Op 5 december 2025 heeft de Rechtbank Midden-Nederland uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak tussen een verzoeker en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv). De zaak betreft een verzoek om proceskostenvergoeding na het intrekken van een beroep. Verzoeker had in eerste instantie beroep ingesteld omdat het Uwv niet tijdig had beslist op zijn bezwaar van 13 november 2024 tegen een besluit van 30 oktober 2024. Na een beslissing van het Uwv op 11 november 2025, trok verzoeker zijn beroep in en vroeg om vergoeding van de proceskosten. Het Uwv weigerde deze vergoeding, omdat verzoeker geen ingebrekestelling had ingediend.
De rechtbank oordeelde dat het niet nodig was om partijen uit te nodigen voor een zitting. De rechtbank stelde vast dat verzoeker geen ingebrekestelling had verstuurd voordat hij beroep instelde, wat een voorwaarde is voor het indienen van beroep volgens de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Verzoeker had op 29 mei 2025 per e-mail een ingebrekestelling gestuurd, maar het Uwv had geen kennisgeving gedaan dat elektronische indiening was toegestaan. Hierdoor kon de rechtbank niet vaststellen dat verzoeker aan de voorwaarden voor het indienen van beroep had voldaan.
De rechtbank concludeerde dat het beroep niet-ontvankelijk was en dat het verzoek om proceskostenvergoeding daarom werd afgewezen. De uitspraak werd gedaan door rechter J. Wolbrink en griffier I. van Ittersum, en is openbaar uitgesproken op 5 december 2025.