ECLI:NL:RBMNE:2026:1132

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
11 maart 2026
Publicatiedatum
23 maart 2026
Zaaknummer
11862624 \ UC EXPL 25-6997
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:231 lid 2 BWArt. 6:265 lid 1 BWArt. 7:213 BWArt. 13b OpiumwetArt. 5:2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Buitengerechtelijke ontbinding huurovereenkomst na burgemeesterssluiting woning wegens handel in drugs

De zaak betreft een huurovereenkomst tussen Stichting Woonin en twee huurders die met hun vijf minderjarige kinderen een woning huren. Op 14 januari 2025 werd in de woning een handelshoeveelheid drugs aangetroffen, waarna de burgemeester de woning feitelijk sloot voor drie maanden. Woonin maakte op 30 mei 2025 gebruik van haar recht tot buitengerechtelijke ontbinding van de huurovereenkomst.

De kantonrechter oordeelt dat de ontbinding terecht is, omdat de huurders tekortgeschoten zijn in hun verplichtingen als goede huurders door het aanwezig zijn van grote hoeveelheden cocaïne en het gebruik van de woning als schakel in georganiseerde drugshandel. Het verweer van de huurder dat zij geen wetenschap had van de drugs wordt verworpen op basis van de feiten en bestuurlijke rapportages.

Hoewel de belangen van de minderjarige kinderen zwaar wegen, wegen deze niet op tegen het belang van Woonin om haar zero-tolerance beleid tegen drugs te handhaven en de leefbaarheid in de buurt te beschermen. De kantonrechter wijst de vorderingen van Woonin toe en legt een ontruimingstermijn van twee maanden op, waarbij ook de proceskosten worden toegewezen aan Woonin.

Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, met uitzondering van de verklaring van recht, zodat Woonin direct kan overgaan tot uitvoering ondanks eventueel hoger beroep.

Uitkomst: De huurovereenkomst is terecht buitengerechtelijk ontbonden en de huurders moeten de woning binnen twee maanden ontruimen.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 11862624 \ UC EXPL 25-6997
Vonnis van 11 maart 2026
in de zaak van
STICHTING WOONIN,
gevestigd in Utrecht,
eisende partij,
hierna te noemen: Woonin,
gemachtigde: mr. P.F.M. Broos,
tegen

1.[gedaagde sub 1] ,

verblijvend in [plaats 1] ,
verder ook te noemen: [gedaagde sub 1] ,
2.
[gedaagde sub 2],
wonend in [woonplaats] ,
verder ook te noemen: [gedaagde sub 2] ,
gedaagde partijen,
gemachtigde: mr. H.F.C. Hoogendoorn.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding(en) met producties 1 tot en met 3 [1] ,
  • de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 4,
  • de brieven aan partijen waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
  • productie 5 tot en met 7 van Woonin,
  • productie 5 van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] ,
  • de mondelinge behandeling van 11 februari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
De kantonrechter heeft vervolgens bepaald dat vandaag uitspraak wordt gedaan.

2.De kern van de zaak

2.1.
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] , inmiddels ex-partners, huren sinds 1 februari 2019 met hun vijf kinderen de woning aan de [adres] in [plaats 2] van Woonin. Op 14 januari 2025 heeft de politie in de woning een handelshoeveelheid drugs gevonden. De burgemeester van de gemeente Utrecht heeft de woning daarom met ingang van 22 mei 2025 feitelijk gesloten voor een periode van drie maanden. Op 30 mei 2025 heeft Woonin de huurovereenkomst buitengerechtelijk ontbonden.
Woonin wil (primair) dat de kantonrechter voor recht verklaart dat de huurovereenkomst terecht buitengerechtelijk is ontbonden en anders (subsidiair) dat de kantonrechter de huurovereenkomst alsnog ontbindt. In beide gevallen wil Woonin dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] worden veroordeeld de woning ontruimen.
[gedaagde sub 1] heeft zich al van het adres van de woning uitgeschreven en heeft geen inhoudelijk verweer gevoerd tegen de ten aanzien van hem ingestelde vorderingen. [gedaagde sub 2] heeft wel verweer gevoerd tegen de ten aanzien van haar ingestelde vorderingen. Zij stelt dat, mede gezien de belangen van de minderjarige kinderen, de buitengerechtelijke ontbinding disproportioneel en niet evenredig is.
De kantonrechter oordeelt dat Woonin de huurovereenkomst terecht buitengerechtelijk heeft ontbonden en [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] de woning binnen twee maanden moeten ontruimen.

3.De beoordeling

 De vorderingen tegen [gedaagde sub 2]
3.1.
Hierna beoordeelt de kantonrechter eerst de vorderingen tegen en het verweer van [gedaagde sub 2] .
De mogelijkheid om de huurovereenkomst buitengerechtelijk te ontbinden
3.2.
Het staat vast dat de burgemeester van de gemeente Utrecht de woning op grond van artikel 13b van de Opiumwet feitelijk heeft gesloten voor een periode van drie maanden met ingang van 22 mei 2025. [2] In de wet [3] is bepaald dat de verhuurder de huurovereenkomst met betrekking tot de woning in dat geval
buitengerechtelijkkan ontbinden. Woonin heeft tijdens de feitelijke sluiting van de woning, op 30 mei 2025 van deze mogelijkheid gebruik gemaakt.
De buitengerechtelijke ontbinding houdt stand
De maatstaven van artikel 6:265 lid 1 BW Pro
3.3.
De Hoge Raad heeft in zijn prejudiciële beslissing van 28 november 2025 [4] geoordeeld dat aan de hand van de maatstaven van artikel 6:265 lid 1 BW Pro moet worden beoordeeld of de
buitengerechtelijkeontbinding [5] stand houdt. Met andere woorden, de maatstaven voor de beoordeling van de
buitengerechtelijkeen de
gerechtelijkeontbinding, zijn dezelfde.
3.4.
Artikel 6:265 lid 1 BW Pro bepaalt ten aanzien van wederkerige overeenkomsten dat iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen, aan de wederpartij de bevoegdheid geeft om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. De in de bepaling vervatte hoofdregel en de tenzijbepaling tezamen brengen de materiële rechtsregel tot uitdrukking dat slechts een tekortkoming van voldoende gewicht recht geeft op (gehele of gedeeltelijke) ontbinding van de overeenkomst. Bij de beantwoording van de vraag of de ontbinding gerechtvaardigd is, kunnen naast de in de tenzij-bepaling genoemde gezichtspunten alle overige omstandigheden van het geval van belang zijn. [6]
Tekortkomingen
3.5.
Het staat vast dat in de woning een grote handelshoeveelheid verdovende middelen is gevonden. Uit de door de politie opgestelde bestuurlijke rapportages, op basis waarvan de burgemeester de woning heeft gesloten, blijkt dat op 14 januari 2025 in de woning:
  • 4020 gram cocaïne,
  • 110 ponypacks gevuld met cocaïne,
  • tientallen lege ponypacks,
  • 4 kleine brokjes cocaïne,
  • 10 mobiele telefoons,
  • meerdere weegschalen en
  • vier blokken nep geld van € 500,00
is gevonden. Volgens de politie is het aannemelijk dat deze goederen “
gebruikt worden voor de verwerking en handel van verdovende middelen.” Uit de bestuurlijke rapportage volgt verder dat de aangetroffen cocaïne een handelswaarde heeft tussen de € 80.000,00 en € 112.000,00 en een potentiële straatwaarde van € 200.000,00 en dat “
een neefje van de familie zich bezighield met de straathandel van cocaïne. Bevonden werd dat dit neefje zich liet bevoorraden vanuit de woning (…).
Dat in de woning een grote handelshoeveelheid verdovende middelen aanwezig was, alsmede het feit dat lokale straatdealer zich lieten bevoorraden vanuit de woning, vergroot het risico op een ripdeal in de woning.”Dit alles heeft [gedaagde sub 2] niet weersproken.
3.6.
De huurder is verplicht zich ten aanzien van het gebruik van de gehuurde zaak als een goed huurder te gedragen. [7] Dat behelst onder meer de verplichting om in het gehuurde geen drugs voor handen te hebben alsook het gehuurde alleen als woning te gebruiken en niet voor bedrijfs- of beroepsmatige handel in harddrugs.
3.7.
Doordat op 14 januari 2025 in de woning voormeld handelshoeveel verdovende middelen aanwezig was en uit de bestuurlijke rapportage blijkt dat de woning een schakel in georganiseerde drugshandel is doordat vanuit de woning dealers werden bevoorraad, is [gedaagde sub 2] tekortgeschoten in deze verplichtingen. Zij heeft immers niet verhinderd dat in de woning een handelshoeveelheid verdovende middelen voor handen was en niet ervoor gezorgd dat het gehuurde alleen als woning werd gebruikt.
3.8.
De stelling van [gedaagde sub 2] dat zij geen weet had van de aanwezigheid van drugs in de woning en de handel vanuit de woning, verwerpt de kantonrechter. Zie ter motivering van dit oordeel wat onder 3.16. staat.
Toerekenbaarheid niet nodig
3.9.
Anders dan [gedaagde sub 2] stelt, is voor het ontstaan van de bevoegdheid tot ontbinding niet nodig dat de tekortkoming toerekenbaar is. De verwijtbaarheid van het gedrag van de huurder dat de aanleiding vormt voor de ontbinding en ontruiming van het gehuurde, behoort tot de omstandigheden die meewegen bij de beoordeling of de daarin gelegen tekortkoming de ontbinding rechtvaardigt. [8]
Verzuim niet vereist
3.10.
Woonin heeft gesteld dat de nakoming van de verplichting om zich als een goed huurder te gedragen door in de woning geen drugs voor handen te hebben en het gehuurde alleen als woning te gebruiken, wat betreft het verleden blijvend onmogelijk is omdat die tekortkoming niet ongedaan kan worden gemaakt. Verzuim is dan ook niet vereist voor de ontbinding. [gedaagde sub 2] heeft dit niet weersproken.
3.11.
Overigens heeft de Hoge Raad in zijn prejudiciële beslissing van 28 november 2025 [9] niet geoordeeld dat artikel 6:265 lid 2 BW Pro dat over verzuim gaat, ook van toepassing is ingeval een verhuurder gebruik maakt van de mogelijkheid van de buitengerechtelijke ontbinding als bedoeld in artikel 7:231 lid 2 BW Pro.
Beroep op de tenzij-bepaling faalt
3.12.
De kantonrechter oordeelt dat het beroep van [gedaagde sub 2] op de tenzij-bepaling, faalt. Dit legt de kantonrechter hierna uit.
3.13.
Omdat de onder 3.7. vastgestelde tekortkomingen van [gedaagde sub 2] ernstig van aard zijn en van voldoende gewicht, geven zij recht op de ontbinding van de huurovereenkomst.
3.14.
Woonin heeft er een zwaarwegend belang bij om op te treden tegen handel in drugs vanuit haar woningen en de aanwezigheid van drugs in haar woningen. Zij heeft als woningcorporatie de taak om bij te dragen aan de leefbaarheid en veiligheid in de buurten en wijken waarin haar huurwoningen zijn gelegen. Het is een feit van algemene bekendheid dat het produceren en verhandelen van harddrugs risico's en nadelen met zich brengt en een negatief effect heeft op de leefomgeving. Wanneer hier niet strikt de hand aan wordt gehouden, kan dit op korte termijn leiden tot overlast en criminaliteit. Zij voert daarom een zero-tolerance-beleid ten aanzien van drugs gerelateerde activiteiten, wat betekent dat zij in alle gevallen overgaat tot het starten van een procedure om de huur te beëindigen, voor zover huurders niet vrijwillig de huur willen opzeggen.
3.15.
De kantonrechter volgt [gedaagde sub 2] niet in haar stelling dat Woonin het zero-tolerance beleid niet consequent toepast doordat Woonin in dit geval geen kort geding tot ontruiming is gestart. Woonin heeft immers vanwege haar zero-tolerance-beleid al op 30 mei 2025 gebruik gemaakt van de in artikel 7:231 lid 2 BW Pro neergelegde mogelijkheid om de huurovereenkomst buitengerechtelijk te ontbinden. Daarmee heeft zij de situatie juist niet gedoogd. Woonin heeft verder toegelicht dat zij, vanwege de kinderen, eerst heeft gezocht naar een (alternatieve) oplossing. Doordat Woonin, ná de mededeling van [gedaagde sub 2] dat zij zich niet zal neerleggen bij de buitengerechtelijke ontbinding, deze procedure aanhangig heeft gemaakt, geeft zij dan ook verdere uitvoering aan haar zero-tolerance-beleid.
3.16.
[gedaagde sub 2] heeft aangevoerd dat alleen [gedaagde sub 1] door het Openbaar Ministerie in verband is gebracht met de strafrechtelijk verdenkingen ten aanzien van de in de woning aangetroffen harddrugs en zij daar geen wetenschap van of betrokkenheid bij heeft gehad. De kantonrechter verwerpt de stelling dat [gedaagde sub 2] geen wetenschap daarvan heeft gehad. Zoals hiervoor al vermeld, liet het neefje van de familie, die zich bezighield met de straathandel van cocaïne, zich bevoorraden vanuit de woning. Dit feit doet sterk afbreuk aan de juistheid van voormelde stelling van [gedaagde sub 2] . Uit de bestuurlijke rapportage volgt verder dat de gevonden goederen – als vermeld onder 3.5. – (gedeeltelijk) binnen handbereik in de keuken lagen, namelijk “
In het keukenkasje, nabij een kinderdrinkbeker lag een stoffentas met daarin een grote hoeveelheid voor gevouwen ponypacks. Ondanks dat deze tas niet doorschijnend was, kon eenieder de tas openen en de inhoud bekijken.”en dat “
achter de keukenplint 4 blokken met cocaïne (werden
) aangetroffen. Het verwijderen van de keukenplint om toegang te krijgen tot de cocaïne moet voor eenieder in de woning zichtbaar zijn.”en
“In de keukenlade, naast goederen die veelvuldig in het dagelijkse gebruik worden gebruikt lagen tweegrammen weegschalen. Dergelijke kleine weegschaaltjes, zijn niet praktisch om te gebruiken in de keuken.”Ook deze feiten en/of omstandigheden doen sterk afbreuk aan de stelling dat [gedaagde sub 2] niets van de in de woning aanwezige drugs en de daaraan gerelateerde activiteiten heeft geweten.
3.17.
Omdat [gedaagde sub 2] niet kan worden gevolgd in haar stelling dat zij van niets wist, kan haar wel degelijk een verwijt worden gemaakt dat zij in haar onder 3.7. vermelde verplichtingen jegens Woonin tekort is geschoten.
3.18.
[gedaagde sub 2] noemt verder dat [gedaagde sub 1] op dit moment niet meer in de woning verblijft en daar ook niet meer zal gaan wonen. De relatie is beëindigd en het gevaar voor herhaling is in die zin geweken. Ter onderbouwing hiervan verwijst zij naar een verklaring van de huisarts. Volgens Woonin verblijft [gedaagde sub 1] volgens omwonenden nog wel in de woning. [gedaagde sub 2] stelt echter dat hij slechts nog af en toe langs komt, om de kinderen te kunnen zien. De kantonrechter is van oordeel dat de vraag of [gedaagde sub 1] al dan niet nog zijn hoofdverblijf in de woning heeft, in dit verband niet relevant is. De woning is immers in verband gebracht met drugs gerelateerde gedragingen van haar bewoners en Woonin heeft er belang bij dat zij daartegen, ook richting omwonenden, zichtbaar en consequent optreedt. Voor Woonin is van belang dat deze woning, ook in het criminele circuit, niet meer bekend staat als een ‘drugspand/drugsdepot’ en dat dat bewerkstelligt wordt wanneer de bewoners die de woning als zodanig hebben gebruikt vertrekken. Dat [gedaagde sub 2] na de burgemeesterssluiting van de woning weer feitelijk gebruik heeft kunnen maken van de woning, doet hier niet aan af.
3.19.
Tegenover de belangen van Woonin bij ontbinding en ontruiming staan de belangen van [gedaagde sub 2] en de kinderen om in de woning te kunnen blijven wonen [10] en het belang van de kinderen om niet van hun moeder gescheiden te raken [11] . [gedaagde sub 2] heeft vijf minderjarige kinderen. [gedaagde sub 2] stelt dat zij op dit moment geen zicht hebben op alternatieve huisvesting. Mede gelet op de omvang van het gezin, zullen zij niet zomaar ergens anders terecht kunnen. [gedaagde sub 2] vreest dat de kinderen in pleeggezinnen worden geplaatst wanneer zij de woning moeten verlaten.
3.20.
Aan de belangen van de kinderen om niet dakloos te worden en niet gescheiden te raken van hun ouder(s) komt een bijzonder gewicht toe. Hoewel deze belangen zwaar wegen, behoeven zij niet de doorslag te geven; zij moeten worden afgewogen tegen de overige belangen, met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, zoals de aanwezigheid van alternatieve huisvesting en de mate van verwijtbaarheid van het gedrag van de huurder dat de aanleiding vormt voor een vordering tot ontbinding en ontruiming van het gehuurde. Het voorkómen van (de kans op) dakloosheid van een kind en het gescheiden raken van een kind van zijn ouders, ligt niet in de eerste plaats op de weg van de verhuurder maar op de weg van ouders [12] en de overheid, terwijl de verhuurder onder omstandigheden ook rekening heeft te houden met belangen van derden. [13]
3.21.
[gedaagde sub 2] heeft weliswaar gesteld dat er voor haar en haar kinderen geen alternatieve huisvestiging dan wel opvang is, maar deze stelling heeft zij niet onderbouwd. Integendeel. Vaststaat dat [gedaagde sub 2] over een sociaal netwerk beschikt (waarvan haar moeder deel uitmaakt) dat haar en haar kinderen gedurende de burgemeesterssluiting van de woning heeft opgevangen. Niet is gebleken dat [gedaagde sub 2] en haar kinderen niet opnieuw van dat netwerk gebruik kunnen maken, al is het maar voor de duur van de periode waarin [gedaagde sub 2] op zoek gaat naar andere huisvesting voor haar en haar kinderen. Daarbij kan [gedaagde sub 2] gebruik maken van bijstand van (gemeentelijke) hulpverlenende instanties. Hierbij heeft de kantonrechter in aanmerking genomen dat haar ambtshalve bekend is, dat de gemeente Utrechts als vaste gedragslijn zich inspant om bij dreigende ontruimingen dakloosheid van haar inwoners te voorkomen en gezinnen bij elkaar te houden. Dat [gedaagde sub 2] vorenbedoelde reële inspanningen al tevergeefs heeft verricht, is niet gebleken.
3.22.
Voorts is van belang dat Woonin tijdens de mondelinge behandeling heeft gemeld dat zij [gedaagde sub 2] en haar kinderen een (andere) woning op basis van het Laatste Kansbeleid kan aanbieden, maar alleen wanneer het [gedaagde sub 2] ondanks reële inspanningen (eventueel met de hulp van de gemeente) niet lukt andere passende woonruimte te vinden. Door Woonin wordt daarbij benadrukt – onder verwijzing naar de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 28 november 2025 [14] – dat het in de eerste plaats niet op de weg van Woonin als verhuurder, maar op de weg van de ouders van de kinderen en de overheid ligt, om te voorkomen dat de kinderen dakloos worden of gescheiden worden van hun ouders. In die zin mag van [gedaagde sub 2] dan ook verwachten worden dat zij reële inspanningen verricht.
3.23.
Mede gelet op deze toezegging van de zijde van Woonin, weegt het belang van [gedaagde sub 2] en de kinderen om in de woning te kunnen blijven wonen niet op tegen het belang van Woonin om in het kader van haar zero-tolerance-beleid tot ontbinding en in het verlengde daarvan tot ontruiming over te kunnen gaan. Weliswaar zullen de kinderen, wanneer geen alternatieve huisvesting in de buurt kan worden gevonden, uit hun sociale omgeving worden gehaald, maar het is de kantonrechter niet gebleken dat dit onoverkomelijk is.
3.24.
Op grond van al het voorgaande is de kantonrechter van oordeel, dat de
buitengerechtelijkeontbinding gerechtvaardigd is en dus stand houdt. Dit betekent dat [gedaagde sub 2] sinds de ontvangst van de buitengerechtelijke ontbindingsverklaring van 30 mei 2025 zonder recht of titel in de woning verblijft. Woonin is dan ook bevoegd haar eigendom van [gedaagde sub 2] op te eisen. [15]
Conclusie
3.25.
Het voorgaande leidt ertoe dat de gevorderde verklaring van recht dat de huurovereenkomst voor de woning buitengerechtelijk is ontbonden wordt toegewezen. Aan de beoordeling van de vordering tot gerechtelijke ontbinding, komt de kantonrechter dan ook niet toe. Ook de vordering om [gedaagde sub 2] te veroordelen de woning te ontruimen wordt toegewezen.
Ontruimingstermijn
3.26.
Woonin vordert een ontruiming met een termijn van zeven dagen. Dit is te kort, mede omdat voorkomen moet worden dat de kinderen van [gedaagde sub 2] dakloos worden of van hun moeder gescheiden raken en [gedaagde sub 2] in dat verband eerst zelf reële inspanningen dient te verrichten om andere passende woonruimte dan wel opvang te vinden. Woonin heeft bovendien tijdens de mondelinge behandeling zelf ook verklaard dat een ontruimingstermijn van zeven dagen te kort is en een langere ontruimingstermijn zeker bespreekbaar is. De kantonrechter vindt een ontruimingstermijn van twee maanden redelijk.
 Vorderingen tegen [gedaagde sub 1]
3.27.
[gedaagde sub 1] heeft geen inhoudelijk verweer gevoerd tegen de door Woonin ten aanzien van hem ingestelde vorderingen. In reactie op een vraag van de kantonrechter, heeft mr. Hoogendoorn als de gemachtigde van [gedaagde sub 1] bevestigd dat [gedaagde sub 1] niet opkomt tegen de ten aanzien van hem ingestelde vorderingen van Woonin. Die vorderingen wijst de kantonrechter dan ook toe. Enkel vanwege de praktische uitvoerbaarheid van een (gedwongen) ontruiming/de voor [gedaagde sub 2] vastgestelde ontruimingstermijn van twee maanden, stelt de kantonrechter de ontruimstermijn voor [gedaagde sub 1] ook vast op twee maanden, terwijl voor alleen [gedaagde sub 1] een redelijke termijn van 14 dagen zou hebben volstaan.
 [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] moet de proceskosten betalen
3.28.
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zijn in het ongelijk gesteld en worden daarom in de kosten veroordeeld. Dit betekent dat zij hun eigen proceskosten moet dragen en de proceskosten (inclusief nakosten) van Woonin aan haar moeten betalen. De proceskosten van Woonin, worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
288,94
(2 [16] x €144,47)
- griffierecht
135,00
- salaris gemachtigde
434,00
(2 punten × € 217,00)
- nakosten
108,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
966,44
3.29.
De kantonrechter ziet aanleiding om [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] niet hoofdelijk te veroordelen in de kosten van de twee dagvaardingen en de kosten van de betekening van het vonnis. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] worden wel hoofdelijk veroordeeld in de overige proceskosten.
 Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard
3.30.
De kantonrechter verklaart het vonnis, met uitzondering van de gevorderde verklaring van recht, uitvoerbaar bij voorraad. Dat betekent dat de beslissing moeten worden gevolgd, ook als een van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de kantonrechter geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt. Een verklaring van recht is naar haar aard niet vatbaar voor tenuitvoerlegging en kan daarom niet uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard. [17]
3.31.
[gedaagde sub 2] heeft verzocht dit vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, omdat de gevolgen van een uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beslissing in deze zaak onomkeerbaar en buitengewoon ingrijpend zouden zijn.
3.32.
Het uitgangspunt is dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken als de belangen van in dit geval [gedaagde sub 2] om de uitkomst van een eventueel hoger beroep af te wachten zwaarder wegen dan de belangen van in dit geval Woonin om direct over te kunnen gaan tot uitvoering van het vonnis. De belangen die hierbij worden meegewogen, zijn vermeld onder 3.12. tot en met 3.24. De kantonrechter is van oordeel dat in dit geval de belangen van Woonin zwaarder wegen dan de belangen van [gedaagde sub 2] . Daarom wordt het vonnis, met uitzondering van de gevorderde verklaring van recht, volgens het uitgangspunt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

4.De beslissing

De kantonrechter:
4.1.
verklaart voor recht dat de huurovereenkomst voor de woning, gelegen aan de
[adres] te [plaats 2] , tussen enerzijds Woonin en anderzijds [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] buitengerechtelijk is ontbonden,
4.2.
veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] om binnen twee maanden na betekening van dit vonnis, de woning op het adres [adres] te [plaats 2] te ontruimen en te
verlaten met alle daarin aanwezige personen en zaken, voor zover die aan [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] toebehoren en niet aan Woonin, en om deze woning met afgifte van de sleutels geheel ter vrije beschikking van Woonin te stellen;
4.3.
veroordeelt [gedaagde sub 2] in kosten van de aan haar betekende dagvaarding van € 144,47, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde sub 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna aan haar wordt betekend,
4.4.
veroordeelt [gedaagde sub 1] in kosten van de aan hem betekende dagvaarding van € 144,47, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde sub 1] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna aan hem wordt betekend,
4.5.
veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk in de overige proceskosten van Woonin van (€ 153,00 + € 434,00 + € 108,50 =) € 677,50,
4.6.
verklaart wat onder 4.2. tot en met 4.5. van dit vonnis staat uitvoerbaar bij voorraad,
4.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Ramsaroep en in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2026.

Voetnoten

1.In de dagvaardingen staat dat productie 2 de algemene huurvoorwaarden is, maar die heeft Woonin niet overgelegd.
2.Dit besluit van de burgemeester staat in rechte vast. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde sub 2] gemeld dat, geen beroep is ingesteld tegen de beslissing op bezwaar, waarbij het bezwaar tegen het burgemeestersbesluit ongegrond is verklaard.
3.Artikel 7:231 lid 2 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW).
4.ECLI:NL:HR:2025:1799, rov 3.2.2.
5.Als bedoeld in artikel 7:231 lid 2 BW Pro.
6.Zie de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 28 september 2018 (ECLI:NL:HR:2018:1810, rov. 3.5 en 3.8.13.8.2.)
7.Artikel 7:213 van Pro het Burgerlijk Wetboek
8.Zie prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 28 november 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1799, ,rov. 3.3.5).
10.Zie artikel 8 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en/of artikel 27 van Pro het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK).
11.Zie artikel 9 lid 1 IVRK Pro.
12.Zie artikel 27 lid 2 IVRK Pro.
13.Zie de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 28 november 2025 ( ECLI:NL:HR:2025:1799, rov. 3.3.3 en 3.3.4).
15.Zie artikel 5:2 BW Pro.
16.Woonin heeft zowel aan [gedaagde sub 2] als aan [gedaagde sub 1] een dagvaarding laten betekenen.
17.Zie het arrest van de Hoge Raad van 17 december 2010 (ECLI:NL:HR:2010:BO1815).