ECLI:NL:RBMNE:2026:1012
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarde vrijstaande woning en motivering uitspraak op bezwaar
De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde van een vrijstaande woning in [plaats] vast op €1.467.000,- voor het belastingjaar 2023, met waardepeildatum 1 januari 2022. Na bezwaar werd deze waarde verlaagd naar €1.408.000,-. Eiser stelde beroep in tegen deze uitspraak en bepleitte een waarde van €1.225.000,-.
De rechtbank beoordeelde of de heffingsambtenaar aannemelijk had gemaakt dat de WOZ-waarde niet te hoog was vastgesteld. De heffingsambtenaar overlegde een taxatiematrix met vier vergelijkbare referentiewoningen, die qua ligging, gebruiksoppervlakte en bouwtype goed vergelijkbaar waren. De rechtbank vond dat hiermee voldoende rekening was gehouden met verschillen in onderhoud, uitstraling en voorzieningen.
Eiser voerde aan dat de referentiewoningen niet goed vergelijkbaar waren vanwege verschillen in bouwjaar, oppervlakte, perceelgrootte en onderhoudstoestand. De rechtbank verwierp dit en stelde vast dat de heffingsambtenaar deze verschillen had verdisconteerd in de m²-prijs. Ook het motiveringsgebrek in de uitspraak op bezwaar werd door de rechtbank verworpen, omdat de heffingsambtenaar voldoende had toegelicht waarom het bezwaar deels was gegrond verklaard.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waardoor de WOZ-waarde van €1.408.000,- gehandhaafd blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €1.408.000,- wordt ongegrond verklaard.