Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:1081

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
20 maart 2026
Zaaknummer
UTR 25/3208 en UTR 25/653
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 58, tweede lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de PWArt. 6:4, derde lid, van de AwbArt. 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling terugvordering bijstand wegens overschrijding vrij te laten vermogen na erfenis

Eiseres ontving bijstand op grond van de Participatiewet van mei 2021 tot mei 2024. Na het overlijden van haar moeder in 2022 ontving zij in mei 2024 haar kindsdeel uit de erfenis. Het college stelde het vermogen opnieuw vast en vorderde een bedrag van €13.815,59 terug wegens overschrijding van het vrij te laten vermogen.

Eiseres voerde aan dat de waarde van de woning ten tijde van het overlijden lager was dan bij verkoop en dat de vermogenstoename pas bij afwikkeling van de erfenis plaatsvond. Ook stelde zij dat zij niet is gehoord. De rechtbank oordeelde dat terugvordering mogelijk is zodra eiseres over de middelen kan beschikken en dat het college de terugvordering voldoende heeft gemotiveerd.

De rechtbank vond de bezwaren van eiseres onvoldoende onderbouwd en concludeerde dat het beroep ongegrond is. Het beroep tegen het besluit van niet-ontvankelijkheid werd niet-ontvankelijk verklaard omdat er geen inhoudelijke gronden waren ingediend. De rechtbank wees verzoeken tot proceskostenvergoeding af.

Uitkomst: Het beroep tegen de terugvordering van bijstand wegens overschrijding van het vrij te laten vermogen wordt ongegrond verklaard en het beroep tegen niet-ontvankelijkheid niet-ontvankelijk.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Lelystad
Bestuursrecht
zaaknummers: UTR 25/3208 en UTR 25/653

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 februari 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. M. Görsültürk),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lelystad, het college
(gemachtigde: mr. M. de Roode en M. Eidizadeh).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de vaststelling van het college dat er sprake is van een vermogensoverschrijding boven het vrij te laten vermogen en hun besluit daarom een bedrag aan te veel ontvangen bijstand terug te vorderen. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de beroepen van eiseres.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eiseres geen gelijk krijgt. Het besluit blijft in stand en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop en de totstandkoming van het bestreden besluit

2. Eiseres heeft in de periode van 4 mei 2021 tot 1 mei 2024 een uitkering voor de kosten van levensonderhoud (bijstand) ontvangen op grond van de Participatiewet (PW). Deze uitkering is per 1 mei 2024 beëindigd omdat eiseres vanaf die datum voldoende inkomen uit arbeid ontving om zelfstandig in haar levensonderhoud te voorzien.
2.1.
Op [overlijdensdatum] 2022 is de moeder van eiseres overleden. Op 1 mei 2024 heeft eiseres haar kindsdeel uit de erfenis van haar moeder ontvangen. Bij besluit van 17 september 2024 is het vermogen van eiseres opnieuw vastgesteld en in verband daarmee is bij besluit van 18 september 2024 van eiseres een bedrag ter hoogte van € 14.018,58 teruggevorderd omdat zij achteraf over middelen beschikt in de periode waarover bijstand is verleend.
2.2.
Eiseres heeft zowel tegen het besluit van 17 september 2024 (de vermogensvaststelling) als het besluit van 18 september 2024 (de terugvordering) bezwaar gemaakt. Het bezwaar tegen het besluit van 17 september 2024 heeft het college bij besluit van 16 januari 2025 niet-ontvankelijk verklaard. Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld (UTR 25/653). Bij besluit van 6 februari 2025 heeft het college het besluit van 16 januari 2025 ingetrokken en daarbij (onder meer) vermeld dat de bezwaarprocedure wordt vervolgd en het bezwaarschrift tegen het besluit van 17 september 2024 bij het bezwaarschrift tegen het besluit van 18 september 2024 wordt gevoegd. Ook wordt medegedeeld dat indien (de gemachtigde) van eiseres gebruik wil maken van het recht gehoord te worden hij dit moet laten weten. In aanvulling hierop wordt (de gemachtigde van) eiseres bij brief van 11 maart 2025 in de gelegenheid gesteld om uiterlijk voor 22 maart 2025 nadere gegevens te verschaffen omtrent de positieve en negatieve vermogensbestanddelen per datum overlijden van de moeder van eiseres. Hierop is niet gereageerd door de gemachtigde van eiseres.
2.3.
Bij besluit van 2 april 2025 heeft het college beslist op het bezwaar en is het college erbij gebleven dat sprake is van overschrijding van het vrij te laten vermogen in de zin van de PW en dat in het verlengde daarvan het besluit tot terugvordering op goede gronden is genomen, met dien verstande dat de hoogte van de terugvordering wordt bijgesteld naar € 13.815,59.
2.4.
Eiseres heeft beroep (UTR 25/3208) ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het college heeft hierop gereageerd met een verweerschrift.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 8 januari 2026 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van het college. Eiseres was niet aanwezig.

Beoordeling door de rechtbank

Met betrekking tot UTR 25/3208
Wat vindt eiseres?
3. Eiseres voert in haar gronden van beroep aan dat in het bestreden besluit ten onrechte geen rekening is gehouden met de waarde van de woning ten tijde van het overlijden van haar moeder. Verder voert eiseres aan dat de daadwerkelijke vermogenstoename plaatsvindt op het moment van de daadwerkelijke afwikkeling van de erfenis, en niet eerder. Het vermogen neemt niet met terugwerkende kracht toe, omdat zij hierover namelijk niet eerder kon beschikken. Tenslotte stelt eiseres dat zij ten onrechte niet is gehoord.
Wat vindt de rechtbank?
4. De rechtbank overweegt dat terugvordering van kosten van bijstand mogelijk is als de betrokkene op een eerder tijdstip in de periode waarover bijstand is verleend (aanspraak op) bepaalde middelen had, maar daarover op dat moment feitelijk nog niet (volledig) kon beschikken. [1] Zodra de betrokkene wel over die middelen kan beschikken, kan de bijstandverlenende instantie de bijstand terugvorderen. Aan deze bepaling ligt de gedachte ten grondslag dat de bijstand niet zou zijn verleend als de betrokkene al op een eerder tijdstip over de naderhand verkregen middelen had kunnen beschikken. Dat achteraf rekening wordt gehouden met die later ontvangen middelen en dat de eerder verleende bijstand kan worden teruggevorderd, hangt samen met het aanvullend karakter van de bijstand.
5. De rechtbank beoordeelt hierna of het college op grond van vorengaande een bedrag van € 13.815,59 van eiseres heeft mogen terugvorderen omdat er sprake was van overschrijding van het vrij te laten vermogen in de zin van de PW. Dit in verband met het door eiseres ontvangen kindsdeel verkregen vanuit de verkoop van het huis van haar eerder overleden moeder.
6. De rechtbank constateert in dit verband dat de gemachtigde van eiseres heeft volstaan met (zeer) summiere gronden van bezwaar en beroep. Zo heeft de gemachtigde van eiseres voor wat betreft de gronden van bezwaar volstaan met ‘
het oordeel in het bestreden besluit dat eiseres een bedrag zou hebben ontvangen op 30 november 2022 uit de nalatenschap van haar moeder is ongefundeerd en ongemotiveerd’terwijl in beroep enkel hetgeen onder punt 3 staat vermeld is ingebracht, zonder nadere concretisering of onderbouwing. Het college daarentegen heeft in het bestreden besluit en het verweerschrift uitgebreid en onder verwijzing naar jurisprudentie gemotiveerd dat en waarom een bedrag van € 13.815,59 van eiseres kan worden teruggevorderd, en waarom deze gronden niet slagen. De gemachtigde van verzoekster heeft verzuimd te onderbouwen of te concretiseren waarom de reactie van het college en de daarbij benoemde jurisprudentie volgens hem niet juist of toereikend is. Dat eiser het niet eens is met de overwegingen van het college, maakt niet dat de overwegingen daarom onjuist zijn of het besluit onvoldoende (zorgvuldig) gemotiveerd is. De gemachtigde van eiseres heeft ter zitting gesteld dat het college er bij de vaststelling van het vermogen op de peildatum rekening mee had moeten houden dat de waarde van de woning ten tijde van het overlijden van de moeder aanzienlijk lager minder was dan ten tijde van de verkoop. Dit kan naar het oordeel van de rechtbank niet tot een ander oordeel leiden, omdat ook deze stelling geenszins is onderbouwd of geconcretiseerd. De stelling van de gemachtigde dat dit naar zijn mening zeker een bedrag van € 3.000,00 betreft, is in ieder geval onvoldoende onderbouwing. Hierbij merkt de rechtbank nog op dat de gemachtigde van eiseres, ondanks een expliciet verzoek hiertoe van de zijde van het college, geen nadere gegevens heeft verstrekt omtrent de vermogensbestanddelen per datum van het overlijden van de moeder van eiseres.
7. Gelet op bovenstaande kunnen de beroepsgronden niet slagen. Het beroep is ongegrond.
Met betrekking tot UTR 25/653
8. Het beroep met procedurenummer UTR 25/653 heeft betrekking op het besluit van 16 januari 2025. Tussen partijen is niet in geschil dat er geen belang is bij een inhoudelijke beoordeling van dit besluit omdat dit besluit op 6 februari 2025 door het college is ingetrokken. Het geschil beperkt zich dan ook tot de vraag of er aanleiding bestaat om het college te veroordelen tot het vergoeden van de proceskosten.
9. De rechtbank stelt met het college vast dat er in zaaknummer UTR 25/653 nooit inhoudelijke gronden van beroep zijn ingediend. De gronden die de gemachtigde van eiseres op 24 september 2025 heeft ingediend, zien niet op dit besluit. Weliswaar wordt het procedurenummer 25/653 in de onderwerpregel vermeld, maar de gronden zijn volledig identiek aan de op 21 augustus 2025 ingediende gronden in procedurenummer UTR 25/3208. Voor het overige zijn geen gronden ingediend bij het op 22 januari 2025 ingediende pro forma beroepschrift tegen het besluit van 16 januari 2025, dat op 6 februari 2025 is ingetrokken. Nu het beroepschrift daarom niet de gronden van het beroep bevatte, is er geen sprake van een beroepschrift als bedoeld in onderdeel A5, onder 1, van de bijlage behorende bij het Besluit proceskosten bestuursrecht. [2] Geen sprake is daarom van kosten waarvoor het Besluit in een vergoeding voorziet. [3]
9.1.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat het beroep in dit zaaknummer niet-ontvankelijk is en dat er geen aanleiding bestaat voor een proceskostenveroordeling.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep met zaaknummer UTR 25/3208 is ongegrond. Dat betekent dat het besluit van 2 april 2025 in stand blijft. Het beroep met zaaknummer UTR 25/653 is niet-ontvankelijk. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart:
- het beroep met zaaknummer UTR 25/3208 ongegrond;
- het beroep met zaaknummer UTR 25/653 niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.E.M. van Abbe, rechter, in aanwezigheid van drs. C.L.W. Slycke-van Dort, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 10 februari 2026.
griffier
rechter
(de rechter is verhinderd te tekenen)
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.met toepassing van artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de PW.
2.Gelet op artikel 6:4, derde lid, in verband met artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).