ECLI:NL:RBMNE:2025:7241

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
12 december 2025
Publicatiedatum
14 januari 2026
Zaaknummer
UTR 24/7966
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling arbeidsongeschiktheidspercentage WIA en medische afzakker

In deze zaak gaat het om de vaststelling van het arbeidsongeschiktheidspercentage van eiseres, die als leerkracht basisonderwijs werkte. Eiseres meldde zich op 17 januari 2022 ziek en vroeg na twee jaar ziekte een WIA-uitkering aan. Het Uwv kende haar een uitkering toe met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 46,74%, wat eiseres niet accepteerde. Na bezwaar werd dit percentage verhoogd naar 51,73%, maar eiseres ging in beroep. De rechtbank behandelde de zaak op 11 juni 2025 en sloot het onderzoek op 31 oktober 2025. De rechtbank oordeelde dat het Uwv de belastbaarheid van eiseres juist had vastgesteld, maar dat het Uwv haar ten onrechte niet als medische afzakker had aangemerkt. Dit had gevolgen voor de vaststelling van het maatmanloon en de mate van arbeidsongeschiktheid. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en droeg het Uwv op om binnen zes weken een nieuw besluit te nemen, waarbij het Uwv het maatmanloon opnieuw moest berekenen en de status van eiseres als medische afzakker moest erkennen. Eiseres kreeg ook een vergoeding voor proceskosten en het griffierecht.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/7966

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 december 2025 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. N. Velthorst),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen(het Uwv), verweerder
(gemachtigde: mr. C.W.P. van den Berg).

Inleiding

Eiseres werkte als leerkracht basisonderwijs voor gemiddeld 22 uur per week. Op 17 januari 2022 heeft zij zich voor dit werk ziek gemeld vanwege gezondheidsklachten. Na twee jaar ziekte heeft eiseres een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd.
Met het besluit van 19 januari 2024 (het primaire besluit) heeft het Uwv aan eiseres met ingang van 15 januari 2024 een WIA-uitkering toegekend, waarbij het arbeidsongeschiktheidspercentage op 46,74% is vastgesteld.
Eiseres is het daar niet mee eens en heeft bezwaar gemaakt. Met het besluit van 6 november 2024 (het bestreden besluit) heeft het Uwv dat bezwaar gegrond verklaard en het arbeidsongeschiktheidspercentage gewijzigd naar 51,73%. Het Uwv heeft de door eiseres in bezwaar gemaakte proceskosten aan haar vergoed. Verder is een dwangsom van € 1.082,- aan eiseres vergoed, omdat het Uwv niet tijdig heeft beslist op het bezwaar.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 11 juni 2025 op zitting behandeld. Eiseres was daarbij aanwezig samen met [A] , en bijgestaan door mr. I. Rhodes als waarnemend gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
De behandeling is op de zitting geschorst om het Uwv in de gelegenheid te stellen de verzekeringsarts bezwaar en beroep een nadere toelichting te laten geven op een aantal punten, zoals neergelegd in het aan partijen toegezonden verkort proces-verbaal van 11 juni 2025. Het Uwv heeft naar aanleiding hiervan een aanvullend rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 30 juni 2025 ingebracht. Eiseres heeft hierop met de brief van 15 augustus 2025 gereageerd.
Nadat geen van de partijen heeft aangegeven een nadere zitting te wensen, heeft de rechtbank het onderzoek op 31 oktober 2025 gesloten.

Waar gaat het in deze zaak over?

1. Deze zaak gaat over de vaststelling van het arbeidsongeschiktheidspercentage van eiseres. Daarbij gaat het om de gezondheidssituatie van eiseres op 15 januari 2024, dat is de beoordelingsdatum.
2. Het Uwv vindt dat het arbeidsongeschiktheidspercentage juist is vastgesteld op 51,73%. Het Uwv heeft zich hierbij gebaseerd op medisch en arbeidskundig onderzoek.
3. Eiseres is het hier niet mee eens en vindt dat haar arbeidsongeschiktheids-percentage te laag is vastgesteld.

Hoe toetst de rechtbank?

4. Aan de hand van wat partijen naar voren hebben gebracht, moet de rechtbank beoordelen of het Uwv het arbeidsongeschiktheidspercentage van eiseres juist heeft vastgesteld. Bij die beoordeling moet de rechtbank bekijken of het Uwv de regels uit de wet goed heeft toegepast. Daarbij is het zo dat het Uwv besluiten over iemands arbeidsongeschiktheid mag baseren op rapporten van verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen, maar deze rapporten moeten dan wel aan een aantal voorwaarden voldoen. Zo moeten de rapporten op een zorgvuldige manier tot stand zijn gekomen, mogen deze geen tegenstrijdigheden bevatten en moeten de daarin getrokken conclusies voldoende begrijpelijk zijn.
5. Het is aan eiseres om aannemelijk te maken dat de rapporten die zijn opgesteld niet aan deze vereisten voldoen. Voor het aannemelijk maken dat de medische beoordeling onjuist is, is in principe een rapport van een arts nodig. Bij de rechtbank werken namelijk geen artsen en de rechtbank kan zelf dus niet zomaar zeggen dat een verzekeringsarts een onjuiste medische conclusie heeft getrokken. Dit betekent dat hoe iemand zich zelf voelt zonder dat daar een medische onderbouwing voor is, niet genoeg is om bij de rechtbank gelijk te krijgen.

Wat vindt eiseres?

6. Eiseres vindt dat haar beperkingen zijn onderschat. Daarbij stelt eiseres dat het medisch rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep onvoldoende inzichtelijk is. Eiseres heeft in bezwaar een grote hoeveelheid medische informatie ingebracht, maar de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft volgens haar onvoldoende gemotiveerd hoe die informatie heeft geleid tot vastgestelde beperkingen. Onder meer wordt niet voldoende en kenbaar ingegaan op de door drie behandelaars en de bedrijfsarts ingevulde Functionele Mogelijkhedenlijsten (FML-en) [1] , waarin volgens eiseres onderbouwd meer beperkingen worden aangenomen dan in de FML van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Ook wordt volgens eiseres onvoldoende gemotiveerd op grond waarvan de urenbeperking zo beperkt wordt vastgesteld. Verder voert eiseres aan dat zij moet worden beschouwd als een medische afzakker, omdat zij al eerder minder is gaan werken vanwege haar medische klachten. Eiseres stelt daarnaast dat de geselecteerde functies voor haar niet passend zijn. Daarnaast heeft eiseres de rechtbank verzocht om een onafhankelijk deskundige te benoemen.

Wat is het oordeel van de rechtbank?

Is de belastbaarheid juist vastgesteld?
7. De rechtbank is het niet eens met eiseres dat het Uwv haar klachten onvoldoende zorgvuldig heeft beoordeeld. Dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen lichamelijk onderzoek heeft verricht, betekent niet direct dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 28 oktober 2024 toegelicht dat het verrichten van een lichamelijk onderzoek geen meerwaarde had, omdat met alle beschikbare medische informatie voldoende gegevens voorhanden zijn om de fysieke beperkingen van eiseres vast te stellen. Gezien de in het dossier uitgebreide aanwezige medische informatie vanuit de behandelend sector, kan de rechtbank dit standpunt volgen.
8. In wat eiseres heeft aangevoerd ziet de rechtbank ook geen reden om aan te nemen dat de medische beoordeling onjuist is. Uit het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep blijkt dat hij op de hoogte was van de door eiseres gestelde klachten en diagnoses, haar medische voorgeschiedenis en de beschikbare informatie uit de behandelende sector. Het is duidelijk dat eiseres psychische en lichamelijke klachten ondervindt. Op basis van de verkregen medische informatie, maar ook zijn eigen onderzoeksbevindingen heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport voldoende duidelijk uitgelegd hoe hij tot zijn beoordeling is gekomen en in hoeverre eiseres wel belast kan worden met werk. Daarbij ziet de rechtbank geen reden voor het oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep onvoldoende rekening heeft gehouden met de combinatie van de verschillende klachten en aandoeningen bij eiseres. De rechtbank legt dat hierna verder uit.
9. Uit het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep blijkt dat eiseres onder andere bekend is met fibromyalgie, hypermobiliteit, artrose/discopathie alsook HNP op meerdere niveaus en foramen stenose, migraine/clusterhoofdpijn, droge ogen, rosacea, lymfocytaire vasculitis, IBS, status na Covid infectie en huisstofallergie. Ondanks de forse klachten van eiseres, is er volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep bij eiseres geen sprake is van een situatie van geen benutbare mogelijkheden. Voor de lichamelijke en psychische klachten van eiseres zijn er daarom in de FML van 28 oktober 2024 op verschillende items beperkingen aangenomen.
10. Naar aanleiding van het aanvullend beroepschrift van 30 mei 2025 en het door eiseres ingebrachte behandelverslag van de neuroloog van 22 januari 2024, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 30 juni 2025 aanvullend gereageerd. Daarbij heeft hij toegelicht dat de drie fysiotherapeuten die de FML-en hebben ingevuld specialisten zijn op het gebied van het bewegingsapparaat, maar dat zij niet de expertise hebben om alle ziektebeelden/aandoeningen te vertalen in beperkingen zoals neergelegd in een FML. Dit is de expertise van de verzekeringsarts. Ook in de door de bedrijfsarts ingevulde FML ziet de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen reden om aanvullende beperkingen aan te nemen, omdat een bedrijfsarts een FML opstelt waarbij het eigen werk of aangepast werk in het kader van re-integratie wordt beoordeeld. Daarnaast is die FML ruim een jaar vóór de beoordelingsdatum opgesteld. De rechtbank kan deze toelichting volgen.
11. Wat betreft de migraine, stelt de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat hij in de FML voor diverse items in de rubrieken persoonlijk en sociaal functioneren beperkingen heeft aangenomen. Rekening houdend met deze beperkingen zal er volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep veel minder vaak een migraineaanval optreden. Omdat echter met alle aangenomen beperkingen niet altijd een migraineaanval kan worden voorkomen, is er vanwege noodzakelijke recuperatietijd (bij een migraineaanval) additioneel een urenbeperking aangenomen. De rechtbank begrijpt hieruit dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep doelt op de in bezwaar toegevoegde urenbeperking van 6 uur per dag, 30 uur per week, waarbij ook rekening is gehouden met de dagactiviteiten van eiseres zoals beschreven in het rapport van 28 oktober 2024. Eiseres stelt dat het dagverhaal een beschrijving geeft van een goede dag. De rechtbank ziet hierin echter geen reden voor het oordeel dat een grotere urenbeperking is aangewezen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft bij de beoordeling van de belastbaarheid het dagverhaal van eiseres betrokken, zoals dit zelf is beschreven door eiseres. Daarin wordt ook aangegeven welke activiteiten eiseres verricht als zij een goede dag heeft. Daarnaast heeft de partner van eiseres toegelicht dat er sprake is van een wisselend klachtenpatroon met goede en slechte dagen waarbij eiseres na een dag met meerdere activiteiten de volgende dag hiervan moet recupereren en dat eiseres soms ook een dag tot (nagenoeg) niets in staat is. De rechtbank is dus niet gebleken dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een onvolledig beeld had van de medische situatie van eiseres. Er zijn verder geen objectief medische stukken waaruit blijkt dat een grotere urenbeperking vanwege de rustmomenten had moeten worden aangenomen.
12. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep dan ook voldoende toegelicht dat er geen aanleiding is om vanaf de beoordelingsdatum 15 januari 2024 meer of andere beperkingen aan te nemen dan al zijn aangenomen. De aanwezige medische informatie afkomstig uit de behandelend sector biedt daarvoor geen steun. In de reactie op het aanvullend rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep betwist eiseres de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, maar dit is niet onderbouwd met andere medische informatie.
13. De rechtbank komt tot de conclusie dat de medische gronden van eiseres over haar belastbaarheid niet slagen. Er bestaat dus geen aanleiding om een deskundige te benoemen.
Is sprake van een medische afzakker?
14. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft de maatgevende arbeid bepaald op leerkracht basisonderwijs met een omvang van 22,07 uur per week. Partijen verschillen van mening over de vraag of eiseres is aan te merken als een medische afzakker.
15. De rechtbank stelt voorop dat bij het bepalen van de mate van arbeidsongeschiktheid als maatman wordt aangemerkt degene die dezelfde arbeid verricht als de laatstelijk verrichte arbeid voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid. Het verschil tussen het maatmanloon en de resterende verdiencapaciteit bepaalt de mate van arbeidsongeschiktheid. Een uitzondering daarop doet zich voor in geval sprake is van een medische afzakker. Dit houdt in dat iemand als gevolg van ziekte of gebrek (tijdelijk) lager beloond werk is gaan doen of om medische redenen de arbeidsomvang heeft teruggebracht zonder zich ziek te melden. In dat geval wordt afgeweken van het uitgangspunt dat het laatste werk voor intreding van de arbeidsongeschiktheid maatgevend is en wordt het voorlaatste werk als uitgangspunt genomen. Daarbij is van belang dat degene als gevolg van een objectief medische noodzaak minder uren is gaan werken, bijvoorbeeld op advies van of in overleg met zijn behandelend arts of bedrijfsarts. [2]
16. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 28 oktober 2024 geconcludeerd dat een medische onderbouwing ontbreekt om aan te nemen dat er vóór de periode van uitval in januari 2022 sprake zou zijn van een medische afzakker. Daarbij heeft hij verschillende stukken betrokken, onder meer de brief van hoofd personeelszaken [B] van 21 oktober 2024 en het verslag van de bedrijfsarts [C] van 3 juni 2015.
17. Op de zitting heeft eiseres toegelicht dat 8 juni 2015 de oorspronkelijke datum is van de brief van Borst en niet 21 oktober 2024. Dezelfde brief met de datum van 8 juni 2015 heeft eiseres op de zitting overgelegd. Volgens eiseres is bij het uitdraaien van de brief de oorspronkelijke datum aangepast met autocorrect. Deze brief volgde op het verslag van het consult met de bedrijfsarts [C] op 3 juni 2015. Volgens eiseres volgt hieruit dat de vermindering van de urenomvang wel degelijk is gebeurd op advies van de bedrijfsarts en dus een ander licht werpt op de vraag of eiseres als gevolg van een objectief medische noodzaak minder uren is gaan werken. Eiseres is op dat moment drie dagen in de week gaan werken met ouderschapsverlof in de hoop dat het met de tijd beter zou gaan en dat ze kon voldoen aan 0,8 fte, maar dat was te hoog gegrepen en de urenomvang is verder afgezakt naar 0,6 fte. Eiseres verwijst in dat kader naar de brief van 10 juni 2016 van haar werkgever.
18. De rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de gelegenheid gesteld hierop te reageren. In het aanvullend rapport van 30 juni 2025 blijft de verzekeringsarts bezwaar en beroep bij zijn standpunt dat er geen medische grondslag is voor de wijziging van de arbeidsomvang.
19. De rechtbank is echter van oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet inzichtelijk heeft gemotiveerd dat er geen aanleiding bestaat om eiseres als een medische afzakker aan te merken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het aanvullend
rapport hierover toegelicht dat de bedrijfsarts in het verslag van 3 juni 2015 expliciet aangeeft dat er op dat moment geen sprake is van ziekte die leidt tot arbeidsongeschiktheid. Dit is onjuist. In het verslag van 3 juni 2015 staat juist met zoveel woorden dat er sprake is van ziekte die leidt tot arbeidsongeschiktheid waarbij eiseres inmiddels twee dagen werkt. Daarbij is sprake van diverse beperkingen in de fysieke belasting. De bedrijfsarts geeft aan dat eiseres een modus heeft gevonden in werken met pauzes waarbij zij de werktijden opbouwt. Zij gaat komend schooljaar drie dagen werken, waarbij haar contract is verminderd naar vier dagen werken met een dag ouderschapsverlof zodat zij in praktijk drie dagen gaat werken. De bedrijfsarts achtte de op dat moment gemaakte afspraken reëel en haalbaar. Om die reden werd de WIA-beoordeling uitgesteld in de veronderstelling dat dit uiteindelijk ook niet hoeft, zo volgt uit het verslag van de bedrijfsarts. Op dat moment was behandeling gaande en de verwachting was dat dit niet van invloed zou zijn op de gemaakte afspraken. In de brief van 8 juni 2015 van Borst is vervolgens vastgelegd dat de werkuren van eiseres werden verminderd van 1 naar 0,8 per week, ingaande per 1 augustus 2015.
20. De rechtbank acht de toelichting van eiseres aannemelijk dat deze urenvermindering vanwege medische redenen een vervolg is geweest van de gemaakte afspraken waar in het verslag van de bedrijfsarts aan wordt gerefereerd. Uit het feit dat de bedrijfsarts die afspraken reëel en haalbaar vond, kan naar het oordeel van de rechtbank worden afgeleid dat die afspraken over de urenvermindering in overleg met de bedrijfsarts zijn gemaakt met het oog op het ziektebeeld van eiseres. Vervolgens wordt in de latere brief van 10 juni 2016 door de werkgever vastgesteld dat op verzoek van eiseres en na consultering van de bedrijfsarts de werkdagen in verband met de beperkte mobiele belastbaarheid van eiseres verspreid over de week moeten liggen. Deze informatie is in lijn met de toelichting van eiseres op de zitting. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat eiseres voldoende heeft onderbouwd dat zij in verband met medische klachten genoodzaakt was om minder te gaan werken.
21. De rechtbank komt tot de conclusie dat het Uwv eiseres ten onrechte niet heeft aangemerkt als medische afzakker. Het gevolg hiervan is dat het Uwv ten onrechte niet heeft afgeweken van het uitgangspunt dat het laatste werk voor intreding van de arbeidsongeschiktheid maatgevend is. Dit betekent dat de maatmanomvang onjuist is vastgesteld. De beroepsgrond slaagt dan ook. In zoverre is er sprake van een motiveringsgebrek in het bestreden besluit. De rechtbank zal de gevolgen hiervan bespreken na behandeling van de overige beroepsgrond over de geselecteerde functies.
Zijn de geselecteerde functies passend?
22. De arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit is gebaseerd op het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 4 november 2024. Naar aanleiding van de FML van 28 november 2024 heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep drie functies geselecteerd.
23. Eiseres heeft tegen de arbeidskundige beoordeling geen specifieke beroepsgronden aangevoerd, anders dan dat zij de geselecteerde functies om medische redenen niet kan verrichtten. Zoals hiervoor overwogen is er geen reden om te twijfelen aan de medische beoordeling van de belastbaarheid door de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Dit betekent dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep bij het selecteren van de functies de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep vastgestelde beperkingen in die FML als uitgangspunt heeft mogen nemen. De rechtbank is van oordeel dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep daarbij voldoende heeft gemotiveerd dat de drie functies passen bij de vastgestelde belastbaarheid van eiseres. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om te oordelen dat de geselecteerde functies voor eiseres niet geschikt zijn.

Wat is de conclusie en het vervolg?

24. Gelet op wat onder 21 is overwogen, is het beroep van eiseres gegrond en moet het bestreden besluit worden vernietigd. De rechtbank ziet geen aanleiding om het Uwv met een tussenuitspraak in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen, omdat het Uwv in beroep al de gelegenheid heeft gekregen om het bestreden besluit nader te motiveren. De rechtbank ziet ook geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien, omdat het Uwv, in tegenstelling tot de rechtbank, over de instrumenten beschikt om het juiste maatmanloon vast te stellen en vervolgens te beoordelen of dit leidt tot een andere mate van arbeidsongeschiktheid dan 51,73%. De rechtbank zal daarom het Uwv opdragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen. Daarbij moet het Uwv het maatmanloon opnieuw berekenen, waarbij uitgegaan moet worden dat eiseres als medische afzakker kan worden aangemerkt. Vervolgens moet het Uwv beoordelen wat dan de mate van arbeidsongeschiktheid van eiseres is. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen het Uwv een nieuw besluit moet nemen op zes weken na verzending van deze uitspraak.

Wat gebeurt er met de kosten van deze procedure?

25. Omdat het beroep gegrond is, moet het Uwv het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten voor de rechtsbijstand door een gemachtigde. Het Uwv moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,-, omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 6 november 2024;
- draagt het Uwv op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat het Uwv het griffierecht van € 51,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt het Uwv tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.W.A. Schimmel, rechter, in aanwezigheid van
mr. A. Azmi, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 12 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.De FML-en van [D] , handfysiotherapeut van 11 maart 2024, [E] , bekkenfysiotherapeut van 16 mei 2024, [F] , fysiotherapeut van 13 mei 2024 en van bedrijfsarts [G] van 29 november 2022.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 15 maart 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:477 r.o. 4.3.