ECLI:NL:RBMNE:2026:1120

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
11 maart 2026
Publicatiedatum
23 maart 2026
Zaaknummer
C/16/605090 / KG ZA 26-6
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:15 BWArt. 6:248 lid 2 BWArt. 10.2 KNVB StandaardvoorwaardenArt. 10.3 KNVB StandaardvoorwaardenArt. 10.9 KNVB Standaardvoorwaarden
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing kort geding tegen landelijk stadionverbod en geldboete opgelegd door KNVB

Eiser heeft sinds 2009 een seizoenkaart voor het vak van een voetbalclub en werd op 22 juli 2025 door de KNVB een landelijk stadionverbod van 18 maanden en een geldboete van €450,- opgelegd wegens het vermoeden dat hij het onherkenbaar maken van daders faciliteerde tijdens een wedstrijd waarbij illegaal vuurwerk werd afgestoken.

Eiser betwist de beschuldigingen en stelt dat hij de gedraging niet heeft begaan, dat het stadionverbod disproportioneel is en dat de procedure bij de Commissie stadionverboden onvoldoende rechtswaarborgen biedt. De rechtbank oordeelt dat het geschil moet worden getoetst aan het overeenkomstenrecht, waarbij de KNVB Standaardvoorwaarden en de Richtlijn termijn stadionverbod van toepassing zijn.

De voorzieningenrechter concludeert dat het aannemelijk is dat eiser het spandoek heeft vastgehouden en bewust heeft bijgedragen aan het onherkenbaar maken van daders, wat onder faciliteren valt. Het stadionverbod en de geldboete zijn conform de toepasselijke regels opgelegd en niet disproportioneel. Ook de explootkosten van €95,74 zijn terecht opgelegd.

De vorderingen van eiser worden afgewezen en hij wordt veroordeeld in de proceskosten. De uitspraak is gedaan door mr. M.H. Erich op 11 maart 2026.

Uitkomst: De rechtbank wijst het kort geding af en bevestigt het landelijk stadionverbod en de geldboete opgelegd door de KNVB.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/605090 / KG ZA 26-6
Vonnis in kort geding van 11 maart 2026
in de zaak van
[eiser],
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. C.H.A. Steinmeier,
tegen
KONINKLIJKE NEDERLANDSE VOETBALBOND,
te Zeist,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de KNVB,
advocaat: mr. M.I. van Dijk.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding,
- de producties van [eiser] ,
- de producties van de KNVB,
- de mondelinge behandeling van 24 februari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen
zijn gemaakt,
- de pleitnota van [eiser] ,
- de pleitnota van de KNVB.

2.De kern van het kort geding

2.1
Het gaat in dit kort geding om opheffing of schorsing van een landelijk stadionverbod en een geldboete. Deze maatregelen zijn door de KNVB aan [eiser] opgelegd en door de Commissie stadionverboden van de KNVB (hierna: de Commissie stadionverboden) bevestigd.
2.2
Dit geschil moet niet, zoals in eerdere rechtspraak wel is aangenomen, worden getoetst aan het rechtspersonenrecht. Artikel 2:15 Burgerlijk Pro Wetboek (BW) dat een regeling biedt voor vernietiging van besluiten van organen van rechtspersonen is in dit geval niet van toepassing.
2.3
Het geschil moet worden getoetst aan het overeenkomstenrecht. [1] [eiser] is door het kopen van een toegangsbewijs (een seizoenkaart) aan de KNVB Standaardvoorwaarden en de Richtlijn termijn stadionverbod gebonden. De relatie tussen de KNVB en [eiser] wordt bepaald door de in deze standaardvoorwaarden en richtlijn opgenomen regels. Die regels vormen de grondslag voor het opleggen van een landelijk stadionverbod en een geldboete. De beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid kan meebrengen dat één of meer van die regels toch niet mag worden toegepast.
2.4
De uitkomst van dit kort geding is dat (het aannemelijk is dat) de KNVB het landelijk stadionverbod en de geldboete aan [eiser] mocht opleggen. De vorderingen van [eiser] worden daarom afgewezen.

3.De achtergrond van het geschil

3.1.
[eiser] heeft vanaf 2009 een seizoenkaart in het “ [bijnaam] ” vak van [club] (gehad).
3.2.
Op 16 maart 2025 heeft [eiser] de voetbalwedstrijd tussen [club] en [club] bijgewoond.
3.3.
Voorafgaand aan en tijdens deze wedstrijd is op tribunedeel Zuid, 1e ring (waar ook het vak van [eiser] zich bevindt) een aanzienlijke hoeveelheid illegaal vuurwerk afgestoken. Een groot deel van de bij deze actie betrokken supporters heeft zich eerst onherkenbaar gemaakt door onder één van de spandoeken van kleding te wisselen en een bivakmuts op te zetten.
3.4.
In een brief van 28 mei 2025 [2] laat [club] aan [eiser] weten dat [eiser] ervan wordt “verdacht” dat hij dit onherkenbaar maken heeft gefaciliteerd, doordat hij zich voor een bepaalde langere periode onder één van de spandoeken bevond zonder zich aan de situatie te onttrekken en/of de betreffende doeken heeft vastgehouden zodat anderen zich er onder konden omkleden. [club] laat [eiser] in deze brief verder weten dat:
  • dit faciliteren in strijd is met de toepasselijke KNVB Standaardvoorwaarden,
  • zij van dit voorval melding zal maken bij de KNVB, en dat
  • de KNVB vervolgens beslist over het opleggen van een landelijk stadionverbod en/of geldboete van € 450,-.
3.5.
Op 22 juli 2025 heeft de KNVB door middel van een deurwaardersexploot aan [eiser] een landelijk stadionverbod van 18 maanden (van 23 juli 2025 tot en met
23 januari 2027) en een geldboete van € 450,- opgelegd. Ook is in het exploot vermeld dat [eiser] de explootkosten van € 95,74 moet betalen. In het exploot is verder vermeld dat deze drie maatregelen zijn gebaseerd op de artikelen 10.2. (landelijk stadionverbod), 10.3 (geldboete) en 10.9 (explootkosten) van de KNVB Standaardvoorwaarden.
3.6.
[eiser] heeft gebruik gemaakt van de door de KNVB geboden mogelijkheid om kosteloos bij de Commissie stadionverboden “beroep” in te stellen tegen deze door de KNVB opgelegde maatregelen. De Commissie stadionverboden heeft in haar beslissing van 20 augustus 2025 dit “beroep” ongegrond verklaard [3] . [eiser] heeft de Commissie stadionverboden in een brief van 11 september 2025 [4] verzocht om haar beslissing te herzien. De Commissie stadionverboden heeft dit herzieningsverzoek in een e-mail van
12 september 2025 afgewezen [5] .
3.7.
Daarna heeft [eiser] zijn rechtsbijstandsverzekering (Univé) ingeschakeld.
Univé heeft in een brief van 1 oktober 2025 [6] de Commissie stadionverboden verzocht om het landelijk stadionverbod en de geldboete te seponeren (op te heffen/in te trekken) en aangekondigd een kort geding te zullen starten als dat niet wordt gedaan.
3.8.
De advocaat van [eiser] heeft op 7 januari 2026 een aanvraagformulier voor dit kort geding ingediend. De mondelinge behandeling is met inachtneming van de verhinderdata van partijen bepaald op 24 februari 2026.
3.9.
De vorderingen van [eiser] strekken tot opheffing althans schorsing van het landelijk stadionverbod, de geldboete en de verplichting tot betaling van de explootkosten.
[eiser] voert daarvoor kort gezegd aan dat:
hij de door de KNVB aan hem verweten gedraging niet heeft begaan,
het landelijk stadionverbod disproportioneel/onredelijk is,
de procedure bij de Commissie stadionverboden niet met voldoende rechts-waarborgen is omkleed.

4.De beoordeling

Spoedeisend belang
4.1.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Vereist is daarom dat [eiser] een spoedeisend belang bij zijn vorderingen heeft. Dat is, anders dan de KNVB meent, het geval. Het landelijk stadionverbod en de geldboete zijn opgelegd op
22 juli 2025. Het kort geding is aangevraagd op 7 januari 2026. Het is niet zo dat [eiser] in de tussenliggende periode stil heeft gezeten. Hij heeft gebruik gemaakt van de door KNVB geboden mogelijkheid om (zoals de KNVB het noemt) een “beroepsprocedure” bij de Commissie stadionverboden te voeren (zie 3.6.). Na de uitspraak van deze commissie heeft [eiser] om herziening daarvan verzocht (zie 3.6.). Toen ook dat niet tot het gewenste resultaat leidde, heeft [eiser] zijn rechtsbijstandsverzekeraar ingeschakeld. Deze verzekeraar heeft in een brief van 1 oktober 2025 de Commissie stadionverboden nogmaals verzocht om op haar beslissing terug te komen, bij gebreke waarvan een kort geding zou worden gestart (zie 3.7.). Het heeft daarna nog iets meer dan 2 maanden geduurd voordat deze rechtsbijstandsverzekeraar een advocaat voor [eiser] had ingeschakeld om dit kort geding te starten. Dat maakt echter niet dat [eiser] geen spoedeisend belang meer bij zijn vorderingen in dit kort geding heeft. Dat heeft hij wel aangezien het stadionverbod nog niet is uitgewerkt (het duurt tot 23 januari 2027) en [eiser] er belang bij heeft – welk belang hij ook mondeling nog eens heeft toegelicht – dat hij zo snel mogelijk weer voetbalwedstrijden kan bijwonen. Het is ook niet zo, zoals de KNVB aanvoert, dat dit kort geding uit de lucht komt vallen. Uit het voorgaande volgt dat de KNVB wist dat [eiser] het niet eens was met het aan hem opgelegde landelijk stadionverbod en dat hij daarover een kort geding zou starten.
4.2.
Daarmee wordt toegekomen aan de inhoudelijke beoordeling van de vorderingen van [eiser] .
Toetsingskader
4.3.
Die vorderingen moeten worden beoordeeld aan de hand van het hierna te noemen toetsingskader. Daarop wordt wat uitgebreider ingegaan, omdat over dit toetsingskader in de rechtspraak (jurisprudentie) onduidelijkheid is ontstaan.
Er zijn uitspraken van voorzieningenrechters waarin de vraag of een landelijk stadionverbod en een geldboete mochten worden opgelegd, wordt getoetst aan het rechtspersonenrecht en in het bijzonder artikel 2:15 lid 1 onder Pro a en b BW [7] dat de vernietiging van besluiten van organen van rechtspersonen regelt. En er zijn uitspraken waarbij dit wordt getoetst aan het
overeenkomstenrecht en in het bijzonder de KNVB Standaardvoorwaarden en de Richtlijn termijn stadionverbod.
4.4.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de rechtsgeldigheid van het opleggen van een landelijk stadionverbod en een geldboete moet worden getoetst aan het overeenkomstenrecht. Overigens heeft de KNVB tijdens de mondelinge behandeling bevestigd het daarmee eens te zijn.
Geen toetsing aan rechtspersonenrecht4.5. De rechtsgeldigheid van het opleggen van een landelijk stadionverbod en een geldboete moet niet worden getoetst aan het rechtspersonenrecht, omdat geen sprake is van een besluit van de KNVB of de Commissie stadionverboden zoals bedoeld in artikel 2:15 BW Pro. Er is geen sprake van rechtspersoonlijke relatie tussen de KNVB en [eiser] als voetbalsupporter. [eiser] is als voetbalsupporter niet krachtens de wet en de statuten van de KNVB bij de organisatie van de KNVB betrokken. Dat is bijvoorbeeld wel het geval tussen de KNVB en haar leden, zoals de voetbalclubs en spelers die lid zijn van een voetbalclub.
Dat de KNVB haar beslissing om aan [eiser] als voetbalsupporter een landelijk stadionverbod en geldboete op te leggen een besluit noemt, betekent nog niet dat sprake is van een besluit zoals bedoeld in artikel 2:15 BW Pro. Hetzelfde geldt voor de beslissing van de Commissie stadionverboden. Ook dat is geen besluit in de zin van artikel 2:15 BW Pro.
Toetsing aan overeenkomstenrecht
4.6.
De rechtsgeldigheid van het opleggen van een landelijk stadionverbod en een geldboete moet worden getoetst aan het overeenkomstenrecht.
De door de KNVB aangevoerde grondslag voor opleggen stadionverbod en geldboete en verlangen van betaling van de explootkosten
4.7.
De KNVB baseert haar bevoegdheid om aan [eiser] een landelijk stadionverbod en een geldboete op te leggen op (de artikelen 10.2. en 10.3. van) de KNVB Standaardvoorwaarden. In het aan [eiser] betekende deurwaardersexploot is dat ook vermeld [8] . Ook de bevoegdheid om betaling van de explootkosten te verlangen, baseert de KNVB op de KNVB Standaardvoorwaarden en wel op artikel 10.9 van die voorwaarden [9] .
Gebondenheid van [eiser] aan de KNVB Standaardvoorwaarden, versie 1 juli 2023
4.8.
[eiser] is door het sluiten van een koopovereenkomst met betrekking tot de seizoenkaart bij [club] aan deze KNVB Standaardvoorwaarden gebonden. Partijen zijn het erover eens dat in het kader van die koopovereenkomst de op dat moment geldende KNVB Standaardvoorwaarden van toepassing zijn verklaard. Het gaat in dit geval om de door [eiser] als productie 7 overgelegde KNVB Standaardvoorwaarden van 1 juli 2023 (hierna: de Standaardvoorwaarden).
Richtlijn termijn stadionverbod, seizoen 2024/’254.9. In artikel 10.2 van de Standaardvoorwaarden (dat gaat over het opleggen van het landelijk stadionverbod) wordt verwezen naar de “Richtlijn termijn stadionverbod” voor het betreffende seizoen. De duur van het op te leggen stadionverbod wordt, zo is in artikel 10.2 vermeld, met inachtneming van die richtlijn vastgesteld.
In dit geval gaat het, daarover zijn partijen het eens, om de “Richtlijn termijn stadionverbod, seizoen 2024/’25” (hierna: de Richtlijn) [10] .
Standaardvoorwaarden en Richtlijn vormen samen de toepasselijke regels voor opleggen stadionverbod en geldboete en de betaling van de explootkosten
4.10.
De verhouding/relatie tussen de KNVB en [eiser] wordt dus bepaald door de Standaardvoorwaarden en de Richtlijn. Daarin worden de regels gegeven die van toepassing zijn tussen de KNVB en de voetbalsupporter met een toegangsbewijs (in dit geval [eiser] ). In die regels wordt onder andere vermeld:
  • wanneer en voor welke duur een landelijk stadionverbod mag worden opgelegd (artikel 10.2 van de Standaardvoorwaarden in relatie met de Richtlijn)
  • wanneer een geldboete van € 450,- mag worden opgelegd (artikel 10.3 van de Standaardvoorwaarden in relatie met de Richtlijn),
  • wanneer explootkosten moeten worden betaald door de voetbalsupporter (artikel 10.9 van de Standaardvoorwaarden).
Uitgangspunt: toepassing van de regels
4.11.
Uitgangspunt is dat deze overeengekomen regels (in de Standaardvoorwaarden en de Richtlijn) moeten worden toegepast. Afspraak is immers afspraak. Zowel de KNVB als de voetbalsupporter ( [eiser] ) moeten zich aan de tussen hen afgesproken regels houden. De KNVB en de Commissie stadionverboden kunnen daarvan dus niet afwijken, tenzij dit in het voordeel is van de voetbalsupporter (in dit geval [eiser] ).
Uitzondering: beperkende werking redelijkheid en billijkheid
4.12.
De beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 lid 2 BW Pro) kan echter meebrengen dat de KNVB/de Commissie stadionverboden een bepaalde regel van de Standaardvoorwaarden en de Richtlijn niet mag toepassen. Of dit zo is, hangt af van de omstandigheden van het geval, die in dit geval door [eiser] moeten worden aangevoerd. De rechter mag niet al te snel besluiten dat sprake is van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid. De rechter moet daarin terughoudend zijn, omdat er wordt ingebroken op wat er tussen partijen is overeengekomen.
De
toetsing door de rechter
4.13.
In het verlengde van het voorgaande moet de rechter in een zaak als deze toetsen of er een grondslag is voor de aan [eiser] door de KNVB opgelegde maatregelen (stadionverbod, geldboete en betaling explootkosten) en of de Commissie stadionverboden deze maatregelen terecht heeft bevestigd. Of dat zo is moet worden beoordeeld aan de hand van de regels (de Standaardvoorwaarden en de Richtlijn) die tussen de KNVB en [eiser] van toepassing zijn en de voorliggende feiten en omstandigheden. Het gaat hier om een ‘volle toetsing’ en niet, zoals de KNVB stelt, om een terughoudende of marginale toetsing. Het gaat er niet om of de KNVB, en in navolging daarvan de Commissie stadionverboden,
in redelijkheidtot het opleggen van de maatregelen heeft kunnen overgaan, maar of zij dat gelet op de toepasselijke regels en de voorliggende feiten en omstandigheden
mochtendoen. Daarbij past, anders dan de KNVB meent, geen “ex tunc” toetsing.
4.14.
Het voorgaande kader betekent ook dat het oordeel van de Commissie stadionverboden niet leidend is; de toepasselijke regels en de voorliggende feiten en omstandigheden zijn immers leidend.
Bovendien gaat het om een door de KNVB (en niet door de wetgever) in het leven geroepen procedure. Voetbalsupporters aan wie een stadionverbod is opgelegd kunnen de beslissing van de KNVB tot het opleggen van een landelijk stadionverbod eerst laagdrempelig en kosteloos van de tafel proberen te krijgen. Lukt dat niet dan staat de weg naar de rechter open. Van een “hoger beroep” tegen de uitspraak van de Commissie stadionverboden, is geen sprake.
Bezwaar van [eiser] : procedure bij de Commissie stadionverboden met onvoldoende rechtswaarborgen omkleed
4.15.
In het voorgaande ligt besloten dat het bezwaar van [eiser] dat de procedure bij de Commissie stadionverboden met onvoldoende rechtswaarborgen is omkleed, in het midden kan blijven. Dit punt is niet van belang voor de beantwoording van de vraag of de opgelegde maatregelen (stadionverbod, geldboete en betaling van de explootkosten) moeten worden teruggedraaid. Of de maatregelen moeten worden teruggedraaid, hangt alleen af van de uitkomst van de toetsing van deze maatregelen aan de regels uit de Standaardvoorwaarden en de Richtlijn en onder andere van de vraag of het aannemelijk is dat [eiser] de verweten gedraging heeft begaan.
Conclusie:
4.16.
Uit het voorgaande volgt dat aan de hand van de Standaardvoorwaarden en de Richtlijn (in feite: de overeenkomst tussen de KNVB en [eiser] ) in combinatie met de feiten en omstandigheden moet worden beoordeeld of:
a. de KNVB:
1. het landelijk stadionverbod en de geldboete terecht heeft opgelegd,
2. terecht betaling verlangt van de explootkosten,
de Commissie Stadionverboden deze door de KNVB opgelegde maatregelen (a.1 en a.2) terecht heeft bevestigd.
Aannemelijkheid
4.17.
In het kader van dit kort geding geldt dan nog dat beoordeeld moet worden of het aannemelijk is dat de bodemrechter op grond van het hiervoor geschetste beoordelingskader tot de conclusie komt dat de opgelegde maatregelen moeten worden teruggedraaid/niet (onverkort) van kracht kunnen blijven.
Het landelijke stadionverbod4.18. De uitkomst is dat het niet althans onvoldoende aannemelijk is dat de bodemrechter tot de conclusie komt dat het aan [eiser] opgelegde landelijke stadionverbod moet worden teruggedraaid of niet onverkort van kracht mag blijven.
Artikel 10.2 van de Standaardvoorwaarden in relatie met de Richtlijn
4.19.
De grondslag voor het opleggen van dit stadionverbod is artikel 10.2 van de Standaardvoorwaarden in relatie met de Richtlijn.
4.20.
In artikel 10.2 van de Standaardvoorwaarden is bepaald dat de KNVB de voetbalsupporter een landelijk stadionverbod, met inachtneming van de voor het betreffende seizoen vastgestelde Richtlijn termijn stadionverbod, kan opleggen als:
de voetbalsupporter in strijd heeft gehandeld met de Standaardvoorwaarden en/of een strafbaar feit heeft begaan, en/of
het vermoeden bestaat dat de voetbalsupporter zich schuldig heeft gemaakt aan voetbal gerelateerd wangedrag, en/of
de voetbalsupporter zich zodanig heeft gedragen dat daardoor het aanzien en/of het belang van het voetbal wordt geschaad.
4.21.
In de Richtlijn worden de gedragingen opgesomd waarvoor een landelijk stadionverbod kan worden opgelegd. Ook wordt daarbij de duur van het op te leggen stadionverbod vermeld. Zo is in de Richtlijn onder andere de volgende gedraging genoemd:
“ Het verrichten van een handeling zoals o.a. het afschermen, medeplegen en/of faciliteren
waardoor herkenning van de dader(s) door stewards en/of beveiligingspersoneel en/of politie en/of biometrische toepassingen (deels) onmogelijk wordt gemaakt en/of het onttrekken aan biometrische toepassingen”.
Bepaald is dat voor deze gedraging een landelijk stadionverbod wordt opgelegd van
18 maanden.
4.22.
Volgens de Standaardvoorwaarden is het voldoende dat sprake is van “
een vermoeden” dat de voetbalsupporter zich schuldig heeft gemaakt aan voetbal gerelateerd wangedrag. In de Standaardvoorwaarden en de Richtlijn zijn geen aanknopingspunten te vinden hoe dit begrip moet worden uitgelegd. Daarom moet worden aangehaakt bij de taalkundige betekenis daarvan. De taalkundige betekenis van vermoeden is “
een waarschijnlijke waarheid”. Er moeten dus concrete aanwijzingen zijn dat de voetbalsupporter zich schuldig heeft gemaakt aan voetbal gerelateerd wangedrag en in het bijzonder aan de in de Richtlijn opgesomde gedragingen.
De aan [eiser] verweten gedraging4.23. De KNVB heeft [eiser] het landelijk stadionverbod van 18 maanden opgelegd, omdat volgens haar het vermoeden bestaat dat [eiser] zich schuldig heeft gemaakt aan voetbal gerelateerd wangedrag, en/of zich zodanig heeft gedragen dat daardoor het aanzien van het voetbal en/of het belang van het voetbal wordt geschaad. In het bijzonder bestaat volgens de KNVB het vermoeden dat [eiser] zich schuldig heeft gemaakt aan de gedraging zoals geciteerd in 4.21. [eiser] zou zich meer concreet schuldig hebben gemaakt aan:
het faciliteren dat herkenning van daders van voetbal gerelateerd wangedrag (deels) onmogelijk wordt gemaakt, en/of
het onttrekken aan biometrische toepassingen.
4.24.
De KNVB en de Commissie stadionverboden zijn van mening dat deze overtredingen volgen uit het verslag van het onderzoek van [club] (productie 8 van de KNVB), foto’s en camerabeelden. Hieruit valt volgens hen op te maken dat:
  • [eiser] het spandoek met de tekst “stop stadionverboden” heeft vastgehouden,
  • [eiser] enige tijd met zijn rug naar het veld onder dat spandoek stond, ongeveer 4 á 5 minuten,
  • er tijdens die periode meerdere personen onherkenbaar gemaakt met bivakmutsen en andere kleding onder het spandoek vandaan komen, onder wie een man die naast [eiser] staat als [eiser] weer even onder het spandoek vandaan is gekomen,
  • deze onherkenbaar gemaakte personen een actieve bijdrage leveren aan het voorhanden hebben en/of afsteken van vuurwerk,
  • [eiser] zich niet heeft onttrokken van de situatie/acties, terwijl dat wel mogelijk was.
Aannemelijk dat [eiser] zich schuldig heeft gemaakt aan de aan hem verweten gedraging4.25. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen en de voorzieningenrechter de camerabeelden samen bekeken. De voorzieningenrechter had al kennis genomen van de foto’s en het verslag van het onderzoek van [club] .
4.26.
Vooropgesteld wordt dat “faciliteren”, zoals [eiser] aanvoert, een actieve handeling vereist. Faciliteren betekent “mogelijk maken”. Het is gelet hierop, zoals [eiser] terecht aanvoert, onvoldoende dat een supporter zich onder een spandoek bevindt waar andere supporters zich vermommen.
4.27.
[eiser] bevond zich echter niet slechts onder het spandoek. Gelet op de stukken in het dossier bestaat er een terecht vermoeden (zoals bedoeld in 4.22) dat [eiser] zich schuldig heeft gemaakt aan de aan hem verweten gedraging. Hierbij is van belang dat de voorzieningenrechter geen reden heeft om te twijfelen aan de juistheid van het verslag van het onderzoek van [club] (4.24). [eiser] heeft wetende wat er onder het grote spandoek gebeurde en met welk doel dat gebeurde het spandoek enige tijd vastgehouden. Dat het grote spandoek, zoals [eiser] aanvoert, (onvrijwillig) over hem heen is gegooid, valt niet/onvoldoende uit de foto’s en de camerabeelden op te maken. Daaruit valt wel op te maken dat [eiser] het spandoek enige tijd heeft vastgehouden, dat hij zich dan weer wel en dan weer niet onder het spandoek bevond, en dat hij één keer ruim vier minuten onder het spandoek was en daarbij met de rug naar het veld stond gekeerd (en dus met zijn gezicht richting het gebeuren onder het spandoek). Daarbij koos [eiser] er zelf vrijwillig voor om onder het spandoek te verdwijnen. Hij werd daar niet door anderen onder getrokken of iets dergelijks. [eiser] heeft verder tijdens de mondelinge behandeling eerlijk aan de voorzieningenrechter verklaard dat hij ook wist wat er onder het spandoek gebeurde en wat het doel daarvan was; [eiser] wist dat supporters zich onder het spandoek onherkenbaar aan het maken waren door onder andere van kleding te wisselen en bivakmutsen op te doen en dat zij dat deden om daarna iets te gaan doen wat niet is toegestaan.
4.28.
De voorzieningenrechter beoordeelt dit handelen van [eiser] als actieve handelingen, die hebben bijgedragen aan het vermommen onder het spandoek. Daarmee is sprake geweest van het “
faciliteren” door [eiser] als bedoeld in de Richtlijn. Daarom mocht de KNVB op grond van artikel 10.2 van de Standaardvoorwaarden een landelijk stadionverbod aan [eiser] opleggen.
Termijn van het landelijk stadionverbod
4.29.
In de Richtlijn is vermeld dat er een landelijk stadionverbod van 18 maanden geldt voor het overtreden van de aan [eiser] verweten gedraging.
Het aan [eiser] opgelegde landelijk stadionverbod is dus conform de Richtlijn opgelegd.
Verbod is niet disproportioneel
4.30.
[eiser] voert nog aan dat het landelijk stadionverbod van 18 maanden disproportioneel/naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, omdat hij gestraft wordt, omdat men de eigenlijke boosdoeners niet kan traceren (want die hebben zich onherkenbaar gemaakt). [eiser] wordt daarin niet gevolgd. De KNVB probeert zowel degene die zich onherkenbaar maken, als degene die daarbij behulpzaam zijn aan te pakken. Voor beide gedragingen geldt dat op grond van de Standaardvoorwaarden en de Richtlijn een landelijk stadionverbod wordt opgelegd van 18 maanden. De KNVB heeft toegelicht dat dit wangedrag in de voetbalstadia alleen de kop kan worden ingedrukt als ook degene die behulpzaam zijn bij het onherkenbaar maken van andere supporters worden aangepakt. Dat komt plausibel over.
Conclusie
4.31.
De conclusie is dat het niet aannemelijk is dat de bodemrechter zal oordelen dat het aan [eiser] opgelegde landelijk stadionverbod moet worden teruggedraaid.
De geldboete van € 450,-
4.32.
Het is verder niet/onvoldoende aannemelijk dat de bodemrechter de KNVB zal gebieden om de aan [eiser] opgelegde geldboete van € 450,- terug te draaien.
4.33.
De grondslag voor het opleggen van deze geldboete is artikel 10.3 van de Standaardvoorwaarden in relatie met de Richtlijn. In artikel 10.3 van de Standaardvoorwaarden is bepaald dat als aan de voetbalsupporter een landelijk stadionverbod wordt opgelegd, de KNVB de voetbalsupporter daarnaast een geldboete van
€ 450,- kan opleggen. In de Richtlijn is nog het volgende over deze geldboete vermeld:
“ Indien de KNVB op grond van artikel 10.2 van de Standaardvoorwaarden van de KNVB een stadionverbod oplegt met een termijn van ten minste 12 maanden, zal de KNVB tevens
(overeenkomstig het bepaalde in artikel 10.3 van de standaardvoorwaarden van de KNVB) een geldboete opleggen:
voor personen in de leeftijdscategorie vanaf 12 tot 16 jaar bedraagt de geldboete € 100,-;
voor personen in de leeftijdscategorie vanaf 16 tot 18 jaar bedraagt de geldboete € 250,-;
voor personen vanaf 18 jaar bedraagt de geldboete € 450,-.”
4.34.
Uit wat hiervoor is overwogen, volgt dat het aannemelijk is dat de KNVB een landelijk stadionverbod van 18 maanden aan [eiser] mocht opleggen.
Dit betekent dat er gelet op artikel 10.3 van de Standaardvoorwaarden in relatie met de Richtlijn ook een geldboete van € 450,- aan [eiser] (die ouder is dan 18 jaar) mocht worden opgelegd. [eiser] heeft geen feiten en omstandigheden aangevoerd die maken dat het beroep van de KNVB op deze geldboete naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.
De explootkosten van € 95,744.35. De KNVB ontleent haar aanspraak op vergoeding van de explootkosten van € 95,74 aan artikel 10.9 van de Standaardvoorwaarden. In dat artikel is bepaald dat het landelijk stadionverbod en de geldboete (en enkele andere in de Standaardvoorwaarden genoemde maatregelen) de betrokkene worden aangezegd bij een deurwaardersexploot en dat de kosten daarvan voor rekening van de betrokkene komen.
Aan de voorwaarden van artikel 10.9 Standaardvoorwaarden is in het geval van [eiser] voldaan. [eiser] moet daarom de explootkosten van € 95,74 betalen. [eiser] heeft geen feiten en omstandigheden aangevoerd die maken dat het beroep van de KNVB op betaling van deze explootkosten naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.
Slotsom4.36. De slotsom is dat de vorderingen van [eiser] worden afgewezen.
Proceskosten
4.37.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van KNVB worden begroot op:
- griffierecht
735,00
- salaris advocaat
1.177,00
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.101,00
Deze proceskostenveroordeling wordt zoals gebruikelijk is in kort geding uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de proceskostenveroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.H. Erich en in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2026.
4374

Voetnoten

1.Zie ook Hoge Raad 12 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:615
2.Zie productie 2 van [eiser]
3.Zie productie 5 van [eiser]
4.Zie productie 7 van de KNVB
5.Zie productie 8 van de KNVB
6.Zie productie 6 van [eiser]
7.In dat artikel is bepaald dat een besluit van een orgaan van een rechtspersoon vernietigbaar is wegens strijd met:
8.Zie productie 3 van [eiser] waarin onder andere is vermeld:
9.Die bepaling luidt als volgt:
10.Productie 3 van de KNVB