Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:1441

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
12 maart 2026
Publicatiedatum
9 april 2026
Zaaknummer
UTR 24/8218
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:88 AwbArt. 6:106 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek om schadevergoeding wegens onrechtmatig Wajong-besluit

Verzoeker diende een verzoek om schadevergoeding in tegen het UWV vanwege een onrechtmatig besluit waarbij aanvankelijk een Wajong-uitkering werd geweigerd. De rechtbank oordeelt dat hoewel het besluit onrechtmatig was, verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat de door hem gestelde schade het gevolg is van dit besluit.

De materiële schade, bestaande uit extra ziektekostenverzekering en invorderingskosten, was al ontstaan voordat het onrechtmatige besluit werd genomen. Hierdoor ontbreekt het causaal verband tussen het besluit en de schade. Ook de immateriële schadevergoeding wordt afgewezen omdat verzoeker geen objectieve medische onderbouwing heeft geleverd die aantoont dat zijn psychische toestand door het besluit is verslechterd.

De rechtbank benadrukt dat voor immateriële schade een concrete en objectieve medische onderbouwing vereist is, welke hier ontbreekt. Verzoeker krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten. De uitspraak is gedaan door rechter A. Rademaker en griffier M.C.G. van Dijk op 12 maart 2026.

Uitkomst: Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen wegens ontbreken van causaal verband en onvoldoende medische onderbouwing van immateriële schade.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Almere
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/8218

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 maart 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. G.J.A.M. Gloudi),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (het Uwv)
(gemachtigde: mr. R.M.H. Rokebrand).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over een verzoek om schadevergoeding als gevolg van een onrechtmatig besluit. De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding af. De door verzoeker opgegeven schade is namelijk geen gevolg van het onrechtmatige besluit. De immateriële schadevergoeding komt niet voor vergoeding in aanmerking, omdat de medisch objectiveerbare onderbouwing ontbreekt. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.

Voorgeschiedenis en besluitvorming

2. Met het besluit van 6 juli 2023 heeft het Uwv geweigerd verzoeker een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) toe te kennen, omdat verzoeker over arbeidsvermogen beschikt. Verzoeker heeft geen rechtsmiddelen aangewend tegen dit besluit.
2.1.
Op 28 mei 2024 heeft verzoeker opnieuw een aanvraag ingediend voor een Wajong-uitkering. De verzekeringsarts heeft in overleg met de arbeidsdeskundige vastgesteld dat verzoeker niet over basale werknemersvaardigheden beschikt. Aan verzoeker is vervolgens met het besluit van 21 augustus 2024 per 25 augustus 2024 een Wajong-uitkering toegekend.
2.2.
Verzoeker heeft op 28 oktober 2024 een verzoek om schadevergoeding ingediend bij het Uwv. Met het besluit van 6 december 2024 heeft het Uwv het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Volgens het Uwv is er geen sprake geweest van een onrechtmatig besluit. Het Uwv heeft er daarbij op gewezen dat tegen de besluiten van 6 juli 2023 en 21 augustus 2024 geen rechtsmiddelen zijn aangewend, noch dat deze besluitvorming is herroepen.
2.3.
Verzoeker heeft op 20 december 2024 een verzoekschrift ingediend en op 15 januari 2025 zijn verzoek aangevuld. Het Uwv heeft hierop gereageerd met een verweerschrift en op 18 februari 2025 een aanvullend verweerschrift ingediend.
2.4.
De rechtbank heeft de zaak behandeld op de zitting van 11 augustus 2025. Hieraan hebben deelgenomen verzoeker, vergezeld door zijn begeleider [A] en zijn gemachtigde.
2.5.
Op de zitting is gebleken dat het verzoek om schadevergoeding dient te worden geactualiseerd. Hiertoe is verzoeker in de gelegenheid gesteld. De rechtbank heeft op 29 augustus 2025 het geactualiseerde verzoek om schadevergoeding ontvangen. Het Uwv is vervolgens in de gelegenheid gesteld om op het geactualiseerde verzoek te reageren. De rechtbank heeft op 4 november 2025 de reactie van het Uwv ontvangen.
2.6.
De rechtbank heeft partijen vervolgens gevraagd of zij gehoord wensen te worden op een tweede zitting. Nadat partijen niet hebben aangegeven een tweede zitting te wensen, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Het verzoek om schadevergoeding
3. Verzoeker verzoekt om een schadevergoeding van totaal € 6.284,80. Verzoeker stelt dat hij door het ontbreken van inkomen geen reguliere ziektekostenverzekering kon afsluiten. Hij heeft verzocht om het verschil te vergoeden tussen de opgelegde ziektekostenverzekering en een reguliere ziektekostenverzekering, voor de duur van 56 maanden (tot toekenning van de Wajong-uitkering). Dit gaat om een bedrag van € 50,- per maand en over de periode van 56 maanden over totaal € 2.800,-. Daarnaast heeft verzoeker verzocht om invorderingskosten opgelegd door CJIB van € 205,90 en door het Zilveren Kruis van € 778,90. Tot slot heeft verzoeker verzocht om een bedrag van € 2.500,- aan immateriële schadevergoeding. Ter onderbouwing van zijn verzoek om immateriële schadevergoeding heeft verzoeker een doorverwijzing van de huisarts naar de GGZ overgelegd en hierbij toegelicht dat de stress door het ontbreken van inkomen zijn medische toestand heeft verslechterd.
Het toetsingskader
4. Op grond van artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is de bestuursrechter bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die een belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van een onrechtmatig besluit.
4.1.
Het is vaste rechtspraak dat de bestuursrechter bij het beantwoorden van de vraag of er voldoende aanleiding is om een gevraagde schadevergoeding toe te kennen, zoveel mogelijk aansluiting zoekt bij het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht. [1] Voor vergoeding van schade is vereist dat sprake is van een onrechtmatig besluit en dat causaal verband aanwezig is tussen het onrechtmatige besluit en de gestelde schade. Vervolgens komen alleen die schadeposten voor vergoeding in aanmerking die in een zodanig verband staan met dat besluit, dat zij het bestuursorgaan, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van dat besluit kunnen worden toegerekend.
Beoordeling van het schadeverzoek
5. Het Uwv heeft met de reactie op het geactualiseerde verzoek om schadevergoeding erkend dat sprake is van een onrechtmatig besluit. Dit betekent echter nog niet dat het Uwv gehouden is om de door verzoeker gestelde schade te vergoeden. Daarvoor is namelijk ook vereist dat daadwerkelijk schade is ontstaan en dat er een causaal verband is tussen die schade en het onrechtmatige besluit.
5.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verzoeker niet aannemelijk gemaakt dat de door hem gestelde schadeposten het gevolg zijn van de afwijzing van een Wajong-uitkering met het besluit van 6 juli 2023. De schadeposten waren namelijk al ontstaan toen het onrechtmatige besluit werd genomen. Verzoeker heeft niet onderbouwd dat de gestelde schade verband houdt met dit onrechtmatige besluit. Verzoeker heeft dan ook geen recht op materiële schadevergoeding.
Immateriële schadevergoeding
5.2.
Voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, heeft een benadeelde overeenkomstig artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW) recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.
5.3.
Van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het BW is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is nodig dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld.
5.4.
Daarnaast kunnen de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde meebrengen dat van de in artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het BW bedoelde aantasting in zijn persoon op andere wijze sprake is. In beginsel zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. In voorkomend geval kunnen de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. [2]
5.5.
Wat verzoeker heeft aangevoerd, levert naar het oordeel van de rechtbank geen aantasting van de persoon op andere wijze op in de zin van artikel 6:106, eerste lid, van het BW. Verzoeker heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij als gevolg van de onrechtmatige beslissing en het ontbreken van inkomen zodanig ernstig psychisch leed heeft ondervonden dat daarvan sprake is. Evenmin heeft hij aannemelijk gemaakt dat de aard en de aantasting van de normschending en de gevolgen daarvan leiden tot een aantasting in de persoon op andere wijze. Een medisch objectiveerbare onderbouwing van zijn standpunt ontbreekt. Bij verzoeker is sinds zijn jeugd sprake van mentale klachten en de verwijzing van de huisarts naar de GGZ en de opmerking ‘meerdere psychotische episodes, laatste in maart 2025’ onderbouwen niet dat de medische toestand van verzoeker in de periode van 6 juli 2023 tot en met 21 augustus 2024 is verslechterd. De gestelde immateriële schade komt daarom ook niet voor vergoeding in aanmerking.

Conclusie en gevolgen

6. De rechtbank wijst het verzoek tot schadevergoeding af. Omdat verzoeker geen gelijk krijgt, krijgt hij het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. ing. A. Rademaker, rechter, in aanwezigheid van mr. M.C.G. van Dijk, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 24 januari 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:130, r.o. 4.3.
2.Zie bijvoorbeeld de arresten van de Hoge Raad van 15 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:376, en 9 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1278.