Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:1306

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
16 februari 2026
Publicatiedatum
1 april 2026
Zaaknummer
UTR 24/6583
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging naheffingsaanslag parkeerbelasting wegens onvoldoende informatieplicht gemeente

Eiser heeft beroep ingesteld tegen een naheffingsaanslag parkeerbelasting van €78,30 opgelegd op 9 augustus 2024 wegens het niet betalen van parkeerbelasting op een locatie in Zeist. Eiser stelde dat hij wel betaald had via een parkeerapp, maar per abuis voor een verkeerde parkeerzone. De gemeente handhaafde de aanslag en bracht daarnaast aanmanings- en invorderingskosten in rekening.

De rechtbank constateerde dat de heffingsambtenaar geen stukken of verweerschrift had ingediend ondanks herhaalde verzoeken. Tijdens de mondelinge behandeling was eiser wel aanwezig, maar de heffingsambtenaar niet. De rechtbank oordeelde dat de gemeente onvoldoende had voldaan aan haar informatieplicht, omdat het voor eiser niet duidelijk was dat de parkeerplek recent was gewijzigd in een vergunninghouderszone en er geen duidelijke bebording of werkende parkeerautomaat aanwezig was.

De rechtbank vernietigde daarom de naheffingsaanslag en de bijkomende kosten, en bepaalde dat de gemeente het betaalde griffierecht aan eiser moet vergoeden. De uitspraak is gedaan op 16 februari 2026 en is openbaar.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt de naheffingsaanslag parkeerbelasting en bijkomende kosten wegens onvoldoende informatieplicht van de gemeente.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/6583

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van

16 februari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Zeist, verweerder

Procesverloop

1.1
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar (de bestreden uitspraak), waarbij de aan hem opgelegde naheffingsaanslag parkeerbelasting van 9 augustus 2024 voor een bedrag van € 78,30,- is gehandhaafd.
1.2
Op 4 oktober 2024 heeft de heffingsambtenaar een aanmaning aan eiser gestuurd, waarbij € 9,- aan aanmaningskosten in rekening zijn gebracht. Op 7 november 2024 heeft de heffingsambtenaar een dwangbevel voor de betaling van het nog openstaande bedrag aan eiser betekend, waarbij € 79,- aan invorderingskosten in rekening zijn gebracht. Het in totaal te betalen bedrag bedraagt daarmee € 166,30 (€ 78,30,- + € 9,- + € 79,-).
1.3
De heffingsambtenaar heeft geen op de zaak betrekking hebbende stukken en geen verweerschrift ingediend. Ondanks dat de rechtbank de heffingsambtenaar (namens hem: ParkeerService te Zeist), meerdere keren (op 20 februari 2025, 8 april 2025, 29 januari 2026 en 4 februari 2026) heeft gevraagd om de op de zaak betrekking hebbende stukken in te dienen, is hier geen gehoor aan gegeven.
1.4
De rechtbank heeft het beroep van eiser op 16 februari 2026 op zitting behandeld. Eiser is samen met mevrouw S.S. Duivenman verschenen. De heffingsambtenaar is zonder voorafgaand bericht niet verschenen.
1.6
De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten en na afloop van de zitting onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt de uitspraak op bezwaar;
  • herroept de naheffingsaanslag;
  • vernietigt de beschikking waarbij de aanmaningskosten in rekening zijn gebracht;
  • vernietigt de beschikking waarbij de invorderingskosten in rekening zijn gebracht;
  • bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van de bestreden uitspraak op bezwaar;
  • draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 51,- aan eiser te vergoeden.

Overwegingen

2. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
3. Op 2 augustus 2024 om 19:01 uur stond de auto met kenteken [kenteken] (de auto) geparkeerd ter hoogte van de Stationslaan in Zeist (de locatie). Parkeercontroleurs hebben vastgesteld dat de auto daar stond geparkeerd terwijl geen parkeerbelasting was betaald. Daarom is aan eiser een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd van € 78,30,-.
4. Eiser stelt dat er wel voor het parkeren is betaald door middel van een parkeerapp. Ter onderbouwing heeft eiser een screenshot van de parkeeractie overgelegd. Dat eiser in een andere zone stond geparkeerd dan waar hij voor had betaald is nergens duidelijk te achterhalen. De situatie was pas recent gewijzigd, zonder dat eiser dit wist. Er stond geen bord waaruit bleek dat de plek waar hij geparkeerd had enkel voor vergunningshouders is. Daarnaast was de parkeerautomaat afgeplakt, waardoor deze buitenwerking leek.
5. De heffingsambtenaar heeft in de uitspraak op bezwaar gesteld dat er inderdaad met een parkeerapp is betaald, maar voor de verkeerde zone. Er is betaald voor de periode van 18:56 uur tot 20:17 uur voor het gebruik van een parkeerplaats in zone 3701. De bestreden naheffingsaanslag is om 19:01 uur opgelegd en dus binnen de hiervoor genoemde periode. Dat er toch een naheffingsaanslag is opgelegd komt doordat bij de aanmelding een onjuiste parkeerzone is gekozen. Door de parkeercontroleur is geconstateerd dat er was geparkeerd in de Stationslaan wat behoort tot parkeerzone 3703, de auto van eiser was echter aangemeld in 3701. Zone 3703 is een zone voor vergunninghouders, hier is parkeren zonder vergunning wel mogelijk, maar alleen met een dagkaart vergunninghoudersplaatsen. Parkeerders zijn zelf verantwoordelijk voor een correcte wijze van betaling van parkeergeld. De gevolgen van het niet (op de juiste wijze) voldoen aan de betaalplicht bij het parkeren komen voor rekening van de parkeerder.
6. De rechtbank overweegt als volgt. Volgens vaste rechtspraak rust op de heffingsambtenaar de plicht om ter plaatse kenbaar te maken dat parkeerbelasting verschuldigd is (de informatieplicht). Van een parkeerder mag worden verwacht dat hij bij aanvang van het parkeren voldoende onderzoekt of parkeerbelasting verschuldigd is. [1] Dit houdt in dat hij oplet of hij bebording ‘betaald parkeren’ of een parkeerautomaat passeert en dat hij zich nadat hij heeft geparkeerd inspant om te onderzoeken of voor het parkeren parkeerbelasting verschuldigd is. Uit de rechtspraak volgt ook dat de onderzoeksplicht inhoudt dat iemand zich vooraf informeert (door een geschikte website te raadplegen), dan wel op de locatie moet uitstappen en (kort) rondlopen om na te gaan of parkeerbelasting betaald moet worden. [2]
7. De rechtbank volgt eiser in zijn stelling dat het onvoldoende duidelijk was dat de situatie recent was gewijzigd en dat de parkeerplek waar eiser stond geparkeerd enkel voor vergunningshouders is. Op de zitting is aan de hand van streetview op Google Maps en de rijrichting van eiser vastgesteld dat eiser geen bord of parkeerautomaat is gepasseerd waaruit hij kon afleiden dat de situatie is gewijzigd. Vanwege de afwezigheid van de heffingsambtenaar op de zitting heeft de rechtbank geen mogelijkheid gehad om de heffingsambtenaar vragen te stellen over de situatie ter plaatse en in hoeverre die met het oog op het gewijzigde parkeerregime is gewijzigd ten opzichte van de meest recente beelden op streetview. Zonder inlichtingen of een standpunt van de heffingsambtenaar kan de rechtbank niet anders dan uitgaan van de juistheid van wat eiser stelt. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de heffingsambtenaar onvoldoende aan zijn informatieplicht heeft voldaan. De beroepsgrond van eiser slaagt.
8. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiser betalen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
9. Op de zitting is gewezen op de mogelijkheid om tegen deze uitspraak in hoger beroep te gaan op de manier zoals onderaan dit proces-verbaal staat omschreven.
Deze uitspraak is gedaan door mr. ing. A. Rademaker, rechter, in aanwezigheid van mr. A.A. Mulder, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 16 februari 2026.
de griffier de rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Gerechtshof Amsterdam 8 januari 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:90.
2.Gerechtshof Amsterdam 11 februari 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:1033.