Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:1376

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
26 januari 2026
Publicatiedatum
7 april 2026
Zaaknummer
25/7353
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2 AwbArt. 6:12 AwbArt. 7:1 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:55d Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuursrechtelijke uitspraak over niet tijdig beslissen op bezwaar WIA

Eiser diende op 19 augustus 2025 een bezwaar in tegen een besluit van 4 augustus 2025 bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV). Verweerder heeft niet tijdig op dit bezwaar beslist, wat onomstreden is. Eiser stelde verweerder vervolgens in gebreke, waarna de rechtbank het beroep behandelde zonder zitting.

De rechtbank overweegt dat op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een bestuursorgaan binnen een redelijke termijn moet beslissen op bezwaar, en dat bij niet tijdig beslissen een ingebrekestelling vereist is. Verweerder ontving deze ingebrekestelling op 28 november 2025, waarna de rechtbank een termijn van twee maanden stelt om alsnog te beslissen, vanwege de door verweerder aangevoerde capaciteitsproblemen.

Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van €100 per dag met een maximum van €15.000 voor elke dag dat verweerder de termijn overschrijdt. Verweerder wordt ook veroordeeld tot betaling van de proceskosten van €467 en het griffierecht van €53 aan eiser. Het beroep wordt gegrond verklaard en het niet tijdig beslissen vernietigd.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en legt een termijn van twee maanden op voor verweerder om alsnog te beslissen, met een dwangsom bij overschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/7353

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. T. van Uden),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op zijn bezwaar van 19 augustus 2025 tegen het besluit van 4 augustus 2025.

Overwegingen

1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. [1]
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaar kan de
betrokkene daartegen in beroep gaan. Wel moet de betrokkene dan eerst een ‘ingebrekestelling’ aan het bestuursorgaan sturen. Dat wil zeggen dat de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan moet laten weten dat er binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn bezwaar. Dit staat (onder andere) in de artikelen 6:2, 6:12 en 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3. Eiser heeft zijn bezwaarschrift ingediend op19 augustus 2025.
Verweerder heeft het bezwaarschrift ontvangen op 21 augustus 2025. Niet in geschil is dat verweerder te laat is met het nemen van een beslissing op het bezwaar van eiser. Dat geeft verweerder ook aan in zijn verweerschrift van 5 januari 2026. De rechtbank stelt vast dat verweerder de ingebrekestelling op 28 november 2025 heeft ontvangen en sindsdien twee weken zijn verstreken.
4. Omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen bepaalt de rechtbank dat
verweerder dit alsnog moet doen. Het wettelijke uitgangspunt is op grond van het bepaalde in artikel 8:55d, eerste lid van de Awb een termijn van twee weken. In bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen of een andere voorziening treffen. Het is vaste rechtspraak dat die andere termijn niet onnodig lang, maar ook niet onrealistisch kort moet zijn.
5. Verweerder geeft in zijn verweerschrift aan dat hij door een tekort aan
verzekeringsartsen tot op heden nog niet in staat is geweest om het bezwaar binnen de gestelde termijn af te handelen. De rechtbank ziet hier aanleiding om, gezien de omstandigheden die door verweerder zijn genoemd, de beslistermijn vast te stellen op twee maanden. De rechtbank sluit hiervoor aan bij haar uitspraak van de meervoudige kamer van 9 januari 2025. [2] Dit betekent dat verweerder binnen twee maanden na het verzenden van deze uitspraak een beslissing moet nemen.
6. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke
dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000, -.

Conclusie

7. Het beroep is gegrond. Verweerder moet binnen een termijn van twee maanden na
verzending van deze uitspraak een beslissing nemen op het bezwaar van eiser.
8. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding voor de proceskosten
die zij heeft gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 1 punt op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,-), bij een wegingsfactor 0,5. Toegekend wordt € 467,-.
9. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht van € 53,- aan
eiser betalen.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
-vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt verweerder op binnen twee maanden na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;
- bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000, -;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 53,- dat eiser heeft betaald moet betalen;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 467,- aan proceskosten. Verweerder moet dit bedrag betalen aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van I. van Ittersum, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 26 januari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).