ECLI:NL:RBMNE:2025:7271

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
24 december 2025
Publicatiedatum
14 januari 2026
Zaaknummer
25/5898
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet tijdig nemen van besluit over aanvraag voor aanvullende compensatie voor werkelijke schade

In deze zaak heeft eiseres, een Belgische, beroep ingesteld tegen de Dienst Toeslagen omdat deze niet tijdig heeft beslist op haar aanvraag van 16 september 2024 voor aanvullende compensatie voor werkelijke schade. De rechtbank heeft op 24 december 2025 uitspraak gedaan in deze zaak. Eiseres heeft op 17 november 2025 een verweerschrift ontvangen van de Dienst Toeslagen, maar beide partijen hebben ervoor gekozen om niet te worden gehoord op een zitting. De rechtbank heeft het onderzoek daarop gesloten.

De rechtbank overweegt dat tegen het niet tijdig nemen van een besluit beroep kan worden ingesteld, en dat eiseres dit heeft gedaan nadat de beslistermijn was overschreden. De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn inderdaad is overschreden, en dat eiseres tijdig beroep heeft ingesteld. De rechtbank oordeelt dat de Dienst Toeslagen alsnog een besluit moet nemen, en dat dit binnen twee weken na de uitspraak moet gebeuren, tenzij er bijzondere omstandigheden zijn die een andere termijn rechtvaardigen.

De rechtbank legt een dwangsom op van € 50,- per dag voor elke dag dat de Dienst Toeslagen de termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-. Eiseres heeft ook verzocht om wettelijke rente en een vergoeding voor immateriële schade, maar de rechtbank oordeelt dat deze verzoeken pas aan de orde kunnen komen bij de inhoudelijke behandeling van het bezwaar. De rechtbank heeft de proceskosten van eiseres toegewezen en de Dienst Toeslagen veroordeeld tot het vergoeden van het griffierecht. De uitspraak is openbaar uitgesproken en partijen zijn geïnformeerd over hun recht om in beroep te gaan bij de Raad van State.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/5898

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 december 2025 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] (België), eiseres

(gemachtigde: mr. K.J.C. van Bekkum),
en

Dienst Toeslagen, verweerder

(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ).

Inleiding

Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiseres heeft ingesteld, omdat verweerder volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar aanvraag van 16 september 2024 om aanvullende compensatie voor werkelijke schade bij de Commissie Werkelijke Schade.
Op 17 november 2025 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.
Partijen zijn gevraagd of zij gehoord willen worden op een zitting. Geen van partijen heeft verklaard gebruik te willen maken van dit recht. [1] Daarop heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld. [2] Het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen. [3]
2. Tussen partijen is niet in geschil dat de beslistermijn is overschreden. Bij brief van 17 september 2025 is verweerder in gebreke gesteld. Eiseres heeft meer dan twee weken daarna, te weten bij brief van 10 oktober 2025, beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar verzoek.
3. Het beroep is gegrond.
Verweerder moet alsnog een besluit nemen
4. Omdat verweerder nog geen (nieuw) besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Het bestuursorgaan moet dit in principe doen binnen twee weken na het verzenden van de uitspraak. [4] In bijzondere gevallen kan de bestuursrechter een andere termijn bepalen. [5]
5. In haar uitspraak van 25 juli 2025 [6] heeft de rechtbank bepaald dat in zaken zoals deze een nadere beslistermijn wordt bepaald van 60 weken na ommekomst van de wettelijke beslistermijn van maximaal 52 weken. Als deze termijn al is verstreken op het moment dat de rechtbank uitspraak doet, bepaalt de rechtbank in beginsel een nadere beslistermijn van twee weken vanaf verzending van de uitspraak op het beroep. Voor de motivering van deze termijnen verwijst de rechtbank naar die uitspraak.
6. In dit geval betekent dit het volgende. Eiseres heeft op 16 september 2024 een aanvraag ingediend voor vergoeding van werkelijke schade. De beslistermijn eindigde dus op 16 september 2025. De uiterlijke datum waarop verweerder een besluit op de aanvraag bekend moet maken is dus 10 november 2026.
7. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 50,- moet betalen voor elke dag dat verweerder de hiervoor bepaalde termijnen niet haalt. Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-. De rechtbank verwijst voor de motivering van deze bedragen naar de uitspraak van deze rechtbank van 25 oktober 2024 [7] .
Wettelijke rente over de rechterlijke dwangsom
8. Eiseres verzoekt om wettelijke rente voor iedere dag dat verweerder te laat is met het uitbetaling van de rechterlijke dwangsom. De bestuursrechter is echter niet bevoegd om over de verschuldigdheid van een rechterlijke dwangsom te oordelen. [8] Dat geldt ook voor eventueel verschuldigde wettelijke rente. Als eiseres meent dat zij recht heeft op wettelijke rente over verschuldigde rechterlijke dwangsommen, zal zij zich tot de civiele rechter moeten wenden.
Immateriële schadevergoeding en wettelijke rente
9. Eiseres verzoekt ook om een vergoeding van € 500,- voor ieder half jaar of deel daarvan dat de redelijke termijn is verstreken, en wettelijke rente. De rechtbank stelt vast dat verweerder nog geen besluit heeft genomen en dat de procedure nog loopt. De vraag of de redelijke termijn is overschreden kan pas bij de inhoudelijke behandeling van het bezwaar aan de orde komen.
Proceskosten en griffierecht
10. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres een vergoeding voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 1 punt op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 907,-), bij een wegingsfactor 0,5. Toegekend wordt € 453,50.
11. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt verweerder op uiterlijk 10 november 2026 een besluit op de aanvraag bekend te maken;
- bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 50,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijnen overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 453,50;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 53,- aan eiseres te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van I. van Ittersum, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 24 december 2025.
de griffier is verhinderd deze uitspraak
te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.Artikel 8:57, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb.
3.Artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.
4.Artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb.
5.Artikel 8:55d, derde lid, van de Awb.
8.Zie de uitspraak van de Afdeling van 21 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1657, r.o. 2.2.