Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2025:7126

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
7 november 2025
Publicatiedatum
5 januari 2026
Zaaknummer
UTR 24/4986-V
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 2.5 Procesreglement bestuursrecht rechtbankArt. 8:41, lid 6 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring beroep wegens niet tijdig betalen griffierecht ongegrond verklaard

Adecco Personeelsdiensten B.V. stelde beroep in tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar, maar betaalde het griffierecht niet binnen de gestelde termijn. De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk en Adecco diende hiertegen verzet in. De rechtbank beoordeelde of het eerdere oordeel dat geen zitting nodig was, terecht was en of het niet betalen van het griffierecht verschoonbaar was.

Adecco voerde aan dat zij door een administratieve vergissing de nota over het griffierecht niet had betaald en dat zij geen herinnering had ontvangen, in tegenstelling tot een andere zaak bij de rechtbank Amsterdam. De rechtbank oordeelde dat het niet tijdig betalen van het griffierecht niet aan Adecco kon worden toegerekend, maar dat deze vergissing geen verschoonbare omstandigheid vormde. Ook het ontbreken van een herinnering was niet relevant omdat de griffierechtnota aangetekend was verzonden en de zaak versneld werd behandeld.

De rechtbank concludeerde dat het verzet ongegrond was en dat de eerdere niet-ontvankelijkverklaring van het beroep terecht was. De uitspraak van 31 oktober 2024 bleef daarmee in stand en er was geen mogelijkheid tot hoger beroep.

Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep wegens niet tijdige betaling van het griffierecht is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/4986-V

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 november 2025 op het verzet van

Adecco Personeelsdiensten B.V., te Zaltbommel, opposante,

(gemachtigde: H.E. Wonnink).

Procesverloop

Opposante heeft 24 juli 2024 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar.
In de uitspraak van 31 oktober 2024 heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Opposante heeft tegen deze uitspraak een verzetschrift ingediend.
Opposante heeft niet gevraagd om op een zitting te worden gehoord.

Overwegingen

1. De rechtbank heeft de uitspraak van 31 oktober 2024 gedaan zonder dat zij een zitting heeft gehouden. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt die mogelijkheid als over de uitkomst van de procedure in redelijkheid geen twijfel mogelijk is.
2. In deze zaak moet de rechtbank beoordelen of de rechtbank toen terecht heeft geoordeeld dat er geen twijfel over de uitkomst was en dat er dus geen zitting nodig was.
De rechtbank kijkt (nog) niet of opposante gelijk heeft met haar beroep. Dat gebeurt pas als de rechtbank van oordeel is dat de uitspraak van de rechtbank van 31 oktober 2024 niet juist was.
3. Opposante stelt dat zij het griffierecht niet heeft betaald, omdat zij per abuis drie nota’s samen hebben gescand. Daardoor zijn twee nota’s aan de aandacht van de financiële administratie ontsnapt; eentje in deze zaak en eentje in een zaak bij de rechtbank Amsterdam. Opposante heeft in deze zaak geen herinnering voor de nota ontvangen, terwijl zij van de rechtbank Amsterdam wel een herinnering heeft gekregen om het griffierecht alsnog te betalen. Opposante betoogt dat een verschil in de praktijk van verschillende instellingen verwarrend is. Zij wijst daarbij op een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 16 juli 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN2122. Volgens opposante had zij met het oog op de rechtseenheid en rechtszekerheid ook in deze zaak een herstelmogelijkheid moeten krijgen om het griffierecht alsnog te betalen.
4. In artikel 8:41 van Pro de Awb staat dat iemand die beroep instelt tijdig griffierecht moet betalen. De griffier heeft op 26 juli 2024 opposante een aangetekende nota toegezonden waarin staat vermeld dat opposante binnen twee weken na dagtekening van de nota, dus uiterlijk 23 oktober 2024, het griffierecht moet betalen. Dat betekent dat het hele bedrag dus binnen die termijn moet zijn betaald. Het niet tijdig betalen van het griffierecht kan ertoe leiden dat het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard. Dit is alleen anders als het niet of niet tijdig betalen van het griffierecht niet aan opposant kan worden verweten. [1]
5. De rechtbank begrijpt dat opposante per abuis 3 nota’s samen heeft gescand en daardoor de nota voor deze zaak over het hoofd heeft gezien. Dat is echter geen omstandigheid die het niet betalen van het griffierecht verschoonbaar maakt.
6. Ook de omstandigheid dat opposante geen herinnering heeft ontvangen, leidt niet tot de conclusie het niet tijdig betalen van het griffierecht verschoonbaar is. Volgens artikel 2.5, eerste lid, van het Procesreglement bestuursrecht rechtbank verstuurt de griffier de griffierechtnota eerst per gewone post en, als de nota niet tijdig wordt betaald, volgt een herinnering per aangetekende brief. Volgens artikel 2.5, tweede lid, van het Procesreglement bestuursrecht rechtbanken kan de griffier onder meer volstaan met het eenmaal aangetekend verzenden van de griffierechtnota als het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit of als de rechtbank het beroep versneld behandeld. Dat is in deze zaak het geval: het beroep van opposante is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit door verweerder en de rechtbank heeft besloten het beroep versneld te behandelen. Dat heeft de rechtbank bij brief van 24 juli 2024 ook aan partijen laten weten. De rechtbank mocht dus volstaan met de aangetekend verzonden griffierechtnota en hoefde niet een herinnering te sturen.
7. Volgens opposante heeft de rechtbank Amsterdam in een andere zaak wel een herinnering gestuurd. Daaruit volgt echter niet dat het in die zaak ook gaat om een beroep niet tijdig beslissen en dat die zaak ook versneld werd behandeld. Opposante stelt niet dat dit geval is en zij heeft dat ook niet onderbouwd. Opposante heeft daarom niet aannemelijk gemaakt dat er een verschil in praktijk is tussen rechtbanken. Alleen al daarom slaagt dit betoog niet.
8. Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank de zaak terecht vereenvoudigd heeft afgedaan en het beroep terecht kennelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard. Dit betekent dat het verzet ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank van 31 oktober 2024 in stand blijft.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van S. Ayyildiz, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 november 2025.
de griffier is verhinderd deze uitspraak
te ondertekenen
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kunt u niet in hoger beroep.

Voetnoten

1.Art. 8:41, lid 6 van de Awb