AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Rechtbank verklaart zich onbevoegd wegens forumkeuze in vaststellingsovereenkomst
In deze civiele zaak vordert eiseres nakoming van betalingsverplichtingen van gedaagde sub 1 en schadevergoeding van gedaagde sub 2 wegens onrechtmatige daad. Partijen hebben een handelsrelatie waarbij diepgevroren visproducten zijn geleverd. Een vaststellingsovereenkomst, gesloten in augustus 2024, bevat een forumkeuzebeding dat geschillen aan de Poolse rechter toewijst.
De rechtbank beoordeelt een bevoegdheidsincident waarin gedaagden zich beroepen op dit forumkeuzebeding. Eiseres betoogt dat de Nederlandse rechter bevoegd is op grond van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en Brussel I-bis, maar de rechtbank oordeelt dat de vordering tegen gedaagde sub 1 zijn grondslag vindt in de vaststellingsovereenkomst en dat de Poolse rechter exclusief bevoegd is.
Ten aanzien van gedaagde sub 2 acht de rechtbank zich eveneens onbevoegd, omdat de schadeveroorzakende handelingen in Polen hebben plaatsgevonden en de Nederlandse rechter geen bevoegdheidsgrondslag heeft op grond van artikel 7 lid 2 BrusselPro I-bis. Eiseres wordt veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis is gewezen door rechter G.J. Baken en op 18 maart 2026 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd wegens exclusieve bevoegdheid van de Poolse rechter en veroordeelt eiseres in de proceskosten.
Uitspraak
RECHTBANK Midden-Nederland
Civiel recht
Zittingsplaats Lelystad
Zaaknummer: C/16/604557 / HL ZA 25-321
Vonnis in incident van 18 maart 2026
in de zaak van
[eiseres] GMBH,
te [vestigingsplaats 1] ,
eisende partij in de hoofdzaak,
verwerende partij in het incident,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaat: mr. S.A. Lang,
tegen
1.[gedaagde sub 1] B.V.,
te [vestigingsplaats 2] , 2. [gedaagde sub 2],
te Polen,
gedaagde partijen in de hoofdzaak,
eisende partijen in het incident,
hierna samen te noemen: [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] ,
advocaat: mr. R.J. Duursma.
1.De kern van de zaak
1.1.
[eiseres] heeft diepgevroren visproducten aan [gedaagde sub 1] geleverd. In de hoofdzaak vordert [eiseres] van [gedaagde sub 1] nakoming van betalingsverplichtingen. Van [gedaagde sub 2] vordert [eiseres] een schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad.
1.2.
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] verzoeken in het incident dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart. Volgens [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] moet het geschil mede op basis van de vaststellingsovereenkomst aan de Poolse rechter (Gdansk) worden voorgelegd. Volgens [eiseres] valt de vordering buiten het bereik van de forumkeuze. De rechtbank komt tot het oordeel dat de Poolse rechter exclusief bevoegd is om van het geschil tussen [eiseres] en [gedaagde sub 1] kennis te nemen. Ook voor de vordering tegen [gedaagde sub 2] acht de rechtbank zich onbevoegd om kennis van te nemen.
2.De procedure
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding met producties van 15 december 2025,
de incidentele conclusie houdende exceptie van bevoegdheid,
de conclusie van antwoord in het bevoegdheidsincident.
2.2.
Ten slotte is vonnis in het incident bepaald.
3.De beoordeling in het incident
De achtergrond
3.1.
Partijen hebben een handelsrelatie gehad waarbij [eiseres] in de periode van september tot en met november 2023 diepgevroren visproducten aan [gedaagde sub 1] heeft geleverd. [gedaagde sub 2] is de bestuurder van [gedaagde sub 1] .
3.2.
Op 13 augustus 2024 hebben [eiseres] en [gedaagde sub 1] een vaststellingsovereenkomst gesloten in de Engelse en Poolse taal, omdat [gedaagde sub 1] niet aan haar betalingsverplichtingen voldeed (productie 5 bij dagvaarding). [gedaagde sub 2] vertegenwoordigde in deze [gedaagde sub 1] .
3.3.
In paragraaf 6 van de vaststellingsovereenkomst staat dat Pools recht op de overeenkomst van toepassing is en dat geschillen die verband houden met de vaststellingsovereenkomst worden voorgelegd aan de rechtbank in Gdansk (Polen).
De standpunten van partijen
3.4.
In de dagvaarding baseert [eiseres] de bevoegdheid Nederlandse rechter op artikel 99 enPro 107 van het wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). [eiseres] acht de Nederlandse rechter bevoegd omdat [gedaagde sub 1] op [vestigingsplaats 2] gevestigd is. Voor [gedaagde sub 2] baseert [eiseres] de bevoegdheid van de Nederlandse rechter op artikel 102 RvPro, omdat het schadebrengende feit zich in Nederland heeft voorgedaan. In de conclusie van antwoord in incident voegt [eiseres] daaraan toe dat zij de Nederlandse rechter ook op grond van artikel 4 enPro 7 van Brussel I-bis bevoegd acht.
3.5.
Daartegenover betogen [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] dat het geschil moet worden voorgelegd aan de Poolse rechter, omdat dit uit het forumkeuzebeding (paragraaf 6) in de vaststellingsovereenkomst voortvloeit. De forumkeuze brengt mee dat de Poolse rechter exclusief bevoegd en de Nederlandse rechter onbevoegd is, aldus [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] . Ook ten aanzien van [gedaagde sub 2] achten [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] de Nederlandse rechter onbevoegd, omdat de schade in Duitsland intrad (Erfolgsort) en de gewraakte handeling in Polen plaatsvond (Handlungsort).
Het juridisch kader (algemeen)
3.6.
Partijen zijn gevestigd dan wel woonachtig op het grondgebied van verschillende lidstaten van de Europese Unie: [gedaagde sub 1] in Nederland, [eiseres] in Duitsland en [gedaagde sub 2] in Polen. De zaak heeft daarom een internationaal karakter. De vordering in de hoofdzaak betreft een burgerlijke of handelszaak en is ingesteld na 10 januari 2015. Dit betekent dat de vraag of de Nederlandse rechter in deze zaak rechtsmacht heeft, aan de hand van de Brussel I-bis Verordening [1] moet worden beantwoord.
3.7.
In artikel 4 BrusselPro I-bis is bepaald dat, onverminderd deze verordening, zij die woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat, ongeacht hun nationaliteit, worden opgeroepen voor de gerechten van die lidstaat. Gelet op deze hoofdregel dient [gedaagde sub 1] in beginsel voor de Nederlandse en [gedaagde sub 2] voor de Poolse rechter opgeroepen te worden. Uit artikel 5 BrusselPro I-bis volgt dat afwijking van deze hoofdregel slechts mogelijk is op grond van de regels die zijn neergelegd in de afdelingen 2 tot en met 7 (de artikelen 7 tot en met 26) van hoofdstuk II van Brussel I-bis.
3.8.
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] betogen op basis van het forumkeuzebeding in de vaststellingsovereenkomst dat de geschillen die verband houden met de vaststellingsovereenkomst moeten worden voorgelegd aan de rechtbank van Gdanksk (Polen). Daarom is de vraag aan de orde of sprake is van een van de hoofdregel afwijkende bevoegdheid op grond waarvan de Poolse rechter bevoegd is van de vorderingen van [eiseres] kennis te nemen. Artikel 25 lid 1 vanPro Brussel I-bis bepaalt dat, indien partijen een gerecht van een lidstaat hebben aangewezen voor de kennisneming van geschillen die naar aanleiding van een bepaalde rechtsbetrekking zijn ontstaan of zullen ontstaan, dit gerecht in beginsel exclusief bevoegd is, tenzij de overeenkomst krachtens het recht van die lidstaat nietig is wat haar materiële geldigheid betreft. Een forumkeuze is (onder andere) mogelijk door middel van een schriftelijke overeenkomst.
3.9.
Voor verbintenissen uit onrechtmatige daad bepaalt artikel 7 subPro 2 Brussel I-bis dat een persoon kan worden opgeroepen voor het gerecht waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of kan voordoen.
Ten aanzien van [gedaagde sub 1]
De Poolse rechter is exclusief bevoegd
3.10.
Tussen partijen is in geschil of de forumkeuze in de vaststellingsovereenkomst op de onderhavige vordering van [eiseres] van toepassing is. Anders dan [eiseres] is de rechtbank van oordeel dat de vordering tegen [gedaagde sub 1] in de hoofdzaak zijn grondslag vindt in de vaststellingsovereenkomst. Hoewel de vorderingen hun oorsprong hebben in de leveringsovereenkomsten, biedt de vaststellingsovereenkomst de huidige grondslag voor de vordering in de hoofdzaak. De forumkeuze in de vaststellingsovereenkomst brengt mee dat de rechtbank van Gdansk (Polen) exclusief bevoegd is om over dit geschil tussen [eiseres] en [gedaagde sub 1] te beslissen. Hieronder wordt dit toegelicht.
3.11.
Een vaststellingsovereenkomst is gericht op het creëren van (rechts)zekerheid. In het onderhavige geval hebben [eiseres] en [gedaagde sub 1] (nadere) afspraken gemaakt in aanvulling op en/of in afwijking van de eerdere leveringsovereenkomsten. Zo is in de vaststellingsovereenkomst, paragraaf 1, vastgelegd dat [gedaagde sub 1] erkent dat een bedrag van € 1.869.294,60 betaald moet worden aan [eiseres] . Er wordt verwezen naar “Attachment no. 1 – List of invoices”. Daaruit blijkt dat de vaststellingsovereenkomst betrekking heeft op de facturen 2023-019, 2023-020A, 2023-023 en 2023-024. In de vaststellingsovereenkomst is een afbetalingsregeling overeengekomen, bestaande uit een gespreide terugbetaling in termijnen, met als uiterste betaaltermijn 31 december 2024, waarvoor aanvullende zekerheiden zijn verstrekt. Vervolgens heeft [gedaagde sub 1] deelbetalingen aan [eiseres] voldaan. [eiseres] stelt dat er tot op heden nog een bedrag van € 615.607,28 openstaat en een bedrag van € 132.806,84 aan rente.
3.12.
[eiseres] vordert in deze procedure betaling van € 615.607,28 bestaande uit factuur 2023-24 van 19 september 2023. Omdat deze factuur onderdeel uitmaakt van de betaalafspraken waarvoor de vaststellingsovereenkomst gesloten is, is de vaststellingsovereenkomst de huidige grondslag voor de vordering. Dit sluit ook aan op de redenering van [eiseres] die voor de betaaltermijn van het openstaande bedrag en de in paragraaf 1 overeengekomen rente van 5% naar de vaststellingsovereenkomst verwijst. Het forumkeuzebeding in de vaststellingsovereenkomst moet dan ook zo begrepen worden dat (betalings)geschillen tussen [eiseres] en [gedaagde sub 1] over de betreffende facturen ook aan de rechtbank in Gdansk (Polen) moeten worden voorgelegd.
Ten aanzien van [gedaagde sub 2]
Het juridisch kader
3.13.
De bijzondere bevoegdheidsregel van artikel 7 onderPro 2 Brussel I-bis is opgenomen in afwijking van het beginsel dat de gerechten van de woonplaats van de verweerder bevoegd zijn. [2] Dit berust op het bestaan van een bijzonder nauw verband tussen de vordering en de gerechten van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan, op grond waarvan het in verband met een goede rechtsbedeling en nuttige procesinrichting gerechtvaardigd is dat de laatste bevoegd zijn.
3.14.
Het Hof van Justitie heeft overwogen dat de “plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen” zo moet worden uitgelegd dat indien de vordering ertoe strekt een bestuurslid of aandeelhouder van een vennootschap aansprakelijk te stellen voor de schulden van die vennootschap, die plaats zich bevindt in de plaats waarmee de door die vennootschap verrichte werkzaamheden en de financiële situatie met betrekking tot die werkzaamheden verband houden. [3]
De Nederlandse rechter is onbevoegd
3.15.
De rechtbank verklaart zich ook onbevoegd om van het geschil tussen [eiseres] en [gedaagde sub 2] kennis te nemen. De rechtbank volgt de redenering van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] dat artikel 7 BrusselPro I-bis geen aanknopingspunten biedt voor rechtsmacht van de Nederlandse rechter. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben in voldoende mate onderbouwd dat de handelingen en gedragingen die de schade veroorzaakt hebben in Polen plaatsvonden, omdat [gedaagde sub 2] de belangrijkste bestuurstaken vanuit Polen verrichtte. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben dit onderbouwd met een verklaring van de voorzitter van de raad van bestuur. In deze omstandigheden lijken de verrichte werkzaamheden en de financiële situatie met betrekking tot die werkzaamheden verband te houden met Polen, zodat Polen moet worden aangemerkt als de plaats van de schadeveroorzakende gebeurtenis (Handlungsort). Dat [gedaagde sub 2] bestuurder was van de Nederlandse rechtspersoon, doet daar niet aan af. Het gaat om de feitelijke handelingen.
3.16.
[eiseres] heeft zuiver financiële schade geleden. Uit rechtspraak van het HvJEU volgt dat in het geval van zuiver financiële schade een restrictieve toepassing van het Erfolgsort als bevoegdheidsgrondslag op haar plaats is. Ook volgt uit deze rechtspraak dat het rechtstreeks intreden van zuivere financiële vermogensschade op een (bank)rekening van een in een lidstaat gevestigde bank op zichzelf, zonder bijkomende specifieke omstandigheden, onvoldoende is voor het aannemen van bevoegdheid van de rechter van die lidstaat op grond van het Erfolgsort van art. 7, aanhef en onder 2, Verordening Brussel I-bis. [4] De Nederlandse rechter kan in het onderhavige geval in ieder geval geen bevoegdheidsgrondslag ontlenen aan het Erfolgsort.
De proceskosten
3.17.
[eiseres] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] worden begroot op:
- griffierecht
€
6.861,00
- salaris advocaat
€
4.631,00
(1 punt × € 4.631,00)
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
11.681,00
4.De beslissing
De rechtbank
4.1.
verklaart zich onbevoegd om van de vordering in de hoofdzaak kennis te nemen,
4.2.
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van € 11.681,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend.,
4.3.
verklaart dit vonnis, voor zover het de proceskostenveroordeling betreft, uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.J. Baken, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2026.
Voetnoten
1.De Verordening betreffende de rechterlijke bevoegdheid, erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken nr. 1215/2012 d.d. 12 december 2012 (hierna: Brussel I-bis).
2.HvJEU 18 juli 2013, ECLI:EU:2013:490, ÖFAB/Koot.
3.HvJEU 18 juli 2013, ECLI:EU:2013:490, ÖFAB/Koot, randnummer 48 t/m 55.