ECLI:NL:RBMNE:2025:7230

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
24 december 2025
Publicatiedatum
13 januari 2026
Zaaknummer
C/16/591710 / HL ZA 25-97
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vonnis inzake aanneemovereenkomst en betalingsverplichtingen tussen aannemer en opdrachtgever

In deze civiele zaak heeft de Rechtbank Midden-Nederland op 24 december 2025 uitspraak gedaan in een geschil tussen [eiser] BV en [gedaagde]. De zaak betreft een aanneemovereenkomst waarbij [eiser] werkzaamheden heeft verricht in de woning van [gedaagde]. [eiser] vordert betaling van een openstaand bedrag van € 38.862,01, terwijl [gedaagde] verweer voert op basis van opschorting en ontbinding van de overeenkomst. De rechtbank heeft vastgesteld dat [gedaagde] in schuldeisersverzuim verkeert, omdat hij [eiser] niet in de gelegenheid heeft gesteld om eventuele gebreken te herstellen. Hierdoor slaagt het opschortingsverweer niet. Ook het ontbindingsverweer van [gedaagde] wordt afgewezen, omdat hij niet in gebreke heeft gesteld en de overeenkomst nog steeds van kracht is. De rechtbank wijst de vordering van [eiser] toe en wijst de tegenvorderingen van [gedaagde] af. Daarnaast wordt [gedaagde] veroordeeld tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten. De uitspraak benadrukt het belang van het bieden van gelegenheid tot herstel en de gevolgen van schuldeisersverzuim in het kader van contractuele verplichtingen.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht
Zittingsplaats Lelystad
Zaaknummer: C/16/591710 / HL ZA 25-97
Vonnis van 24 december 2025
in de zaak van
[eiser] BV,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. J. Wassink,
tegen
[gedaagde],
wonend in [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,

1.De procedure

1.1.
De rechtbank beschikt over de volgende stukken:
- de dagvaarding met producties (1-10);
- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie met producties (1-2);
- de conclusie van antwoord in reconventie met producties (11-16);
- het e-mailbericht van 6 augustus 2025 waarin de mondelinge behandeling is bepaald.
1.2.
Op 28 oktober 2025 heeft de toenmalig advocaat van [gedaagde] zich onttrokken. De rechtbank heeft op 29 oktober 2025 aan [eiser] gevraagd om zich uit te laten over het doorgaan van de mondelinge behandeling. [eiser] heeft laten weten dat zij geen bezwaren heeft daartegen.
1.3.
Op 5 november 2025 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Daarbij zijn verschenen de heer [directeur] , directeur van [eiser] , en zijn advocaat mr. J. Wassink. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat is besproken. Na de mondelinge behandeling is een proces-verbaal opgemaakt dat aan [eiser] en [gedaagde] (via zijn onttrokken advocaat) is verzonden.
1.4.
Na de mondelinge behandeling is de zaak verwezen naar de rol van 26 november 2025 voor het stellen van een nieuwe advocaat door [gedaagde] . Omdat geen advocaat zich heeft gesteld, heeft de rechtbank vonnis bepaald.

2.De kern

2.1.
Partijen hebben in 2024 een aanneemovereenkomst gesloten, op grond waarvan [eiser] werkzaamheden heeft verricht in de woning van [gedaagde] aan de [adres] in [woonplaats] . [eiser] heeft een drietal offertes uitgebracht voor het project. Die zijn door [gedaagde] aanvaard. De richtprijs bedraagt op basis van de offertes € 156.109,10. Hiervan is € 153.863,69 gefactureerd en € 115.001,68 betaald. [gedaagde] heeft het resterende bedrag van € 38.862,01 onbetaald gelaten, ook na de aanmaningen van [eiser] van 8 juli en 27 augustus 2024. [eiser] vordert in deze procedure betaling hiervan met rente en kosten. [gedaagde] voert verweer. Hij stelt allereerst dat hij zijn betalingsverplichting heeft opgeschort, omdat [eiser] volgens hem een deel van de werkzaamheden niet goed heeft uitgevoerd. Vervolgens stelt hij dat hij de aanneemovereenkomst gedeeltelijk heeft ontbonden en dat het ontbonden deel van de overeenkomst een waarde van € 28.749,60 vertegenwoordigt. Daarnaast stelt hij dat hij € 937,75 aan deskundigenkosten heeft gemaakt en dat [eiser] die kosten moet vergoeden. Daarom zou volgens hem alleen nog een bedrag van € 9.174,66 openstaan van de vordering van [eiser] . Als zijn verweer niet slaagt, vordert [gedaagde] een verklaring voor recht dat [eiser] tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst en een veroordeling van [eiser] tot betaling van |
€ 29.687,35 met rente aan hem. De rechtbank wijst de vordering van [eiser] toe en de tegenvorderingen van [gedaagde] af.

3.De beoordeling

In conventie
[gedaagde] is € 38.862,01 aan Slobo verschuldigd
3.1.
[eiser] is als aannemer op grond van deze overeenkomst verplicht het overeengekomen werk tot stand te brengen en op te leveren. [gedaagde] moet als opdrachtgever de overeengekomen prijs betalen. Partijen zijn voorwaarden overeengekomen voor de betaling door [gedaagde] . Uit de drie offertes van [eiser] blijkt dat [gedaagde] in totaal een bedrag van € 92.902,16 pas hoeft te betalen nadat het werk door [eiser] is
opgeleverd.
3.2.
Beide partijen zijn blijkens hun vorderingen en verweren er kennelijk van uitgegaan dat de wijze van oplevering niet aan de opeisbaarheid van de vordering van [eiser] in de weg staat. [gedaagde] betwist de opeisbaarheid van de vordering op zichzelf niet. Hij doet een beroep op opschorting van zijn betalingsverplichting en ontbinding van de aanneemovereenkomst.
3.3.
[eiser] heeft vier facturen verzonden voor in totaal een bedrag van
€ 153.863,69 en de betaaltermijn op deze facturen is verstreken. Bovendien heeft [eiser] op 8 juli 2024 een ingebrekestelling verzonden aan [gedaagde] . De betaaltermijn van veertien dagen na ontvangst van deze brief is ook verstreken. Gelet op het al betaalde bedrag van € 115.001,68, moet [gedaagde] nog € 38.862,01 betalen aan [eiser] . Dat is alleen anders als een van zijn verweren hem bevrijdt van zijn betalingsverplichting.
Het opschortingsverweer van [gedaagde] slaagt niet
3.4.
Als eerste voert [gedaagde] een opschortingsverweer. Aan de orde is de vraag of [gedaagde] zich terecht heeft beroepen op opschorting. Volgens [gedaagde] heeft [eiser] de bouwwerkzaamheden niet naar behoren uitgevoerd. Daarom heeft hij zijn betalingsverplichting opgeschort tot, zo voert [gedaagde] aan, de omvang van de tekortkoming aan de zijde van [eiser] vaststaat. [gedaagde] heeft niet gesteld
welkewerkzaamheden door [eiser] niet naar behoren zijn uitgevoerd. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft hij alleen verwezen naar een inspectierapport dat hij in het geding heeft gebracht (productie 1 bij de conclusie van antwoord), meer specifiek een passage op pagina 4 van het rapport. Daarin staat:
“Geconcludeerd kan worden dat met name het elektrawerk en het tegelwerk veel gebreken vertonen. Deze werkzaamheden zijn niet naar behoren uitgevoerd en zullen hersteld moeten worden.”
[eiser] betwist dat [gedaagde] tot opschorting van zijn betalingsverplichtingen bevoegd is omdat zij de bouwwerkzaamheden naar behoren heeft uitgevoerd en, voor zover die werkzaamheden herstel behoefden, [gedaagde] haar niet de gelegenheid tot dat herstel heeft gegeven.
3.5.
De rechtbank ziet aanleiding om eerst te oordelen over de vraag of [gedaagde] , [eiser] in de gelegenheid heeft gesteld herstelwerkzaamheden te verrichten. Als dat niet het geval is, verkeert [gedaagde] als schuldeiser in verzuim en komt hem geen bevoegdheid tot opschorting toe. Volgens artikel 6:58 Burgerlijk Wetboek raakt een schuldeiser (in dit geval [gedaagde] ) in verzuim als hij de nakoming van de verbintenis (in dit geval het herstel) door de wederpartij (in dit geval [eiser] ) verhindert doordat hij de daartoe noodzakelijke medewerking niet verleent.
3.6.
[eiser] heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat het werk klaar is en zij na afloop de verrichte werkzaamheden met [gedaagde] is nagelopen en met [gedaagde] heeft besproken. Over het herstel van een aantal zaken waren zij het eens. Over het herstel van een aantal andere zaken niet. [eiser] heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat zij bij [gedaagde] is geweest om te praten over de openstaande kosten en de werkzaamheden die volgens [gedaagde] niet goed zijn verricht. In het proces-verbaal is het volgende geverbaliseerd:
“Er is ook een moment geweest dat de verbouwing klaar was en ik langs ben geweest om te praten over de kosten die nog open staan en de werkzaamheden die volgens hem niet goed zijn verricht. Hij vloog me toen aan en schreeuwde tegen mij, waarna hij de deur voor mijn gezicht dichtgooide.”Toen de rechter aan [eiser] vroeg wat de bedoeling was van haar bezoek aan [gedaagde] , antwoordde zij het volgende:
“Er stond nog een X bedrag open en volgens [gedaagde] waren bepaalde werkzaamheden niet verricht zoals hij had verwacht.”
Op de vraag van de rechter wat [eiser] aan [gedaagde] heeft gezegd tijdens het gesprek aan zijn deur antwoordde [eiser] :
“Ik heb gezegd dat ik er was voor het netjes opleveren van het werk. Toen ging hij over de rooie.”
De vraag van de rechter of hij het goed heeft begrepen dat [eiser] , voor zover terecht was geklaagd, bereid was om te zorgen voor herstel, heeft [eiser] bevestigend beantwoord.
3.7.
[gedaagde] was niet aanwezig tijdens de mondelinge behandeling en heeft geen verweer gevoerd tegen deze geschetste gang van zaken ook niet nadat het proces-verbaal van de mondelinge behandeling aan hem is verzonden. Daardoor staat vast dat [eiser] bereid en in staat was herstelwerkzaamheden te verrichten en dat [gedaagde] dat heeft verhinderd door [eiser] de toegang tot zijn woning te ontzeggen. Daardoor is [gedaagde] als schuldeiser in verzuim geraakt. Door het schuldeisersverzuim heeft [gedaagde] geen bevoegdheid tot opschorting van zijn betalingsverplichting. Het opschortingsverweer slaagt daarom niet.
Het ontbindingsverweer van [gedaagde] slaagt niet
3.8.
Het tweede verweer van [gedaagde] is een ontbindingsverweer. Aan de orde is of [gedaagde] de overeenkomst rechtsgeldig heeft ontbonden. [gedaagde] voert aan dat hij de overeenkomst heeft ontbonden voor het deel van het werk dat [eiser] volgens hem niet naar behoren heeft uitgevoerd. Deze gedeeltelijke ontbinding leidt volgens hem tot een vermindering van de aanneemsom met het bedrag aan kosten voor het laten uitvoeren van herstelwerkzaamheden. [gedaagde] schat de hoogte van deze herstelkosten in op een bedrag van € 28.749,60 op basis van het inspectierapport. [eiser] heeft tijdens de mondelinge behandeling aangevoerd dat [gedaagde] de overeenkomst niet kan ontbinden, omdat hij in schuldeisersverzuim is geraakt. Daarnaast heeft [eiser] aangevoerd dat [gedaagde] haar niet eerst in gebreke heeft gesteld, zodat zij niet in verzuim is en de overeenkomst ook daarom niet kan worden ontbonden.
3.9.
Artikel 6:265 BW bepaalt dat een partij bij een overeenkomst de bevoegdheid heeft om die overeenkomst te ontbinden als de andere partij een van haar contractuele verplichtingen niet nakomt. Als nakoming door de andere partij niet onmogelijk is geworden, ontstaat de bevoegdheid tot ontbinding pas wanneer die andere partij in verzuim is in de zin van artikel 6:81 BW. Voor het intreden van verzuim is in principe een ingebrekestelling nodig als bedoeld in artikel 6:82 BW. Een ingebrekestelling is een schriftelijke aanmaning van de schuldeiser (in dit geval [gedaagde] ) aan de schuldenaar (in dit geval [eiser] ) om na te komen. De schuldeiser die in schuldeisersverzuim is geraakt is op grond van artikel 6:266 lid 1 BW niet bevoegd om de overeenkomst te ontbinden.
3.10.
Nu vaststaat dat [gedaagde] in schuldeisersverzuim is geraakt, kan hij de overeenkomst niet ontbinden.
3.11.
Maar zelfs als [gedaagde] niet in schuldeisersverzuim zou zijn geraakt, komt de rechtbank niet tot het oordeel dat [gedaagde] de overeenkomst rechtsgeldig heeft ontbonden. Partijen hebben niet gesteld dat het alsnog afronden en opleveren van de bouwwerkzaamheden door [gedaagde] onmogelijk is geworden. Daarom bestaat de bevoegdheid tot ontbinding pas als [eiser] in verzuim is. [eiser] heeft aangevoerd dat [gedaagde] haar niet in gebreke heeft gesteld. [gedaagde] heeft dat niet weersproken. Bovendien heeft [gedaagde] geen omstandigheden aangevoerd op grond waarvan het verzuim van [eiser] zonder een ingebrekestelling zou zijn ontstaan. Dat [eiser] in verzuim is geraakt, is daarom niet komen vast te staan. Daardoor is niet voldaan de vereisten voor ontbinding. Het ontbindingsverweer slaagt daarom niet.
[gedaagde] hoeft een bedrag van € 1.480,00 ex BTW niet te betalen
3.12.
Dat het ontbindingsverweer van [gedaagde] niet slaagt, betekent dat de aanneemovereenkomst nog steeds geldt tussen partijen. [gedaagde] moet daarom het resterende bedrag van € 38.862,01 betalen aan [eiser] .
3.13.
[eiser] heeft zich – in de conclusie van antwoord in reconventie – bereid verklaard om de herstelkosten voor twee gestelde gebreken in mindering te brengen op haar vordering. Het gaat om een bedrag van € 1.280,00 exclusief BTW voor de horizontale voegen van de wandtegels en € 200,00 exclusief BTW voor een vloertegel onder de keuken. Daarom zal een bedrag van € 1.480,00 te vermeerderen BTW in mindering komen op de toe te wijzen vordering van [eiser] . Dit betekent dat een bedrag (inclusief BTW) van € 38.862,01, verminderd met: € 1.480,00 te vermeerderen BTW, zal worden toegewezen.
[gedaagde] moet de wettelijke rente betalen
3.14.
[eiser] heeft wettelijke rente gevorderd over de hoofdsom. Zij heeft de ingangsdatum van de rente gebaseerd op de respectieve vervaldata van de facturen. [gedaagde] heeft geen inhoudelijk verweer gevoerd tegen de gevorderde wettelijke rente. Deze vordering zal daarom worden toegewezen.
[gedaagde] moet de buitengerechtelijke incassokosten betalen
3.15.
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. [gedaagde] betwist dat [eiser] kosten heeft gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen. Volgens [gedaagde] zijn hooguit kosten gemaakt voor het sturen van een enkele aanmaning en vallen de overige werkzaamheden die vóór de procedure door [eiser] zijn uitgevoerd niet onder een buitengerechtelijke kostenvergoeding.
3.16.
Deze vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De rechtbank stelt vast dat [gedaagde] een consument is (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de rechtbank controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten.
3.17.
Voorop staat dat [eiser] gemotiveerd heeft gesteld dat zij niet één, maar twee aanmaningen heeft verzonden aan [gedaagde] . Zij heeft deze aanmaningen in het geding gebracht als producties bij de dagvaarding. De aanmaning van 8 juli 2024 voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. Daarnaast heeft [eiser] gesteld dat zij [gedaagde] bij brief van 13 februari 2025 heeft benaderd voor het treffen van een minnelijke regeling. Deze brief en de ondertekende bevestiging van ontvangst heeft zij ook in het geding gebracht (producties 9 en 10 bij de dagvaarding). [gedaagde] heeft de stelling van [eiser] , dat hij deze brieven heeft ontvangen, niet betwist. De kosten van deze brieven komen voor vergoeding in aanmerking. Daarom zal een bedrag van € 1.149,12 worden toegewezen. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke incassokosten zal ook worden toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
3.18.
[gedaagde] moet de proceskosten van [eiser] in conventie (inclusief nakosten) betalen, omdat hij ongelijk heeft gekregen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
120,78
- griffierecht
2.995,00
- salaris advocaat
1.572,00
(2 punten × € 786,00)
- nakosten
139,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
4.826,78
3.19.
De gevorderde rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
In reconventie
De tegenvorderingen van [gedaagde] worden afgewezen
Algemeen
3.20.
Omdat zowel het opschortingsverweer als het ontbindingsverweer van [gedaagde] niet slaagt, zal de rechtbank de (voorwaardelijke) tegenvorderingen van [gedaagde] beoordelen.
3.21.
[gedaagde] vordert in het petitum van de conclusie van antwoord dat (1) voor recht wordt verklaard dat [eiser] tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst en (2) [eiser] wordt veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van € 29.687,35 met rente, gerekend vanaf 3 mei 2024. Maar onder randnummer 10 van de conclusie van antwoord staat dat [gedaagde] wil dat (1) voor recht wordt verklaard dat [eiser] tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst, (2) voor recht wordt verklaard dat [gedaagde] daardoor schade lijdt ter hoogte van € 29.687,35 met rente, gerekend vanaf de datum van de laatste factuur van [eiser] , en (3) voor recht wordt verklaard dat [gedaagde] die schade kan verrekenen met de vordering in conventie van [eiser] . Deze tegenvorderingen verschillen. [gedaagde] was niet aanwezig tijdens de mondelinge behandeling en heeft geen toelichting kunnen geven op zijn vorderingen. Daarom moet de rechtbank bepalen over welke vordering(en) zij moet oordelen.
3.22.
Bij de uitleg van een petitum moet niet alleen rekening worden gehouden met de bewoordingen daarvan, maar komt ook betekenis toe aan de inhoud van wat aan de eis ten grondslag is gelegd, de wijze waarop de wederpartij de eis heeft begrepen en redelijkerwijs heeft moeten begrijpen, en het overige partijdebat. [1]
3.23.
De rechtbank begrijpt het petitum, gelezen in samenhang met het lichaam van de conclusie van antwoord, zo dat [gedaagde] vordert dat (1) voor recht wordt verklaard dat [eiser] tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst en (2) [eiser] wordt veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van € 29.687,35 met rente, gerekend vanaf 3 mei 2024. Van dit bedrag is € 937,75 een schadevergoeding voor deskundigenkosten in de zin van artikel 6:96 lid 2 onder b BW en € 28.749,60 een vervangende schadevergoeding in de zin van artikel 6:87 lid 1 BW. [eiser] heeft de tegenvorderingen van [gedaagde] ook zo begrepen en daartegen verweer gevoerd.
3.24.
De vordering voor recht te verklaren dat [eiser] toerekenbaar tekortgeschoten is in de nakoming van haar verplichtingen heeft geen zelfstandige betekenis omdat de vordering tot betaling van een vervangende schadevergoeding alleen toewijsbaar is als van een toerekenbaar tekortschieten van [eiser] sprake is. Dit betekent dat [gedaagde] geen belang heeft bij de afzonderlijke vordering tot verklaring voor recht. Reeds om deze reden zal die worden afgewezen.
De gevorderde vervangende schadevergoeding van € 28.749,60 wordt afgewezen
3.25.
Aan de orde is of [gedaagde] recht heeft op een vervangende schadevergoeding. [gedaagde] stelt dat hij schade lijdt, omdat [eiser] een deel van het werk volgens hem niet naar behoren heeft uitgevoerd en de kosten voor het laten uitvoeren van herstelwerkzaamheden € 28.749,60 bedragen. [eiser] voert aan dat [gedaagde] haar niet eerst in gebreke heeft gesteld, zodat zij niet in verzuim is en daarom niet is voldaan aan de vereisten voor een vervangende schadevergoeding.
3.26.
Artikel 6:87 BW bepaalt dat, als nakoming niet al blijvend onmogelijk is geworden, de oorspronkelijke verbintenis tot nakoming kan worden omgezet in een verbintenis tot vervangende schadevergoeding, wanneer (1) de schuldenaar in verzuim is en (2) de schuldeiser hem schriftelijk mededeelt dat schadevergoeding wordt gevorderd in plaats van nakoming.
3.27.
Zoals onder randnummer 3.11. van dit vonnis is overwogen, is niet komen vast te staan dat [eiser] in verzuim is geraakt. Dat betekent dat niet is voldaan aan de vereisten voor een vervangende schadevergoeding. Deze vordering wordt daarom afgewezen.
De gevorderde schadevergoeding voor deskundigenkosten van € 937,75 wordt afgewezen
3.28.
[gedaagde] vordert € 937,75 aan deskundigenkosten. Hij stelt dat deze kosten te beschouwen zijn als redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid en daarom voor vergoeding in aanmerking komen. [eiser] heeft niet weersproken dat [gedaagde] deze kosten heeft gemaakt.
3.29.
Artikel 6:96 lid 2 onder b BW bepaalt dat redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid voor vergoeding in aanmerking komen. Dit artikel biedt geen zelfstandige grond voor vergoeding van deskundigenkosten. Het artikel biedt alleen een grond voor vergoeding van deze kosten als (1) sprake is van een wettelijke verplichting tot schadevergoeding en (2) de deskundige is ingeschakeld om vast te stellen of een gebeurtenis heeft geleid tot schade en zo ja, of iemand daarvoor aansprakelijk te stellen is. Alleen dan komen deskundigenkosten, naast de andere geleden schade, voor vergoeding in aanmerking.
3.30.
De gevorderde vervangende schadevergoeding is onder randnummer 3.27 van dit vonnis afgewezen. Dat [eiser] een andere wettelijke verplichting tot schadevergoeding heeft tegenover [gedaagde] waarvoor de deskundigenkosten zijn gemaakt, is niet gesteld of gebleken. Dat betekent dat niet is voldaan aan de vereisten voor een schadevergoeding voor deze kosten. Deze vordering wordt daarom afgewezen.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
3.31.
[gedaagde] moet de proceskosten van [eiser] in reconventie (inclusief nakosten) betalen, omdat hij ongelijk heeft gekregen. Omdat de vordering in reconventie voortvloeit uit het verweer in conventie wordt de helft van het aantal punten toegekend. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- salaris advocaat
393,00
(1 punt × factor 0,5 × € 786,00)
- nakosten
139,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
532,00
3.32.
De gevorderde rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

4.De beslissing

In conventie
4.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 38.862,01, verminderd met: € 1.480,00 te vermeerderen BTW, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, vanaf de respectieve vervaldata van de facturen, telkens tot de dag van volledige betaling,
4.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 1.149,12 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van volledige betaling,
4.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 4.826,78, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
4.4.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
In reconventie
4.5.
wijst de vorderingen van [gedaagde] af,
4.6.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 532,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
4.7.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
in conventie en in reconventie
4.8.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.9.
verklaart dit vonnis wat betreft de onder randnummer 4.1, 4.2, 4.3, 4.4, 4.6, 4.7 en 4.8 van dit vonnis genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,
4.10.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.M.M. Steenberghe en in het openbaar uitgesproken op 24 december 2025.

Voetnoten

1.Hoge Raad 7 juli 2023, ECLI:NL:HR:2023:1070.