Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:1156

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
13 maart 2026
Publicatiedatum
23 maart 2026
Zaaknummer
UTR 25/5677
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • M. Coenen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:12 Apv 2023Art. 3:46 AwbArt. 7:12 AwbArt. 8:72 AwbOmgevingswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuursrechtelijke toetsing omgevingsvergunning voor uitweg en motiveringsgebrek

Deze bestuursrechtelijke zaak betreft de verlening van een omgevingsvergunning voor het realiseren van een uitweg aan een adres in de gemeente IJsselstein. Eisers, wonend tegenover de vergunninghouder, zijn het niet eens met de vergunningverlening en hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit van het college dat het bezwaar van eisers afwees.

De rechtbank beoordeelt het beroep aan de hand van de toepasselijke Algemene plaatselijke verordening IJsselstein 2023 (Apv 2023) en de Omgevingswet. De Apv 2023 bevat een gebonden bevoegdheid waarbij een vergunning voor een uitweg slechts geweigerd kan worden bij aanwezigheid van specifieke weigeringsgronden. Eisers voerden aan dat het voorschrift in strijd is met het evenredigheidsbeginsel en dat de motivering van het college onvoldoende was.

De rechtbank oordeelt dat het college het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd, met name over de noodzaak van het behoud van de openbare parkeerplaats die door de uitweg verloren gaat. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit wegens strijd met het motiveringsbeginsel. Echter, omdat in beroep aanvullende stukken zijn overgelegd die voldoende motivering bieden, laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het besluit in stand.

De rechtbank wijst het beroep toe, veroordeelt het college tot vergoeding van het griffierecht en reiskosten van eisers, en geeft een uitgebreide motivering over de toetsing van gebonden bevoegdheden in een algemeen verbindend voorschrift en de toepassing van het evenredigheidsbeginsel.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard wegens motiveringsgebrek, het bestreden besluit wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand vanwege voldoende motivering in beroep.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/5677

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser 1] ,

[eiser 2],
[eiser 3] ,allen uit [plaats] , eisers
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente IJsselstein, het college
(gemachtigde: mr. J.J. Vogel).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de verlening van een omgevingsvergunning voor het realiseren van een uitweg aan de [adres] te [plaats] . Eisers zijn het niet eens met de verlening van de vergunning. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat er geen reden is om het voorschrift uit de Algemene plaatselijke verordening buiten toepassing te laten. De rechtbank komt bij de toepassing van deze bepaling tot het oordeel dat het college het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd. Het beroep is daarom gegrond. De rechtbank laat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit echter in stand, omdat met de aanvullende stukken in beroep alsnog voldoende motivering is gegeven. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

Voorgeschiedenis
2. Voor het realiseren van deze uitweg is in een eerdere procedure een omgevingsvergunning verleend door het college. Eisers hebben in die procedure ook beroep ingesteld. Deze omgevingsvergunning is vernietigd in de uitspraak van 14 maart 2025 omdat sprake was van een weigeringsgrond uit artikel 2.12 van de Algemene plaatselijke verordening IJsselstein 2021. [1]
Totstandkoming bestreden besluit
2.1.
Vergunninghouder heeft op 31 maart 2025 een nieuwe aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning. Met het besluit van 7 april 2025 heeft het college opnieuw een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van een uitweg aan de [adres] te [plaats] . Deze omgevingsvergunning is verleend met toepassing van de Algemene plaatselijke verordening IJsselstein 2023 (Apv 2023).
2.2.
Eisers wonen tegenover vergunninghouder en de al gerealiseerde uitweg. Zij hebben bezwaar gemaakt tegen de omgevingsvergunning. Met het bestreden besluit van 25 september 2025 op het bezwaar van eisers is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 30 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser 1] en [eiser 2] namens eisers en de gemachtigde van het college. Als toehoorder was de Medewerker Apv vergunningen van de gemeente IJsselstein aanwezig.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt of het college de omgevingsvergunning voor de uitweg terecht heeft verleend. Dat doe zij aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden.
Toetsingskader
4. Bij haar beoordeling stelt de rechtbank voorop dat op 1 januari 2024 de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is ingetrokken en de Omgevingswet in werking is getreden. Omdat de aanvraag om de omgevingsvergunning ná die datum is ingediend, is in deze zaak de Omgevingswet van toepassing.
4.1.
Ten tijde van de aanvraag was de Algemene plaatselijke verordening gemeente IJsselstein 2023 (de Apv 2023) van toepassing. Op grond van artikel 2:12, eerste lid, van de Apv 2023 is het verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg
.
4.2.
Artikel 2.12 van de Apv 2023 bepaalt dat een omgevingsvergunning voor een uitweg slechts wordt geweigerd als de activiteit in strijd is met één of meer van de genoemde weigeringsgronden. Op grond van artikel 2:12, tweede lid, van de Apv 2023 wordt de aanvraag om een uitwegvergunning slechts geweigerd:
ter voorkoming van gevaar voor het verkeer op de weg;
als de uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats, tenzij het niet noodzakelijk is om deze parkeerplaats te behouden;
als door de uitweg het openbaar groen op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; of
als er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen, tenzij het niet noodzakelijk is om deze parkeerplaats of dat groen te behouden.
Als géén van deze weigeringsgronden aan de orde is, wordt de omgevingsvergunning voor de uitweg verleend.
Toetsing van het voorschrift
5. De rechtbank overweegt dat de Apv een algemeen verbindend voorschrift (avv) is van de lokale overheid en geen formele wet van de landelijke wetgever. Wanneer een bestreden besluit is gebaseerd op een avv dat in strijd is met een algemeen rechtsbeginsel, dan kan de rechtbank het avv bij de beoordeling van dat besluit onverbindend achten (exceptieve toetsing) of buiten toepassing laten (rechtstreekse toetsing). Bij exceptieve toetsing toetst de rechtbank of het voorschrift als zodanig niet rechtmatig is en bij rechtstreekse toetsing toetst de rechtbank of de toepassing van het avv zozeer in strijd komt met het evenredigheidsbeginsel dat die toepassing achterwege moet blijven.
5.1.
De rechtbank overweegt dat sprake is van een gebonden bevoegdheid in een avv. Artikel 2.12 van de Apv 2023 geeft een vastomlijnd toetsingskader. De vergunning voor een uitweg wordt slechts geweigerd als de activiteit in strijd is met één of meer van de genoemde weigeringsgronden. Er is in zoverre sprake van een gebonden besluit.
5.2.
De hoogste bestuursrechters hebben in vaste rechtspraak vastgelegd op welke wijze de toetsing van gebonden bevoegdheden in een avv plaatsvindt. [2] De toetsing aan het evenredigheidsbeginsel van een gebonden besluit dat op een avv berust, vindt niet op dezelfde wijze plaats als bij een besluit dat op een discretionaire bevoegdheid berust. Tussen beide soorten gevallen bestaat een wezenlijk verschil. Bij een discretionaire bevoegdheid moet door het bevoegde bestuursorgaan nog een belangenafweging plaatsvinden. Bij een gebonden bevoegdheid heeft op het niveau van het avv al een belangenafweging in algemene zin plaatsgevonden. De uitkomst daarvan is neergelegd in de wettelijke voorwaarden voor de uitoefening van die bevoegdheid. Daarmee is in beginsel ook de evenredigheid van het besluit gegeven. Het te nemen besluit volgt immers uit het wel of niet vervuld zijn van de toepassingsvoorwaarden en het bestuursorgaan hoeft geen belangenafweging te maken. [3]
5.3.
Niettemin kunnen er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat in het voorliggende geval toepassing van het avv voor een of meer belanghebbenden zozeer in strijd komt met het evenredigheidsbeginsel dat die toepassing achterwege moet blijven. Dit betekent dat het bestuursorgaan uiteindelijk (“onder de streep”) nog wel moet beoordelen of er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat toepassing van het avv in het voorliggende geval tot een onevenredige uitkomst zou leiden, maar daarbij gaat het dan alleen nog om de evenwichtigheid (de evenredigheid “stricto sensu”). Een besluit is onevenwichtig als het in de gegeven omstandigheden voor een of meer belanghebbenden onredelijk bezwarend is. [4]
Exceptieve toetsing
5.4.
Eisers vinden de weigeringsgrond in strijd met het evenredigheidsbeginsel, omdat het doel van de uitweg niet langer wordt afgewogen tegen het belang van openbare parkeergelegenheid. Zij vinden dat dit tot scheve uitkomsten kan leiden.
5.5.
Het college vindt dat deze bepaling niet tot onevenredige of willekeurige uitkomsten leidt.
5.6.
De rechtbank overweegt dat het beroep van eiseres primair strekt tot exceptieve toetsing van de bepaling in het avv. Eisers hebben niet onderbouwd waarom deze bepaling tot onevenredige of scheve uitkomsten zou leiden. De rechtbank is van oordeel dat de gewijzigde bepaling in de Apv een redelijke invulling is van de regelgevende bevoegdheid.
5.7.
Eisers hebben niet onderbouwd waarom deze bepaling tot onevenredige uitkomsten zou leiden. Weliswaar is het criterium van de noodzaak van de uitweg verlaten, maar dat maakt nog niet dat de bepaling in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Naar het oordeel is de gewijzigde bepaling in de Apv een redelijke invulling van de regelgevende bevoegdheid. Er is geen reden om het voorschrift onverbindend te verklaren.
Onzorgvuldige totstandkoming van het voorschrift
5.8.
Eisers voeren onder verwijzing naar een arrest van het Hof ‘s-Hertogenbosch [5] ook aan dat de nieuwe bepaling in de Apv onzorgvuldig is voorbereid en vastgesteld en daarom buiten toepassing moet worden gelaten.
5.9.
Het college voert aan dat het Apv artikel is verduidelijkt, zodat de al jaren bestaande uitvoeringspraktijk wordt ondersteund door het artikel. De raad heeft daarmee unaniem ingestemd.
5.10.
De rechtbank stelt vast dat in het raadsvoorstel staat dat het artikel over de aanleg van uitwegen wordt verduidelijkt en dat er geen argumenten voor zijn om de wijzigingen niet door te voeren. Het raadsvoorstel is als hamerstuk afgedaan. De rechtbank is van oordeel dat, in tegenstelling tot het standpunt van het college, géén sprake is van een verduidelijking maar van een evidente wijziging van het artikel over uitwegen. Dat het college stelt dat met deze wijziging de Apv in lijn is gebracht met een bestaande uitvoeringspraktijk, maakt dat niet anders. De rechtbank stelt echter ook vast dat bij de toelichting op de wijziging van dit artikel staat:
“Een aanpassing van dit artikel is gewenst om de aanleg van uitwegen mogelijk te maken als er in een straat geen parkeerproblemen aanwezig zijn”. De rechtbank acht dit een duidelijke en juiste omschrijving van wat de wijziging van het artikel inhoudt. Het enkele gegeven dat het raadsvoorstel is afgedaan als hamerstuk, is onvoldoende om te spreken van onzorgvuldige besluitvorming. De rechtbank ziet daarom geen reden om te oordelen dat bij de wijziging van de Apv sprake is geweest van onzorgvuldige besluitvorming die het buiten toepassing laten van het voorschrift tot gevolg zou moeten hebben.
Rechtstreekse toetsing
5.11.
Rechtstreekse toetsing van het voorschrift houdt in dat er bijzondere omstandigheden kunnen zijn die maken dat in het voorliggende geval toepassing van het avv voor eiseres zozeer in strijd komt met het evenredigheidsbeginsel dat die toepassing achterwege moet blijven. Het gaat om de evenwichtigheid van het besluit en daarmee om de vraag of de uitkomst voor eisers onredelijk bezwarend is. De rechtbank overweegt dat eisers hierover niets hebben aangevoerd, anders dan dat zij afhankelijk zijn van openbaar parkeren. Ook uit hetgeen hierover tijdens de behandeling van het beroep op zitting is besproken volgt niet dat het bestreden besluit voor eisers onredelijk bezwarend is. Ook bij rechtstreekse toetsing is er daarom geen reden om het voorschrift buiten toepassing te laten.
Is er sprake van een weigeringsgrond?
6. Eisers voeren aan dat de weigeringsgrond van artikel 2:12, tweede lid, sub b van de Apv 2023 aan de orde is. Zij voeren aan dat de uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats en dat dit reden is om de omgevingsvergunning te weigeren. Zij vinden het behoud van de openbare parkeerplaats wel noodzakelijk.
6.1.
Het college voert aan dat geen sprake is van een weigeringsgrond. Weliswaar gaat de uitweg ten koste van een openbare parkeerplaats, maar het is niet noodzakelijk om de openbare parkeerplaats te behouden.
6.2.
De rechtbank stelt voorop dat met de wijziging van artikel 2.12, tweede lid, sub b van de Apv 2023 niet langer de noodzaak van de uitweg wordt beoordeeld, maar dat moet worden beoordeeld of de openbare parkeerplaats niet noodzakelijk is. De rechtbank wijst er in dat kader op dat de door eisers aangehaalde rechtspraak, onder andere van een geval één straat verderop, geen toepassing vindt bij de beoordeling van dit geschil. Deze weigeringsgrond is immers niet meer hetzelfde.
6.3.
Het college heeft in het bestreden besluit de volgende nadere motivering heeft gegeven waarom het niet noodzakelijk is om de openbare parkeerplaats te behouden:
“Er gaat inderdaad een deel van de te gebruiken parkeerruimte verloren, maar de verloren ruimte is feitelijk niet genoeg voor 1 auto (de uitrit is 4 meter en de ruimte voor auto is 5,5 meter). Er wordt ook en voertuig minder in de openbare ruimte geparkeerd, aangezien de bewoners van nr. [nummer] hun auto nu op eigen terrein kunnen parkeren. Daarnaast blijkt uit het laatste parkeeronderzoek uit 2023 dat er weinig tot geen sprake is van hoge parkeerdruk in de buurt. Voor de telgegevens verwijzen wij naar bijlage 2 bij het commissieadvies en naar de aparte bijlage bij dit besluit. Er zal dus altijd een parkeerplek beschikbaar zijn, in ieder geval binnen 150 meter loopafstand”.
6.4.
De rechtbank is van oordeel dat het college hiermee onvoldoende heeft gemotiveerd dat geen sprake is van een weigeringsgrond. Daarvoor is het volgende van belang. Aan vergunninghouder is weliswaar een uitwegvergunning verleend, maar er is geen vergunning voor het gebruik van de oprit verleend. Ook op de zitting heeft het college laten weten dat deze vergunning niet is verleend en dat vergunninghouder de aanvraag hangende deze procedure ook zou hebben ingetrokken. De rechtbank oordeelt daarom dat de overweging dat vergunninghouder de auto nu op eigen terrein kan parkeren feitelijk onjuist is en daarom geen deugdelijke motivering. De rechtbank stelt verder vast dat bij het bestreden besluit niet alle gegevens van het parkeerdrukonderzoek waren gevoegd. In het bijzonder ontbraken gegevens van een groot deel van de straat, waaronder het wegvak bij de woning van eisers. De rechtbank concludeert dat de feitelijke situatie in het wegvak bij de woning van eisers niet is meegenomen (parkeersectie [nummer] ), nu uit de bestreden besluit blijkt dat alleen parkeersecties [nummer] tot en met [nummer] zijn meegenomen. Dat geen sprake is van een hoge parkeerdruk in de buurt, volgt dus niet uit de bij het bestreden besluit gevoegde gegevens. Naar het oordeel van de rechtbank is in het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd dat het niet noodzakelijk is om de openbare parkeerplaats te behouden. Daarmee is onvoldoende gemotiveerd dat geen sprake is van een weigeringsgrond. De uitspraak op bezwaar is in strijd met artikel 3:46 en Pro 7:12 van de Awb genomen. Het beroep is daarom gegrond.
6.5.
De rechtbank zal hierna bepalen, onder toepassing van 8:72, derde lid, onder a, van de Awb, of de rechtsgevolgen van de uitspraak op bezwaar in stand kunnen blijven.
6.6.
De rechtbank overweegt dat in beroep alsnog het volledige parkeerdrukonderzoek is overgelegd door het college, waaronder ook de gegevens van de gehele straat en omliggende straten. Hiermee zijn ook de gegevens van het wegvak waaraan de woning van eisers ligt (parkeersectie [nummer] ) en direct omliggende parkeersecties verkregen (in het bijzonder parkeersectie [nummer] ). Op de zitting heeft het college toegelicht dat op grond van het parkeerbeleid 2025 voor de beoordeling van hoge parkeerdruk wordt uitgegaan van een parkeerdruk van 95%. De rechtbank stelt vast dat uit het parkeerdrukonderzoek blijkt dat de parkeerdruk in de straat van eisers veelal onder de 85% ligt, en in parkeersecties [nummer] en [nummer] steeds onder de 85% blijft. De rechtbank ziet geen reden om te oordelen dat het college deze gegevens van het parkeerdrukonderzoek niet ten grondslag zou mogen leggen aan de beoordeling van de noodzaak van de openbare parkeerruimte. Nu uit de gegevens van het parkeerdrukonderzoek blijkt dat de parkeerdruk in parkeersectie [nummer] en in de direct omliggende parkeersecties onder de 85% ligt, is de rechtbank van oordeel dat het college aannemelijk heeft gemaakt dat het niet noodzakelijk is om de openbare parkeerplaats te behouden die door de aanleg van de uitweg verloren gaat. Daarom is geen sprake van de weigeringsgrond van artikel 2.12, tweede lid, sub b van de Apv 2023. Het college moest de omgevingsvergunning voor de uitweg dus verlenen. Dit betekent dat de rechtbank de rechtsgevolgen van de uitspraak op bezwaar in stand zal laten.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is gegrond omdat de uitspraak op bezwaar in strijd is met het motiveringsbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar. De rechtbank laat de rechtsgevolgen van de uitspraak op bezwaar echter in stand, omdat het college aannemelijk heeft gemaakt dat geen sprake is van een weigeringsgrond.
7.1.
Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eisers vergoeden. Verder krijgen eisers ook een vergoeding voor de gevraagde reiskosten van
€ 17,84 voor het bijwonen van de zitting bij de rechtbank.

Beslissing

De rechtbank
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
  • bepaalt dat het college het griffierecht van € 194,-- moet vergoeden;
  • veroordeelt het college tot betaling van € 17,84 aan proceskosten.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Coenen, rechter, in aanwezigheid van mr. L.A.E. Hagendoorn, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 13 maart 2026.
de griffier is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland 14 maart 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:1364.
2.Uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 26 maart 2024, ECLI:NL:CBB:2024:190.
3.Idem, r.o. 8.2.
4.Idem, r.o. 8.2.
5.Uitspraak van het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch van 23 maart 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:936