ECLI:NL:RBMNE:2025:7183

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
31 december 2025
Publicatiedatum
9 januari 2026
Zaaknummer
UTR 25/7815
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening inzake jeugdhulp en pgb voor minderjarige kinderen

In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter van de Rechtbank Midden-Nederland op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster, die optreedt als wettelijk vertegenwoordiger van haar minderjarige kinderen. Het verzoek betreft jeugdhulp in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb) voor het inkopen van zorg bij een stichting. Het primaire besluit van 8 september 2025, waarin de aanvraag voor jeugdhulp werd afgewezen, leidde tot bezwaar van verzoekster. Eerder zijn er al voorlopige voorzieningen toegewezen, maar nu dient er opnieuw een verzoek in verband met de urgentie van de zorgvraag.

De voorzieningenrechter overweegt dat er een duidelijke zorgvraag is en dat de kinderen specialistische hulp nodig hebben. De ouders ervaren problemen en de kinderen zitten zonder behandeling. De voorzieningenrechter besluit een ordemaatregel te treffen, waarbij verweerder wordt gelast om het pgb ter beschikking te stellen en vervoer te regelen voor de kinderen naar het behandelcentrum. Indien verweerder niet voldoet aan deze ordemaatregel, verbeurt hij een dwangsom. De uitspraak benadrukt dat dit geen inhoudelijke beoordeling van het verzoek om voorlopige voorziening is, maar enkel een ordemaatregel betreft.

De uitspraak is gedaan door mr. P. Lenstra, in aanwezigheid van griffier mr. E. Kersten, en is openbaar uitgesproken op 31 december 2025. De beslissing houdt in dat de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening toewijst en de voorwaarden voor de ordemaatregel vastlegt.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/7815

uitspraak van de voorzieningenrechter van 31 december 2025 in de zaak tussen

[verzoekster], uit [woonplaats] , verzoekster in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van
[minderjarige 1] en [minderjarige 2]
(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amersfoort

(gemachtigde: J.H. de Vos).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster in verband met jeugdhulp voor haar minderjarige kinderen in de vorm van een pgb [1] voor het inkopen van zorg bij Stichting [stichting] (hierna: [stichting] ).
1.1.
In het besluit van 8 september 2025 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoekster om jeugdhulp in de vorm van behandeling bij [stichting] afgewezen.
1.2.
Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit en hangende het bezwaar een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. Deze is afgewezen in de uitspraak van de voorzieningenrechter van 14 oktober 2025. [2] Vervolgens heeft verzoekster nogmaals een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. Deze is toegewezen in de uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 december 2025. [3] In deze uitspraak heeft de voorzieningenrechter bepaald dat verweerder het pgb zal verstrekken voor beide kinderen, te weten [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , voor een-op-een behandeling van per kind 30 uur per week bij stichting [stichting] , vanaf 14 december 2025 tot zes weken na de beslissing op bezwaar.
1.3.
Vervolgens heeft verzoekster nogmaals een voorlopige voorziening hangende bezwaar ingediend. Dit is het verzoek dat nu voorligt.
1.4.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, vierde lid, van de Awb [4] uitspraak zonder zitting.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Verzoekster heeft bij haar verzoek een e-mailwisseling met verweerder ingediend over de periode van 17 december 2025 tot 30 december 2025. Hieruit blijkt dat verweerder bewijsstukken aan verzoekster heeft gevraagd om aan te tonen wie het ouderlijk gezag heeft over beide kinderen. Verder blijkt uit de e-mailwisseling dat verzoekster niet beschikt over dergelijke bewijsstukken, althans deze alleen met verweerder wil delen onder bepaalde voorwaarden en dat verweerder niet akkoord gaat met deze voorwaarden. Uit de
e-mailwisseling blijkt verder dat verweerder de noodzaak erkent om vervoer in te zetten voor beide kinderen, gelijklopend aan de duur waarop het pgb voor [stichting] moet worden afgegeven op grond van de uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 december 2025. De noodzaak van vervoer waarmee de kinderen van en naar het behandelcentrum kunnen reizen, staat dus vast.
3. Vooruitlopend op de inhoudelijke juridische beoordeling van het verzoek om een voorlopige voorziening ziet de voorzieningenrechter aanleiding een ordemaatregel te treffen.
3.1.
Daarvoor is bepalend dat uit de uitspraak d.d. 12 december 2025 en de toelichting van verzoekster bij onderhavig verzoek volgt dat beide kinderen er belang bij hebben op korte termijn specialistische hulp te (blijven) ontvangen. In r.o. 17 van voornoemde uitspraak overweegt de voorzieningenrechter namelijk: (…)
er een duidelijke zorgvraag ligt en dat het van belang is dat de kinderen op korte termijn specialistische hulp ontvangen. Sinds de aanvraag is inmiddels geruime tijd verstreken. Op dit moment zitten de kinderen thuis zonder enige vorm van behandeling. Verzoekster heeft naar voren gebracht dat zij achteruitgang in het gedrag van de kinderen ziet. Het is belangrijk dat er nu iets gebeurt vanwege de leeftijd van de kinderen en het gegeven dat de ouders gezien de (overige) problematiek in het gezin overvraagd worden(…).
3.2.
Verder heeft verzoekster naar voren gebracht dat de kinderen inmiddels gestart zijn met de behandeling, dat zij zeer strikte patronen van herhaling en voorspelbaarheid nodig hebben en dat het van belang is dat de behandeling niet wordt onderbroken.
3.3.
De periode waarover deze ordemaatregel wordt getroffen, te weten, tot het moment dat uitspraak wordt gedaan op het verzoek om voorlopige voorziening, is relatief beperkt en overzichtelijk. Gezien de korte duur van de ordemaatregel, gaat het belang van de behandeling van de kinderen boven het belang van verweerder in die periode.
4. Gelet op het voorgaande zal de voorzieningenrechter een ordemaatregel treffen en gelast verweerder vanaf het moment van deze uitspraak tot aan de uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening (1) het pgb aan verzoekster ter beschikking te stellen én (2) vervoer in te zetten waarmee de kinderen van en naar het behandelcentrum kunnen reizen, zonder dat zij daarvoor eerst dient aan te tonen dat zij gezag heeft over beide kinderen.
4.1.
De voorzieningenrechter stelt vast dat verweerder tot dusverre geen gehoor heeft gegeven aan de (ongeclausuleerde) opdracht die met de uitspraak d.d. 12 december 2025 is gegeven. Daarin ziet de voorzieningenrechter aanleiding om te bepalen dat, indien en zolang verweerder met ingang van 5 januari 2026 niet voldoet aan deze ordemaatregel, zij een dwangsom verbeurt aan verzoekster van € 500,-, met een maximum van € 10.000,-, voor iedere dag of gedeelte daarvan dat verweerder in gebreke blijft aan deze ordemaatregel te voldoen.
5. Ter voorlichting van partijen wordt benadrukt dat deze beslissing geen juridisch inhoudelijke beoordeling betreft van het verzoek om een voorlopige voorziening en dus evenmin een voorlopig oordeel is over de rechtmatigheid van het handelen van verweerder.

Conclusie en gevolgen

6. De voorzieningenrechter treft een ordemaatregel zoals hiervoor overwogen in r.o. 4 en 4.1.
6.1.
De beslissing over de proceskosten houdt de voorzieningenrechter aan tot de einduitspraak.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe;
  • gelast verweerder bij wijze van ordemaatregel om vanaf het moment van deze uitspraak tot aan de uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening het pgb aan verzoekster ter beschikking te stellen én vervoer in te zetten waarmee de kinderen van en naar het behandelcentrum kunnen reizen, zonder dat zij daarvoor eerst dient aan te tonen dat zij gezag heeft over beide kinderen;
  • bepaalt dat, indien en zolang verweerder met ingang van 5 januari 2026 niet voldoet aan deze ordemaatregel, zij een dwangsom verbeurt aan verzoekster van € 500,-, met een maximum van € 10.000,-, voor iedere dag of gedeelte daarvan dat verweerder in gebreke blijft aan deze ordemaatregel te voldoen.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Lenstra, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E. Kersten, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 31 december 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Persoonsgebonden budget.
2.Uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 14 oktober 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:6157.
3.Uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 12 december 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:6910.
4.Algemene wet bestuursrecht.