Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:1046

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
19 maart 2026
Zaaknummer
UTR 25/6911
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 35 Wet WIAArt. 120 GrondwetArt. 10d Participatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag vervoersvoorziening wegens onbevoegdheid UWV bij loonkostensubsidie

Eiser, met een chronische lichamelijke beperking, vroeg het UWV om een vervoersvoorziening voor een aangepaste auto om zelfstandig naar zijn werk te reizen. Het UWV wees de aanvraag af omdat eiser onder de uitzondering van artikel 35, vierde lid, Wet WIA valt, doordat zijn werkgever een loonkostensubsidie ontvangt. Hierdoor is de gemeente verantwoordelijk voor voorzieningen.

Eiser voerde aan dat hem door een arbeidsdeskundige was toegezegd dat de auto-aanpassing vergoed zou worden, en dat het vertrouwensbeginsel en het evenredigheidsbeginsel in zijn voordeel spreken. De rechtbank oordeelde dat er geen concrete toezegging was en dat het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt. Ook het evenredigheidsbeginsel kon niet leiden tot een andere uitkomst, omdat de wetgever bewust een uitzondering heeft gemaakt.

De rechtbank benadrukte dat het UWV terecht de bevoegdheid ontzegd is en dat de gemeente verantwoordelijk is, ook al is het budget van de gemeente beperkt. Het beroep van eiser is daarom ongegrond verklaard en het griffierecht wordt niet teruggegeven.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard omdat het UWV niet bevoegd is de vervoersvoorziening toe te kennen vanwege loonkostensubsidie aan de werkgever.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/6911

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv
(gemachtigde: S.N. Westmaas).

Procesverloop

1. Eiser diende op 31 maart 2025 een aanvraag bij het Uwv in om een vervoersvoorziening als bedoeld in artikel 35 van Pro de Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (Wet WIA).
2. Bij besluit van 13 mei 2025 heeft het Uwv de aanvraag afgewezen, omdat eiser niet in aanmerking komt voor deze voorziening. Hiertegen heeft eiser bezwaar gemaakt.
3. Met het bestreden besluit van 11 november 2025 op het bezwaar van eiser is het Uwv bij de afwijzing van de aanvraag gebleven (het bestreden besluit).
4. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het Uwv heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
5. De rechtbank heeft het beroep op 4 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, vergezeld door [A] (zijn moeder) en [B] (teamleider), en de gemachtigde van het Uwv.

Beoordeling door de rechtbank

6. De rechtbank gaat voor haar beoordeling uit van de volgende feiten. Eiser heeft een chronische lichamelijke beperking aan zijn handen en armen waardoor hij niet kan reizen met het openbaar vervoer. Het Uwv heeft eerder aan eiser een voorziening toegekend voor vergoeding van de meerkosten van rijlessen in een aangepaste auto met joystick. Omdat eiser een zware operatie aan zijn linkerhand moest ondergaan, heeft eiser ontslag genomen bij zijn werkgever, waarna hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontving. Met ingang van 16 september 2024 heeft eiser via de gemeente Nieuwegein een baan bij de politie gevonden, een zogenoemde blauwe baan. Daarna heeft eiser bij het Uwv om een vervoersvoorziening gevraagd voor het vergoeden van de kosten voor de aanpassing van zijn auto met een joystick, zodat hij zelfstandig van en naar het werk kan reizen.

Wettelijk kader

7. Het UWV kan op grond van artikel 35 van Pro de Wet WIA aan de persoon met een naar het oordeel van het Uwv structurele functionele beperking, en die arbeid in dienstbetrekking verricht of die arbeid in dienstbetrekking gaat verrichten, maar niet werkzaam is of zal zijn als werknemer in de zin van de Wet sociale werkvoorziening, op aanvraag voorzieningen toekennen die strekken tot behoud, herstel of bevordering van de mogelijkheid tot het verrichten van arbeid. Onder voorzieningen wordt onder meer verstaan: vervoersvoorzieningen die er toe strekken dat de persoon zijn werkplek of opleidingslocatie kan bereiken. [1] Uit het vierde lid volgt dat artikel 35 van Pro de Wet WIA niet van toepassing is op de persoon die onder de Participatiewet valt en wiens werkgever een loonkostensubsidie ontvangt. De volledige wettekst is als bijlage bij deze uitspraak opgenomen.
Het bestreden besluit
8. Het Uwv heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat eiser niet onder de doelgroep van het Uwv valt, waardoor het Uwv niet bevoegd is om de gevraagde vervoersvoorziening aan eiser toe te kennen. De werkgever van eiser ontvangt van de gemeente een loonkostensubsidie. Hierdoor valt eiser onder de uitzondering in het vierde lid van artikel 35 van Pro de Wet WIA. De gemeente is in het geval van eiser verantwoordelijk voor de inzet van voorzieningen. Het Uwv is voor de doelgroep waar eiser onder valt pas bevoegd zodra het inkomen gedurende twee aaneengesloten jaren ten minste het minimumuurloon bedraagt en in die twee jaren geen loonkostensubsidie is verleend.
Gronden van het beroep
9. Eiser doet een beroep op het vertrouwensbeginsel en voert aan dat tijdens een gesprek bij hem thuis door de arbeidsdeskundige is toegezegd dat de auto-aanpassing vergoed zou worden, op voorwaarde dat zijn ouders een nieuwe auto voor hem zouden aanschaffen waar de aanpassing ingebouwd kan worden. Eiser heeft op deze toezegging mogen vertrouwen. Het kan volgens eiser niet zo zijn dat deze toezegging stilzwijgend vervalt door een constructie als een blauwe baan. Eiser is ook niet geïnformeerd dat een blauwe baan gevolgen zou hebben voor het verkrijgen van een vervoersvoorziening. Ter onderbouwing van het beroep op het vertrouwensbeginsel verwijst eiser naar de arbeidskundige rapportage van 29 juni 2021 met een verslag van het gesprek bij hem thuis. Ook doet eiser een beroep op het evenredigheidsbeginsel. De gevolgen van de weigering van de vervoersvoorziening zijn voor eiser enorm zwaar en staan volgens eiser niet in verhouding tot de strikte lezing van artikel 35 van Pro de Wet WIA. De auto-aanpassing is een noodzakelijke voorwaarde om mee te kunnen doen in de maatschappij en het strikt vasthouden aan regels tast de zelfstandigheid van eiser aan.
Beoordeling door de rechtbank
10. De rechtbank is van oordeel dat het Uwv op grond van artikel 35 van Pro de Wet WIA de vervoersvoorziening terecht heeft geweigerd. Niet het Uwv, maar de gemeente, is het bevoegde gezag om aan eiser de gevraagde vervoersvoorziening toe te kennen.
10. Dat aan eiser de toezegging is gedaan dat de vervoersvoorziening zou worden toegekend, is de rechtbank niet gebleken. Uit de arbeidskundige rapportage van 29 juni 2021 volgt dat een gesprek bij eiser thuis heeft plaatsgevonden op 25 juni 2021. De rechtbank ziet in de arbeidskundige rapportage een voorbehoud, namelijk dat de situatie van eiser na het behalen van het rijbewijs zal worden beoordeeld op de dan van toepassing zijnde situatie. Van een concrete toezegging waaraan eiser het gerechtvaardigd vertrouwen mocht ontlenen dat het Uwv de auto-aanpassing hoe dan ook zou vergoeden, dus ook bij een blauwe baan, is de rechtbank niet gebleken. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet.
12. Dat geldt ook voor het beroep op het evenredigheidsbeginsel. In artikel 120 van Pro de Grondwet is bepaald dat de rechter niet treedt in de beoordeling van de grondwettigheid van wetten en verdragen. In de rechtspraak is recent nogmaals bevestigd dat dit toetsingsverbod ook inhoudt dat de rechter een wet in formele zin, zoals de Wet WIA, niet mag toetsen aan algemene rechtsbeginselen. Uit rechtspraak volgt ook dat aanleiding kan bestaan om tot een andere uitkomst te komen dan waartoe toepassing van de wettelijke bepaling leidt, als sprake is van bijzondere omstandigheden die niet of niet ten volle zijn meegenomen in de afweging van de wetgever. Dat is het geval als die niet meegenomen bijzondere omstandigheden de toepassing van de wettelijke bepaling zozeer in strijd doen zijn met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing achterwege moet blijven. [2]
13. De rechtbank overweegt dat bijzondere omstandigheden zich niet voordoen, omdat de wetgever er bewust voor heeft gekozen om een uitzondering in artikel 35 van Pro de Wet WIA op te nemen voor personen die niet onder de doelgroep van het Uwv vallen. Het is de keuze van de wetgever geweest dat voor de doelgroep waar eiser onder valt de gemeente het bevoegde gezag is. Dat de gemeente onvoldoende budget heeft voor de auto-aanpassing, vindt de rechtbank met eiser heel vervelend, maar kan niet leiden tot het oordeel dat het bestreden besluit onevenwichtig is.

Conclusie en gevolgen

14. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen vervoersvoorziening van het Uwv krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van mr. S.N. van Ooijen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Artikel 35 Wet Pro Werk en inkomen naar arbeidsvermogen

1. Het UWV kan aan de persoon met een naar het oordeel van het UWV structurele functionele beperking, en die arbeid in dienstbetrekking verricht of die arbeid in dienstbetrekking gaat verrichten, doch niet werkzaam is of zal zijn als werknemer in de zin van de Wet sociale werkvoorziening, of die scholing of opleiding in het kader van de bevordering van de inschakeling in het arbeidsproces volgt of gaat volgen of arbeid op een proefplaats verricht of gaat verrichten, met uitzondering van de persoon die werkzaam is als werknemer in de zin van de Wet sociale werkvoorziening, op aanvraag voorzieningen toekennen die strekken tot behoud, herstel of bevordering van de mogelijkheid tot het verrichten van arbeid, het volgen van de scholing of opleiding of het verrichten van arbeid op die proefplaats.
2. Onder voorzieningen als bedoeld in het eerste lid worden uitsluitend verstaan:
vervoersvoorzieningen die er toe strekken dat de persoon, bedoeld in het eerste lid, zijn werkplek of opleidingslocatie kan bereiken;
intermediaire activiteiten ten behoeve van personen met een visuele, auditieve of motorische handicap;
meeneembare voorzieningen ten behoeve van de inrichting van de arbeidsplaats, de productie- en werkmethoden, de inrichting van de opleidingsplaats of de proefplaats en de bij de arbeid of opleiding te gebruiken hulpmiddelen, die in overwegende mate op het individu van de persoon, bedoeld in het eerste lid, zijn afgestemd; en
noodzakelijke persoonlijke ondersteuning bij het verrichten van de aan de persoon opgedragen taken, indien die ondersteuning een compensatie vormt voor zijn beperkingen.
3. Het UWV kan aan de persoon, bedoeld in het eerste lid, op aanvraag vervoersvoorzieningen toekennen die strekken tot verbetering van zijn leefomstandigheden en die deel uitmaken van dan wel rechtstreeks samenhangen met voorzieningen als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a.
4. Dit artikel is niet van toepassing op de persoon:
die recht heeft op arbeidsondersteuning op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten;
voor zover voor diens ondersteuning bij arbeidsinschakeling op grond van artikel 7, eerste lid, onderdeel a of artikel 7a, eerste lid, onderdeel a, of derde lid, van de Participatiewet het college van burgemeester en wethouders zorg draagt of onmiddellijk voorafgaande aan een dienstbetrekking zorg droeg tot het moment dat het inkomen uit de arbeid in dienstbetrekking gedurende twee aaneengesloten jaren ten minste het minimumloon per uur, vermenigvuldigd met de arbeidsduur welke in overeenkomstige dienstbetrekkingen in de regel geacht wordt een volledige dienstbetrekking te vormen bedraagt en ten behoeve van die persoon in die twee jaren geen loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d van de Participatiewet is verleend.
5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot dit artikel.

Voetnoten

1.Artikel 35, eerste en tweede lid, onder a, van de Wet WIA.
2.Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:772.