Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:1080

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
20 maart 2026
Publicatiedatum
20 maart 2026
Zaaknummer
UTR_24_5801_T
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Tussenuitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 AwbArt. 8:51b AwbArt. 8 Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak over herstel gebrekkige WIA-uitkeringsbeslissing wegens onjuiste indexering maatmanloon

Eiser vroeg een WIA-uitkering aan na arbeidsongeschiktheid sinds juni 2021. Het UWV wees de aanvraag aanvankelijk af wegens een arbeidsongeschiktheidspercentage onder 35%. Na bezwaar en beroep werd het percentage verhoogd tot 65,82% en werd alsnog een uitkering toegekend. Eiser betwistte de medische en arbeidskundige beoordeling en de indexering van het maatmanloon.

De rechtbank oordeelde dat het medisch oordeel van de verzekeringsarts zorgvuldig en gemotiveerd was en dat eiser onvoldoende onderbouwing leverde voor een hogere mate van arbeidsongeschiktheid. Ook was de arbeidskundige beoordeling van de passendheid van functies en belastbaarheid voldoende gemotiveerd en overtuigend.

Wel stelde de rechtbank vast dat het UWV het maatmanloon onjuist had geïndexeerd naar juni 2023 in plaats van december 2023, conform het Schattingsbesluit en vaste rechtspraak. Dit leidde tot een gebrekkig besluit. De rechtbank gaf het UWV vier weken de tijd om dit gebrek te herstellen door het maatmanloon correct te indexeren en de arbeidsongeschiktheid opnieuw vast te stellen.

De rechtbank hield verdere beslissingen aan en bepaalde dat het UWV binnen twee weken moet melden of het gebruik maakt van de herstelmogelijkheid. De uitspraak is een tussenuitspraak en hoger beroep is nog niet mogelijk.

Uitkomst: Het UWV moet het maatmanloon correct indexeren en de arbeidsongeschiktheid opnieuw vaststellen binnen vier weken.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/5801 T

tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. V.C.D. Klaassen),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv
(gemachtigde: J.J. Grasmeijer).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser over zijn uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).
1.1.
Eiser is op 14 juni 2021 uitgevallen voor zijn werk als [functie] . Op
2 maart 2023 heeft hij een WIA-uitkering aangevraagd.
1.2.
In een besluit van 30 januari 2024 (het primaire besluit) heeft het Uwv deze aanvraag afgewezen, omdat eiser per 12 juni 2023 minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht (22,35%). Eiser heeft hier bezwaar tegen gemaakt.
1.3.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft onderzoek verricht en naar aanleiding hiervan een aanvullende beperking op het item buigen in de functionele mogelijkheden lijst (FML) van 17 juli 2024 opgenomen. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft eiser op grond van deze nieuwe FML 17,31% arbeidsongeschikt geacht.
1.4.
Vervolgens heeft het Uwv het bezwaar van eiser in een besluit van 26 juli 2024 (het bestreden besluit I) ongegrond verklaard omdat eiser nog steeds minder dan 35% arbeidsongeschikt werd bevonden.
1.5.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit I. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
1.6.
De rechtbank heeft het beroep op 3 april 2025 op een zitting behandeld. Hierbij waren aanwezig: eiser, zijn gemachtigde en de gemachtigde van het Uwv. Op deze zitting heeft de rechtbank het aanvullend beroepschrift van 25 maart 2025 toegelaten tot de procedure. De rechtbank heeft het Uwv in de gelegenheid gesteld om een reactie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep op dit aanvullend beroepschrift in te dienen. Verder heeft de rechtbank het Uwv gevraagd om een reactie van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep op het standpunt van eiser over de indexering van het maatmanloon.
1.7.
Het Uwv heeft een schriftelijke reactie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 17 april 2025 en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 25 april 2025 ingebracht. Op 26 mei 2025 heeft eiser nog een aanvullend beroepschrift ingediend. Het Uwv heeft op 11 juni 2025 laten weten hierin geen aanleiding te zien om van standpunt te wijzigen.
1.8.
De rechtbank heeft het beroep op 29 augustus 2025 op een tweede zitting behandeld. Hierbij waren eiser, zijn gemachtigde en de gemachtigde van het Uwv aanwezig. Op de zitting is met partijen afgesproken dat verzekeringsarts bezwaar en beroep [A] eiser op korte termijn op een spreekuur zou zien en hierover zou rapporteren.
1.9.
Het Uwv heeft op 11 september 2025 een uitleg met betrekking tot de indexering van het maatmanloon van een staf arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ingebracht.
1.10.
Op 20 oktober 2025 heeft het Uwv naar aanleiding van het nieuwe rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep een nieuw besluit op eisers bezwaar genomen (het bestreden besluit II). In dat besluit heeft het Uwv eiser alsnog per 12 juni 2023 een WIA-uitkering toegekend omdat eiser 65,82% arbeidsongeschikt wordt geacht. Het Uwv heeft zich daarbij gebaseerd op een rapport van verzekeringsarts bezwaar en beroep van 18 september 2025 en een rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 2 oktober 2025.
1.11.
Op 10 november 2025 heeft eiser beroepsgronden tegen het bestreden besluit II ingediend.
1.12.
Partijen hebben de rechtbank laten weten akkoord te zijn met afdoening van de zaak zonder een nadere zitting. De rechtbank heeft bepaald dat die zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek hierna op 9 december 2025 gesloten.

Overwegingen

Het bestreden besluit I
2. Het beroep tegen het bestreden besluit I is niet-ontvankelijk. Eiser heeft geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van dit besluit omdat het Uwv dit besluit met het bestreden besluit II heeft gewijzigd.
Het bestreden besluit II
3. Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervangen van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben. Omdat het bestreden besluit II niet (voldoende) tegemoet komt aan het beroep van eiser, heeft het beroep van eiser mede betrekking op het bestreden besluit II.
4. De rechtbank beoordeelt hierna of het Uwv terecht een WIA-uitkering aan eiser heeft toegekend op basis van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 65,82%. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
Ingetrokken beroepsgrond
5. Eiser heeft op de zitting van 3 april 2025 de beroepsgrond ingetrokken dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn visusklachten. De rechtbank zal deze grond daarom niet verder bespreken.
Medische beoordeling
6. Eiser voert aan dat het Uwv zijn klachten nog steeds onderschat. Gelet op de complexe wisselwerking van zijn diverse klachten, moet hij 80-100% arbeidsongeschikt worden geacht.
7. De rechtbank is niet gebleken dat het onderzoek van de verzekeringsarts bezwaar en beroep onzorgvuldig is geweest. Verder oordeelt de rechtbank dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 18 september 2025 begrijpelijk en concreet heeft gemotiveerd hoe zij tot haar conclusies is gekomen. De rechtbank kan dit medisch oordeel volgen. Eiser heeft geen twijfel gezaaid dat het medisch oordeel onjuist is. De enkele stelling dat eiser 80-100% arbeidsongeschikt moet worden geacht, gelet op de complexe wisselwerking tussen diverse klachten, is daarvoor onvoldoende. Eiser heeft dit standpunt niet onderbouwd. Hij heeft ook geen nadere medische stukken ingebracht om dit te onderbouwen of om het gemotiveerde standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep te weerleggen. De beroepsgrond slaagt niet.
Arbeidskundige beoordeling
Geduide functies
8. Eiser voert aan dat de arbeidsdeskundige beoordeling ontoereikend is. Zijn belastbaarheid in de functies administratief ondersteunend medewerker (SBC-code 315100) en medewerker tuinbouw (SBC-code 111010) wordt overschreden op de volgende items in de FML: vasthouden aandacht (1.1), verdelen aandacht (1.2), handelingstempo (1.8.9), buigen (4.9), tillen (4.13) en knielen (5.5.).
9. De rechtbank is het hier niet mee eens. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in het rapport van 2 oktober 2025 navolgbaar gemotiveerd dat de drie geduide functies administratief ondersteunend medewerker (SBC-code 315100), medewerker tuinbouw (SBC-code 111010) en medewerker binderij, grafisch nabewerker (SBC-code 268030) in theorie passend zijn voor eiser. In dit rapport heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voor de in de functie medewerker tuinbouw voorkomende signalering op het item tillen (4.13.2) gemotiveerd, waarom eiser, gelet op deze aangenomen beperking, wél in staat moet worden geacht om deze functie te verrichten. De rechtbank acht deze toelichting overtuigend en voldoende toegesneden op deze functie. Voor het overige komen er geen functie specifieke signaleringen in het resultaat functiebeoordeling van 2 oktober 2025 voor en passen de geduide functies binnen de vastgestelde belastbaarheid in de FML van 18 september 2025. De beroepsgrond slaagt niet.
Indexering van het maatmaninkomen
10. Eiser voert aan dat het Uwv het maatmaninkomen ten onrechte heeft geïndexeerd naar juni 2023. Het maatmanloon had volgens eiser moeten worden geïndexeerd naar december 2023, gelet op de datum van het arbeidsdeskundige rapport van
29 januari 2024. Het Uwv stelt dat de arbeidsdeskundige het maatmanloon terecht naar juni 2023 heeft geïndexeerd, omdat het einde van de wachttijd het beoordelingsmoment is.
11. De rechtbank volgt eiser in zijn standpunt dat het Uwv het maatmanloon had moeten indexeren naar december 2023 en legt hierna uit waarom.
12. Op grond van artikel 8, eerste lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Schattingsbesluit) moet het vastgestelde maatmaninkomen worden geïndexeerd naar de datum waarop het arbeidsdeskundig onderzoek, als bedoeld in artikel 5 van Pro het Schattingsbesluit, plaatsvindt. Dit vindt bevestiging in vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep [1] waaruit volgt dat bij de vaststelling van het maatmaninkomen, het inkomen in aanmerking wordt genomen vanaf het begin van het eerste in aanmerking genomen aangiftetijdvak, aangepast aan de eerst-gepubliceerde cijfers van de index van de CAO-lonen per uur inclusief bijzondere beloningen, zoals die uiterlijk ten tijde van het arbeidsdeskundig onderzoek door het Centraal Bureau voor de Statistiek wordt gepubliceerd.
13. Nu het arbeidskundige onderzoek heeft plaatsgevonden op 29 januari 2024, had het Uwv bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid moeten uitgaan van het CBS-indexcijfer van december 2023. Dit is het cijfer dat uiterlijk bekend was ten tijde van het arbeidsdeskundige onderzoek. Voor het standpunt van het Uwv dat het indexcijfer ten tijde van de einde wachttijd in aanmerking zou moeten worden genomen, ziet de rechtbank in de bewoordingen van artikel 8 van Pro het Schattingsbesluit en in rechtspraak van de CRvB geen aanknopingspunten. De beroepsgrond slaagt.

Conclusie en gevolgen

14. De rechtbank concludeert dat het bestreden besluit II in strijd met artikel 8, eerste lid, van het Schattingsbesluit is genomen. Het bestreden besluit II is dus gebrekkig tot stand gekomen.
15. De rechtbank ziet aanleiding om het Uwv in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen. Dat kan met een aanvullende motivering of met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit. Om het gebrek te herstellen moet de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep het maatmaninkomen van eiser opnieuw berekenen door dit naar het indexcijfer van december 2023 te indexeren en vervolgens opnieuw de mate van arbeidsongeschiktheid van eiser per 12 juni 2023 vaststellen. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen het Uwv dit gebrek kan herstellen op vier weken na verzenddatum van deze uitspraak.
16. Het Uwv moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als het Uwv gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiser in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van het Uwv. In beginsel, ook in de situatie dat het Uwv de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.
17. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:
- draagt het Uwv op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;
- stelt het Uwv in de gelegenheid om binnen vier weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Moed, rechter, in aanwezigheid van mr. J.M.T. Bouwman, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van 5 augustus 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1738.