In deze zaak verzocht de werknemer de vernietiging van de opzegging van haar arbeidsovereenkomst door de werkgever. De arbeidsovereenkomst betrof een oproepovereenkomst voor bepaalde tijd, lopende van 19 september 2025 tot 18 april 2026. Op 2 november 2025 raakte de werknemer tijdens het bezorgen van bestellingen met een bedrijfsauto van de weg en kwam in de sloot terecht. De werkgever zegde de arbeidsovereenkomst op 3 november 2025 op via een bericht in een groepsapp.
De kantonrechter oordeelde dat de opzegging niet rechtsgeldig was omdat niet voldaan was aan de wettelijke vereisten, zoals schriftelijke instemming van de werknemer of toestemming van het UWV. Wel werd geoordeeld dat de werkgever vanaf 3 november 2025 geen loon meer verschuldigd was, omdat het een oproepovereenkomst betrof met een zogeheten nul-urenregeling en de periode van zes maanden zonder loondoorbetalingsverplichting nog niet was verstreken.
Verder stelde de werknemer aanspraak te maken op materiële en immateriële schadevergoeding wegens het verkeersongeval tijdens het werk. De werkgever werd aansprakelijk gehouden omdat hij onvoldoende had aangetoond dat hij had voldaan aan zijn zorgplicht, onder meer door het ter beschikking stellen van een auto waarvan de staat niet was aangetoond. De werkgever kon ook niet bewijzen dat het ongeval het gevolg was van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer.
De kantonrechter kende een materiële schadevergoeding van €407 toe voor verloren eigendommen en een immateriële schadevergoeding van €500 wegens pijn en behandeling. De vordering tot aanzegvergoeding werd afgewezen omdat de arbeidsovereenkomst nog niet was geëindigd. De werkgever werd veroordeeld tot betaling van de schadevergoedingen en de proceskosten.