Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:1194

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
27 maart 2026
Publicatiedatum
26 maart 2026
Zaaknummer
UTR 25/2645 en UTR 26/1629
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.39 OwArt. 5.42 OwArt. 8.104 BklArt. 8.74t BklWet wapens en munitie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking en weigering jachtakte wegens overtreding vervoersvoorschriften jachtgeweer

Eiser werd op 30 november 2023 gecontroleerd door twee groene BOA’s en een milieuagent terwijl hij zijn jachtgeweer onverpakt vervoerde en twee dode wilde zwijnen zonder wildmerk op zijn terreinvoertuig had liggen. Hoewel eiser enkele waarnemingen betwist, erkent hij het onverpakt vervoeren van het jachtgeweer niet.

De korpschef trok de jachtakte van eiser in en weigerde een nieuwe aanvraag vanwege deze overtredingen. Eiser stelde dat een waarschuwing volstond en dat de weigering disproportioneel was, mede vanwege de financiële gevolgen en een vermeend toegezegd vertrouwen door BOA’s.

De rechtbank oordeelde dat het onverpakt vervoeren van het jachtgeweer een ernstige overtreding is die de intrekking rechtvaardigt. Betwiste feiten over het doorgeladen zijn van het wapen en de houding ervan tijdens controle waren onvoldoende om de intrekking te weerleggen. De weigering van een nieuwe jachtakte is niet onevenredig gezien de omstandigheden.

De beroepen van eiser werden ongegrond verklaard, de intrekking en weigering blijven in stand, en eiser krijgt geen proceskostenvergoeding. De rechtbank benadrukte dat de korpschef bepaalt wanneer een jachtakte eventueel weer kan worden verleend.

Uitkomst: De beroepen tegen de intrekking en weigering van de jachtakte worden ongegrond verklaard en blijven in stand.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: UTR 25/2645 en UTR 26/1629

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 maart 2026 in de zaken tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. P.C.H. van Schooten),
en

de minister van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. R.P. Stehouwer).

Inleiding

1.1.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eiser tegen de beslissingen van de minister op administratief beroep tegen:
de intrekking van de omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit (de jachtakte) van eiser door de korpschef van de Nationale Politie (de korpschef) (de intrekking) en
de weigering van een aanvraag van eiser voor een jachtakte door de korpschef (de weigering).
De minister heeft beide beroepen ongegrond geacht en de beslissingen van de korpschef gehandhaafd.
1.2.
De minister heeft op het beroep tegen de intrekking van de jachtakte gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft de beroepen op 17 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, vergezeld door zijn dochter [A] , de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Wat is het toetsingskader?
2. De korpschef trekt de jachtakte in ieder geval in, als de houder daarvan misbruik heeft gemaakt van wapens of munitie of van de bevoegdheid om wapens of munitie voorhanden te hebben, of als er andere aanwijzingen zijn dat aan hem het voorhanden hebben van wapens of munitie niet langer kan worden toevertrouwd. [1]
3. De aanvraag voor een jachtakte wordt geweigerd, als er grond is om aan te nemen dat de aanvrager van de bevoegdheid een geweer en munitie voorhanden te hebben, van de bevoegdheid om de jacht uit te oefenen of van de hem toekomende bevoegdheden in het kader van het beheren van populaties van in het wild levende dieren of het bestrijden van schadeveroorzakende dieren misbruik zal maken, of zodanig gebruik zal maken dat hij een gevaar voor zichzelf, de openbare orde of de veiligheid kan gaan vormen. [2]
4. Volgens vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter in dit soort zaken, de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), bevindt degene aan wie een jachtakte is verleend zich in een uitzonderingspositie ten opzichte van andere burgers, voor wie het algemene verbod op het voorhanden hebben en dragen van wapens en munitie geldt. Deze uitzonderingspositie brengt mee dat in de houder van een jachtakte het vertrouwen moet kunnen worden gesteld dat hij zich strikt aan de toepasselijke regels zal houden en zich onthoudt van overtredingen die kunnen worden beschouwd als een tamelijk ernstige aantasting van de rechtsorde. Reeds geringe twijfel aan het verantwoord zijn van het beschikken over een jachtakte is voldoende reden om een jachtakte in te trekken of te weigeren, mits deze twijfel objectief toetsbaar is. [3] Bij de besluitvorming mag de minister uitgaan van de juistheid van een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal, tenzij tegenbewijs ertoe noopt van dit uitgangspunt af te wijken. [4]
Waarover gaat het geschil?
5. Partijen zijn het erover eens, en de rechtbank stelt ook vast, dat eiser op 30 november 2023 door twee groene BOA’s – één in dienst bij het Staatsbosbeheer en één in dienst bij de gemeente Nunspeet – op de openbare weg nabij zijn jachtvelden is gecontroleerd. Enige tijd later arriveerde ter plekke ook een milieuagent. Op het moment van de controle vervoerde eiser zijn jachtgeweer niet in een foudraal en op het wildrek op zijn terreinvoertuig (Gator) lagen twee dode wilde zwijnen die nog niet waren voorzien van een wildmerk.
6. Eiser bestrijdt andere waarnemingen van de groene BOA’s die in de processen-verbaal van de groene BOA’s en de milieuagent zijn opgenomen. Hij bestrijdt dat zijn jachtgeweer op het moment van de controle doorgeladen zou zijn geweest. Hij laadt zijn jachtgeweer altijd pas als hij op het jachtveld op de hoogzit heeft plaatsgenomen en ontlaadt uit veiligheidsoverwegingen en conform de veiligheidsinstructie altijd zijn jachtgeweer voordat hij de hoogzit weer verlaat. Tijdens de controle moest hij het jachtgeweer ter controle overhandigen aan een groene BOA. Voor hij dit deed heeft hij – eveneens conform de veiligheidsinstructie – het jachtgeweer doorgegrendeld. Dat daarbij een patroon uit het wapen viel betwist eiser. Hij wijst erop dat de groene BOA schrijft dat dit “vermoedelijk” zo was, maar de BOA heeft geen patroon opgeraapt. Ook betwist eiser dat hij tijdens de controle bij het uit de standaard halen van het jachtgeweer de loop van zijn jachtgeweer in de richting van de groene BOA zou hebben gericht. Op de zitting heeft eiser gedemonstreerd waarom dat onmogelijk is. Verder heeft eiser toegelicht dat het aanbrengen van de wildmerken een secuur werk is dat bij de juiste hoeveelheid licht gedaan moet worden. Op de jachtvelden is het donker als je aan het jagen bent. Daarom bracht hij de wildmerken altijd pas aan bij de slachtplek, waar voldoende verlichting en een voorziening om handen te wassen aanwezig is. Dit is een gebruikelijke gang van zaken wat eigenlijk alle jagers zo doen, maar eiser heeft toegelicht dat hij in het vervolg na het doden van een in het wild levend dier direct een wildmerk zal aanbrengen op de locatie van het afschot. Ook zal hij zijn jachtgeweer in het vervolg alleen nog maar in een foedraal vervoeren. Volgens eiser had de korpschef kunnen volstaan met een waarschuwing. Hij vindt het intrekken en weigeren van de jachtakte disproportioneel. Hierdoor wordt hij belemmerd in de uitvoering van het grofwildbeheer op zijn eigendommen. Wat door het mislopen van subsidie een kostenpost van circa € 20.000,- per jaar inhoudt. Eiser voert ook aan dat de BOA’s expliciet zouden hebben toegezegd dat niet tegen het nog niet aangebracht hebben van de wildmerken zou worden opgetreden. Dit opgewekt vertrouwen moet volgens eiser worden gehonoreerd. Over de weigering van de jachtakte voert hij aanvullend nog aan dat de overtreding van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) die de minister bij het nemen van dat bestreden besluit heeft meegewogen, destijds is gepleegd door zijn echtgenote. Hij verwijst hierbij naar de verklaring die zijn echtgenote hierover heeft afgelegd.
Boordeling door de rechtbank
7. Wat eiser heeft aangevoerd, biedt naar het oordeel van de rechtbank voldoende grond om te twijfelen aan wat in de processen-verbaal is opgenomen over de gang van zaken tijdens de controle en dan in het bijzonder over het doorgeladen zijn van het jachtgeweer en dat eiser bij het uit de geweersteun halen van het jachtgeweer met de loop daarvan op één van de BOA’s zou hebben gericht. Als de jachtakte alleen op grond van deze betwiste waarnemingen zou zijn ingetrokken en zou zijn geweigerd, zou dit voor de rechtbank aanleiding zijn geweest voor nader onderzoek. In het bijzonder in het licht van wat eiser op de zitting heeft aangevoerd, namelijk dat één van de BOA’s een direct aan het jachtveld van eiser grenzend jachtveld beheert en daarvoor een jachtakte heeft en dus mogelijk een belang zou kunnen hebben bij dat eiser niet langer over een jachtakte beschikt. Omdat eiser dit pas op de zitting naar voren heeft gebracht heeft de minister hierop niet voldoende kunnen reageren. Ook de rechtbank heeft zich hierop in aanloop naar de zitting niet kunnen voorbereiden. Als de rechtbank dit zonder nader onderzoek bij de beoordeling van het geschil zou betrekken, zou dat in strijd zijn met de goede procesorde.
8. Maar de door eiser niet betwiste overtreding van de Wet wapens en munitie (WWM) en het in strijd handelen met de voorschriften van de jachtakte, namelijk het onverpakt over de openbare weg vervoeren van zijn jachtgeweer, is naar het oordeel van de rechtbank op zichzelf voldoende grond om de jachtakte in te trekken. Op het moment dat eiser het jachtgebied verliet had hij het jachtgeweer in een foedraal moeten vervoeren. Het is net als bij het dragen van een autogordel, zodra je gaat rijden moet je de autogordel dragen anders ben je in overtreding. Het niet voldoen aan deze verplichting om het jachtgeweer in een foedraal te vervoeren is naar het oordeel van de rechtbank geen lichte onregelmatigheid waarvoor met een schriftelijke waarschuwing moest worden volstaan. Van een houder van een jachtakte mag stipte naleving worden verwacht van de voorschriften betreffende het voorhanden hebben en opbergen van wapens en munitie. Dat het donker was en er zich naar eiser stelt niemand op de openbare weg bevond maakt dat niet anders. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiser op de terugweg was en dus van de heenweg naar het jachtveld toe al wist dat er een boom over het pad lag waardoor hij gedeeltelijk over de openbare weg moest omrijden. Op de zitting heeft de minister toegelicht dat als alleen het wildlabel zou hebben ontbroken hij mogelijk tot een andere beslissing was gekomen. Nu het gaat om een combinatie aan overtredingen, is het een overtreding die de twijfel aan het verantwoord zijn van het beschikken over een jachtakte vermeerdert. De rechtbank kan deze motivering van de minister volgen. De overige beroepsgronden van eiser zijn dan niet meer relevant.
9. De minister heeft op de zitting toegelicht dat het aan de korpschef is om te bepalen wanneer de bevoegdheid een jachtgeweer en munitie voorhanden te hebben eventueel weer aan eiser kan worden toevertrouwd en wanneer dus weer eventueel aan hem een jachtakte kan worden verleend. De rechtbank kan de motivering van de minister in het bestreden besluit dat het tijdsverloop van drie maanden tussen zijn besluit om het administratief beroep tegen de intrekking ongegrond te verklaren en het aflopen van de geldigheidstermijn van de betrokken jachtakte gering is. Dat een aanvraag voor een jachtakte voor het eerste opvolgende jaar wordt geweigerd is naar het oordeel van de rechtbank ook nog niet onevenredig.

Conclusie en gevolgen

10. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat de weigering van de aanvraag voor een nieuwe jachtakte in stand blijft. De looptijd van de ingetrokken jachtakte is inmiddels verstreken.
11. Omdat de beroepen ongegrond zijn, krijgt eiser het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. ing. A. Rademaker, rechter, in aanwezigheid van
mr. I.C. de Zeeuw-'t Lam, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 5.39, aanhef en onder a, van de Omgevingswet (Ow) in combinatie met artikel 5.42, derde lid, van de Ow en artikel 8.104, eerste lid, aanhef en onder c, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).
2.Artikel 8.74t, tweede lid, aanhef en onder a, van het Bkl.
3.De rechtbank verwijst bijvoorbeeld naar de uitspraken van de Afdeling van 9 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2904, 10 februari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:270 en 2 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3986.
4.De rechtbank verwijst bijvoorbeeld naar de uitspraak van de Afdeling van 7 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:750.