Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:1160

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
24 maart 2026
Publicatiedatum
23 maart 2026
Zaaknummer
UTR 25/5557
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • M. Coenen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet Werk en Inkomen naar ArbeidsvermogenArt. 7:1 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Eiser, die sinds 2012 arbeidsongeschikt is, vroeg om herbeoordeling van zijn WIA-uitkering wegens vermeende toegenomen klachten. Het UWV wees de aanvraag af omdat eiser minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. De rechtbank toetste of het UWV terecht op basis van medische rapporten en arbeidsdeskundige beoordelingen tot dit besluit kwam.

De verzekeringsarts had het medisch dossier zorgvuldig bestudeerd en een functionele mogelijkhedenlijst opgesteld die rekening hield met zowel psychische als fysieke klachten. De rechtbank vond geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van deze medische beoordeling, mede omdat eiser geen aanvullende medische informatie overlegde. Ook het verzoek tot benoeming van een onafhankelijke deskundige werd afgewezen.

Daarnaast oordeelde de rechtbank dat de arbeidsdeskundige de voorbeeldfuncties passend had geselecteerd, waarbij de beperkte Nederlandse taalvaardigheid van eiser geen belemmering vormde. De functies vereisten geen hoge taalvaardigheid en waren eenvoudig van aard. De rechtbank concludeerde dat het UWV terecht het arbeidsongeschiktheidspercentage op 25,55% had vastgesteld, waardoor eiser geen recht heeft op een WIA-uitkering.

Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de weigering van de WIA-uitkering wordt ongegrond verklaard omdat het UWV de arbeidsongeschiktheid correct heeft vastgesteld.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/5557

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. K. de Bie),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv
(gemachtigde: R. van den Brink).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser voor een uitkering op grond van de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het Uwv de WIA-uitkering terecht heeft geweigerd. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

Voorgeschiedenis
2. Eiser is in 2012 ziek uitgevallen voor zijn werk als [functie] voor gemiddeld 38,72 uur per week. Per 24 januari 2014 kreeg eiser een WIA-uitkering omdat hij volledig arbeidsongeschikt was.
2.1.
In 2020 heeft een herbeoordeling van eiser plaatsgevonden. Eiser werd per
29 september 2020 voor 24,82% arbeidsongeschikt geacht en kwam daarom niet meer in aanmerking voor een WIA-uitkering. Eiser heeft hier bezwaar tegen gemaakt en beroep ingesteld. Het hoger beroep is door de Centrale Raad van Beroep met de uitspraak van
28 september 2023 ongegrond verklaard.
Totstandkoming van het bestreden besluit
2.2.
Eiser heeft op 1 november 2023 een aanvraag ingediend voor een herbeoordeling (claim toegenomen klachten). Het Uwv heeft deze aanvraag met het besluit van
17 september 2024 afgewezen. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
2.3.
Met het bestreden besluit van 21 september 2025 op het bezwaar van eiser is het Uwv bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. In bezwaar is het arbeidsongeschiktheidspercentage van eiser vastgesteld op 25,55%.
2.4.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 12 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, en de gemachtigde van het Uwv. Ook was de neef van eiser, [A] , aanwezig op zitting om informatie te geven over eiser.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt of het Uwv terecht heeft beslist dat eiser per
1 november 2023 (de datum in geding) minder dan 35% arbeidsongeschikt is en dus niet in aanmerking komt voor een WIA-uitkering.
Toetsingskader
3.1.
Het Uwv mag besluiten over iemands arbeidsongeschiktheid baseren op medische rapporten van verzekeringsartsen. Die rapporten moeten op een zorgvuldige manier tot stand zijn gekomen, geen tegenstrijdigheden bevatten, en voldoende begrijpelijk zijn. De rapporten en besluiten zijn in beroep aanvechtbaar. Daarvoor moet eiseres aanvoeren (en zo nodig aannemelijk maken) dat de rapporten niet aan de genoemde voorwaarden voldoen of dat de medische beoordeling onjuist is. Niet-medisch geschoolden kunnen aannemelijk maken dat niet aan de voorwaarden wordt voldaan. Om voldoende aannemelijk te maken dat een medische beoordeling onjuist is, is in beginsel informatie van een arts of medisch behandelaar noodzakelijk. Dit betekent dat hoe eiseres zich zelf voelt zonder dat daar een medische onderbouwing voor is, niet genoeg is om bij de rechtbank gelijk te krijgen.
De zorgvuldigheid van het medisch onderzoek
4. Naar het oordeel van de rechtbank voldoet het medisch onderzoek van de verzekeringsarts bezwaar en beroep aan de onder 3.1 genoemde voorwaarden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft het dossier bestudeerd en medisch onderzoek verricht. In bezwaar zijn aanvullende beperkingen aangenomen in de functionele mogelijkhedenlijst (fml) van 14 augustus 2025. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport eenduidig, inzichtelijk en zonder tegenstrijdigheden gemotiveerd hoe de beoordeling tot stand is gekomen. Het rapport voldoet dus aan de drie voorwaarden. Dat betekent dat het Uwv het bestreden besluit mocht baseren op het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.
De medische beoordeling
5. Eiser voert aan dat hij meer beperkt is dat het Uwv heeft aangenomen. Hij voert in het bijzonder aan dat hij niet meer dan 20 uur per week kan werken en dat dus een urenbeperking moet worden aangenomen.
5.1.
De rechtbank stelt voorop dat het de specifieke deskundigheid van een verzekeringsarts is om de klachten van eiser te vertalen in arbeidsbeperkingen. De verzekeringsarts kan een urenbeperking aannemen als iemand niet voltijds kan werken op energetische gronden, om preventieve redenen, of vanwege verminderde beschikbaarheid. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in de rapportage van 13 augustus 2025, die ten grondslag ligt aan het bestreden besluit, conform de standaard ‘Duurbelastbaarheid in arbeid’ beoordeeld dat er, rekening houdend met de in de fml opgenomen beperkingen, geen medische gronden zijn om een urenbeperking aan te nemen voor eiser. Daartoe overweegt de verzekeringsarts dat geen sprake is van een duidelijk verhoogde rustbehoefte en dat het slapen overdag niet kan worden verklaard uit de aard en ernst van de aandoening en een gedragsmatige aanpassing is. De rechtbank kan deze uitleg van de verzekeringsarts volgen. De verzekeringsarts heeft met de aangenomen beperkingen in de fml van 14 augustus 2025 rekening gehouden met zowel de psychische klachten als de fysieke klachten van eiser. Er zijn duidelijke beperkingen aangenomen om stress te vermijden. In de fml is ook opgenomen dat eiser vanwege zijn slaapproblematiek niet ’s nachts kan werken. De rechtbank is van oordeel dat eiser in beroep geen medische informatie heeft overgelegd, die aanleiding geeft tot twijfel aan de juistheid van de verzekeringsgeneeskundige beoordeling of de fml wat betreft de duurbelastbaarheid van eiser. Aan de manier waarop eiser zelf zijn klachten ervaart, hoe begrijpelijk ook, kan in de systematiek van de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling geen doorslaggevende betekenis toekomen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Verzoek benoeming deskundige
6. Op de zitting heeft eiser de rechtbank gevraagd om een deskundige te benoemen. Eiser heeft uitgelegd dat hij beperkte mogelijkheden heeft om medische informatie in te brengen die een ander licht kan laten schijnen op zijn belastbaarheid, omdat zijn behandelend psychiater zich daarover niet kan uitlaten. Eiser beschikt niet over de financiële mogelijkheden heeft om zelf een medisch deskundige in te schakelen om zijn belastbaarheid te beoordelen. De rechtbank ziet echter geen reden om een onafhankelijke deskundige te benoemen. Bij de vraag of de rechtbank daartoe moet overgaan, gaat het erom of eiser met de door hem aangevoerde beroepsgronden en ingebrachte medische informatie twijfel heeft gezaaid over de juistheid van de medische beoordeling. De rechtbank ziet in de door eiser aangevoerde beroepsgronden en de informatie in het dossier geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling door de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De rechtbank wijst het verzoek van eiser dan ook af.
De arbeidsdeskundige beoordeling
7. Eiser voert aan dat zijn belastbaarheid onjuist is vastgesteld en dat hij daarom ook de door de arbeidskundige geduide voorbeeldfuncties niet kan uitvoeren. Uit wat hiervoor is overwogen volgt echter dat ervan moet worden uitgegaan dat de beperkingen die in de fml van 13 augustus 2025 voor eiser zijn opgenomen, juist zijn. De grond dat eiser de functies niet kan vervullen omdat zijn belastbaarheid onjuist is vastgesteld, kan daarom niet slagen.
7.1.
Ook de beroepsgrond dat bij het selecteren van de voorbeeldfuncties ten onrechte geen rekening is gehouden met de beperkte beheersing van de Nederlandse taal slaagt niet. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende. In dit geval zijn door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep de functies lader, losser (SBC-code 111220), textielproductenmaker (SBC-code 111160) en productiemedewerker industrie (SBC-code 111180) geselecteerd. Eiser heeft er in het bijzonder op gewezen dat de functie textielproductenmaker (SBC-code 111160) volgens de functiebeschrijving een mondelinge beheersing van de Nederlandse of Engelse taal vereist. De rechtbank stelt vast dat de arbeidsdeskundige in de rapportage van 20 augustus 2025 bij de toelichting op de signaleringen bij de geselecteerd functies, ook heeft uitgelegd dat de Nederlandse taalbeheersing van eiser passend is bij de aanname-eisen. Volgens de arbeidsdeskundige worden in de geduide functies worden geen hoge eisen aan de beheersing van de Nederlandse taal gesteld. De instructies zijn volgens deze arbeidsdeskundige veelal mondeling en eenvoudig en men kan terugvallen op een leidinggevende of een collega. Eiser heeft ongeveer 15 jaar in Nederland voor verschillende werkgevers gewerkt en aangenomen kan worden dat eiser zich qua Nederlandse taal kan redden in de geduide voorbeeldfuncties. De rechtbank kan deze motivering volgen. Op grond van vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep kan ook iemand met een beperkte lees- en taalvaardigheid in de Nederlandse taal doorgaans in staat worden geacht om eenvoudige productiematige functies te vervullen. [1] Uit de functiebeschrijvingen van de geselecteerde functies komt naar voren dat geen groot beroep wordt gedaan op de beheersing van de Nederlandse taal. Deze beroepsgrond slaagt niet.
7.2.
De rechtbank oordeelt dat er geen reden is om te twijfelen aan de geschiktheid van de geduide voorbeeldfuncties. In het arbeidsdeskundig rapport van 20 augustus 2025 is deugdelijk gemotiveerd dat de geduide voorbeeldfuncties de belastbaarheid van eiser, zoals vastgelegd in de fml van 14 augustus 2025, niet overschrijden en dus passend zijn. Deze functies heeft het Uwv dan ook aan de berekening van het arbeidsongeschiktheidspercentage van eiser ten grondslag mogen leggen. Eiser is 25,55% arbeidsongeschikt.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het Uwv terecht heeft beslist dat eiser per 1 november 2023 meer dan 65% kon verdienen dan het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd, waardoor eiser niet in aanmerking komt voor een WIA-uitkering. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Coenen, rechter, in aanwezigheid van M.H.G.P. Tober, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 24 maart 2026.
de griffier is verhinderd
de uitspaak te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 2 september 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2064, r.o. 4.6.2.