-werkneemsters worden afgewezen, is er ook geen reden om een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten toe te wijzen.
Proceskosten
4.24.
De PTT-werkneemsters zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De PTT-werkneemsters hebben op de zitting verzocht om hen, als zij ongelijk krijgen, niet in de proceskosten te veroordelen vanwege de wijze waarop de fondsen hebben gecommuniceerd. De kantonrechter wijst dit verzoek af. De kantonrechter kan de proceskosten alleen voor rekening van de fondsen laten komen als de kosten zonder noodzaak zijn gemaakt [21] . Niet is gebleken dat de fondsen zich zodanig hebben gedragen dat de kosten voor deze procedure onnodig zijn gemaakt. De proceskosten van de fondsen worden begroot op:
- salaris gemachtigde
576,00
(2 punten × € 288,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
720,00
4.25.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4.26.
De veroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
wijst de vorderingen van de PTT-werkneemsters af,
5.2.
veroordeelt de PTT-werkneemsters hoofdelijk in de proceskosten van € 720,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als de PTT-werkneemsters niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt de PTT-werkneemsters hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Y.M. Vanwersch en in het openbaar uitgesproken op 1 april 2026.
40160

Voetnoten

1.Productie 2 bij de dagvaarding.
2.Productie 3 bij de dagvaarding.
3.Artikel J13 ABP-wet.
4.Artikel F7c ABP-wet.
5.Productie 7 bij de dagvaarding.
6.Zie ook het overzicht op pagina 12 dagvaarding.
7.Artikel 6:89 Burgerlijk Pro Wetboek (BW).
8.Kamerstukken 20 368.
9.Zie pagina 12 dagvaarding.
10.Kamerstukken 20 368.
11.ECLI:NL:GHARL:2020, r.o. 5.7 e.v..
12.Punt 3.7. dagvaarding.
13.Productie 4 verweerder.
15.Zie de arresten van de Hoge Raad van 17 september 1993, nr. 15064, NJ 1994, 173 en 24 september 1993, nr. 15078, NJ 1994, 174.
16.ECLI:NL:HR:2004:AO1427, r.o. 5.2. en 5.1
17.Punt 36 cva.
18.Richtlijn 79/7/EEG, zie punt 36 cva.
19.Conclusie AG Jacobs van 27 april 194 bij het arrest Beune, HvJ EG 28 september 1994, zaak C-7/93.
20.Zie punt 32 cva.
21.Artikel 237 lid 1 Rv Pro.