ECLI:NL:RBMNE:2026:1198
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep gegrond tegen naheffingsaanslag parkeerbelasting wegens onterecht opschorten beslistermijn
Eiser kreeg op 26 juli 2023 een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd en diende op 30 augustus 2023 bezwaar in met het verzoek om gehoord te worden. De heffingsambtenaar deed meerdere pogingen om een hoorzitting in te plannen, waarop eiser nauwelijks reageerde. Eiser stuurde op 13 februari 2024 een ingebrekestelling en benadrukte niet af te zien van een telefonische hoorzitting.
Op 8 april 2024 verzocht eiser om vaststelling van een dwangsom wegens het niet tijdig nemen van een besluit. De heffingsambtenaar stelde dat de beslistermijn was opgeschort met toestemming van eiser, maar de rechtbank oordeelde dat instemming met opschorting expliciet moet zijn en niet verondersteld kan worden. De heffingsambtenaar kon ook niet volhouden dat de opschorting voortkwam uit het houden van een hoorzitting, omdat deze niet heeft plaatsgevonden.
De rechtbank stelde vast dat de beslistermijn niet was opgeschort en dat de heffingsambtenaar een dwangsom verschuldigd is over 42 dagen. Het beroep werd gegrond verklaard, de naheffingsaanslag uit coulance vernietigd, en de heffingsambtenaar werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht, proceskosten en betaling van de dwangsom.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en de dwangsom wordt vastgesteld op €1.442,- wegens onterecht opschorten van de beslistermijn.