ECLI:NL:RBMNE:2025:7049

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
19 december 2025
Publicatiedatum
30 december 2025
Zaaknummer
C/16/601754 / KG ZA 25-546
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot schorsing executie van een vonnis in kort geding met afwijzing van de vorderingen tot opheffing van beslagen

In deze zaak heeft de Rechtbank Midden-Nederland op 19 december 2025 uitspraak gedaan in een kort geding waarin eisers vorderden om de executie van een eerder vonnis te schorsen. Dit vonnis was op 17 september 2025 uitgesproken in een schadestaatprocedure, waarin eisers door het Hof Arnhem-Leeuwarden aansprakelijk waren gesteld voor schade aan gedaagde. Eisers vorderden ook de opheffing van beslagen die door gedaagde waren gelegd. De rechtbank oordeelde dat er geen sprake was van kennelijke misslagen in het eerdere vonnis en dat het belang van eisers niet zwaarder woog dan dat van gedaagde. De vorderingen van eisers werden afgewezen. De rechtbank overwoog dat eisers een spoedeisend belang had, maar dat dit niet voldoende was om de executie te schorsen. De rechtbank concludeerde dat de belangen van gedaagde, die al jaren wachtte op schadevergoeding, zwaarder wogen. De proceskosten werden toegewezen aan gedaagde, die in het ongelijk was gesteld. De uitspraak benadrukt de noodzaak van een zorgvuldige afweging van belangen in kort geding procedures, vooral wanneer het gaat om de uitvoerbaarheid van vonnissen.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/601754 / KG ZA 25-546
Vonnis in kort geding van 19 december 2025
in de zaak van

1.[eiser sub 1] ,

te [plaats] ,
2.
[eiser sub 2],
te [plaats] ,
3.
[eiser sub 3] B.V.,
te [plaats] ,
4.
[eiser sub 4] B.V.,
te [plaats] ,
5.
[eiser sub 5] B.V.,
te [plaats] ,
6.
[eiser sub 6] B.V.,
te [plaats] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eisers] ,
advocaat: mr. M.F.H. van Delft en mr. T. Novakovski,
tegen
[gedaagde] B.V.,
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. R.A.D. Blaauw.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met 24 producties;
- de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie met 20 producties;
- de nagekomen producties 25 en 26 van [eisers] ;
- de mondelinge behandeling van 5 december 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt;
- de pleitnota van [eisers] ;
- de pleitnota van [gedaagde] ;
- het proces-verbaal van 5 december 2025.

2.De kern van de zaak

2.1.
In de schadestaatprocedure tussen partijen heeft de rechtbank Midden-Nederland op 17 september 2025 uitspraak gedaan. [eisers] heeft hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis. [eisers] vordert in deze kort geding procedure schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis totdat in hoger beroep is beslist en opheffing van de beslagen die [gedaagde] heeft gelegd. De vorderingen van [eisers] worden afgewezen.

3.Achtergrond van het geschil

3.1.
NS Vastgoed heeft besloten om twee portefeuilles met percelen grond te verkopen. Voor de zogenoemde GreeNS portefeuille is NS Vastgoed een tenderprocedure gestart, waar 7 partijen aan hebben meegedaan waaronder [gedaagde] (gedaagde), [bedrijf 1] (een dochtervennootschap van [gedaagde] ) en [eiser sub 4] (eiser sub 4).
3.2.
Uiteindelijk is de GreeNS portefeuille aan [eiser sub 4] gegund. [eiser sub 4] heeft de GreenNS portefeuille geleverd aan [eiser sub 6] (eiser sub 6).
3.3.
[bedrijf 1] en [gedaagde] hebben bezwaar gemaakt tegen de gunning van de GreenNS portefeuille aan [eiser sub 4] , omdat er sprake zou zijn van onrechtmatige samenspanning bij de verwerving van deze portefeuille. De heer [A] (hierna: [A] ) zou bij de verwerving een dubbelrol hebben vervuld (voor zowel [gedaagde] als voor [eisers] ), waardoor [gedaagde] de GreenNS portefeuille zou zijn misgelopen.
3.4.
[bedrijf 1] heeft een bodemprocedure aanhangig gemaakt tegen [eisers] , mede namens [gedaagde] , waarin zij heeft gevorderd om [eisers] hoofdelijk te veroordelen
tot vergoeding van haar schade in verband met het mislopen van de tender en schending van een geheimhoudings- en concurrentiebeding dat in de onderhoudsovereenkomsten met NS was overeengekomen. De vorderingen zijn eerst door de rechtbank Midden-Nederland afgewezen. Het Hof Arnhem-Leeuwarden heeft op 28 februari 2023 geoordeeld dat [eisers] aansprakelijk is tegenover [gedaagde] en heeft [eisers] veroordeeld tot betaling van schade aan [gedaagde] , op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet. [1]
3.5.
In de schadestaatprocedure heeft de rechtbank Midden-Nederland geoordeeld dat [eisers] € 9.131.510,44 aan schadevergoeding moet betalen aan [gedaagde] en daarnaast diverse bijkomende kosten. [2]

4.De beoordeling

4.1.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter moet daarom eerst beoordelen of [eisers] ten tijde van dit vonnis bij die voorziening een spoedeisend belang heeft. Daarnaast geldt dat de voorzieningenrechter in dit kort geding moet beoordelen of de vorderingen in de bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. Als uitgangspunt geldt bovendien dat in deze procedure geen plaats is voor bewijslevering.
[eisers] heeft een spoedeisend belang
4.2.
[eisers] heeft een spoedeisend belang bij de vorderingen omdat [gedaagde] is gestart met het treffen van executoriale maatregelen en er onder andere beslag is gelegd op de woning van [eisers] [gedaagde] heeft het spoedeisend belang ook niet betwist.
in conventie
4.3.
[eisers] vordert schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis van
17 september 2025. Dat vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De rechtbank heeft dat oordeel ook gemotiveerd, omdat [eisers] verweer had gevoerd tegen het uitvoerbaar bij voorraad verklaren van het vonnis.
4.4.
Uitgangspunt is dat een uitgesproken veroordeling, hangende een hogere voorziening, uitvoerbaar moet zijn en zonder de voorwaarde van zekerheidstelling ten uitvoer kan worden gelegd. [3] Afwijking van dit uitgangspunt kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist, of diens belang bij zekerheidstelling, ook gegeven dit uitgangspunt, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling in de ten uitvoer te leggen uitspraak heeft verkregen, bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan of bij deze uitvoerbaarheid zonder dat daaraan de voorwaarde van zekerheidstelling wordt verbonden.
4.5.
Bij de toepassing van deze maatstaf in kort geding moet worden uitgegaan van de beslissingen in de ten uitvoer te leggen uitspraak en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen. De kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende of nog aan te wenden rechtsmiddel blijft buiten beschouwing, met dien verstande dat de voorzieningenrechter in zijn oordeelsvorming kan betrekken of de ten uitvoer te leggen beslissing(en) berust(en) op een kennelijke misslag.
4.6.
Indien de beslissing over de uitvoerbaarheid bij voorraad in de ten uitvoer te leggen uitspraak is gemotiveerd, moet de eiser, afgezien van het geval dat deze beslissing berust op een kennelijke misslag, aan zijn vordering feiten en omstandigheden ten grondslag leggen die bij het nemen van deze beslissing niet in aanmerking konden worden genomen doordat zij zich eerst na de betrokken uitspraak hebben voorgedaan en die kunnen rechtvaardigen dat van die eerdere beslissing wordt afgeweken.
4.7.
[eisers] stelt dat het vonnis van de rechtbank vier kennelijke misslagen bevat, namelijk:
1. dat tijdens de procedure bij de rechtbank in strijd met de wet een partijwisseling heeft plaatsgevonden [4] ;
2. dat de rechtbank in strijd met overweging 2.52 van het eindarrest van het Hof Arnhem-Leeuwarden heeft gehandeld door:
a. niet de aansprakelijkheidsvraag opnieuw te beoordelen [5] , en
b. de strafvonnissen niet te betrekken bij de bepaling van de omvang van de kansschade (dat wil zeggen de schatting van het Hof dat de verloren kans van [gedaagde] om de portefeuille gegund te krijgen 45% was) [6] ;
3. dat [eisers] niet heeft kunnen reageren op een tweede partijdeskundige bericht van de zijde van [gedaagde] [7] ;
4. dat het BTW percentage van 21% ten onrechte is meegenomen in het schadebedrag, zodat het schadebedrag met 21% verminderd moet worden. En dat [eisers] al vennootschapsbelasting heeft betaald zodat ook dat bedrag van het schadebedrag afgetrokken moet worden. [8]
1. De partijwisseling is geen kennelijke misslag
4.8.
De schadestaatprocedure is ingesteld door [bedrijf 1] . [bedrijf 1] heeft lopende de procedure in een akte laten weten dat zij de procedure heeft ingesteld als gemachtigde van [gedaagde] en laten weten dat [gedaagde] de procedure in het vervolg zelf wilde voeren. [eisers] stelt dat de rolrechter deze partijwissel in strijd met de wet heeft toegestaan. Volgens [eisers] had de weg gevolgd moeten worden van artikel 225 tot 227 Wetboek van Rechtsvordering (hierna: Rv), zodat de procedure geschorst had moeten worden. Volgens [eisers] is [bedrijf 1] formeel steeds de procespartij gebleven en zijn de vorderingen toegewezen aan een partij die geen procespartij was, waardoor er sprake is van een kennelijke misslag. De voorzieningenrechter begrijpt dit standpunt van [eisers] niet. Het is niet duidelijk waarom de partijwissel tot een schorsing zou moeten leiden of, sterker, waarom sprake van een misslag zou zijn. Bovendien verandert dit alles niets aan het feit dat [gedaagde] schade heeft geleden als gevolg van onrechtmatig handelen van [eisers] en dat het in de kern niet veel uitmaakt wie deze schade van [gedaagde] op [eisers] verhaalt. Het Hof heeft [eisers] veroordeeld de schade die [gedaagde] heeft geleden te vergoeden.
2.a. Geen kennelijke misslag dat de rechtbank de aansprakelijkheidsvraag niet opnieuw heeft behandeld
4.9.
In het arrest van 28 februari 2023 heeft het Hof Arnhem-Leeuwarden geoordeeld dat [eisers] aansprakelijk is en dat het onrechtmatig handelen van [eisers] heeft geleid tot een verloren kans, zodat er sprake is van kansschade. In overweging 2.49 van het arrest staat het volgende:
“Gelet op al het voorgaande komt het hof tot de slotsom dat de aard en omvang van
het aandeel van [A] in de tenderprocedure zodanig is geweest, dat [eiser sub 4] zonder het onrechtmatig handelen van [eisers] niet aan de tenderprocedure had meegedaan. Het is voldoende aannemelijk dat NS in dat geval met [bedrijf 2] en [gedaagde] zou hebben dooronderhandeld. Het hof heeft bij gebrek aan nadere concrete informatie over het hypothetisch verloop van de biedingen en gesprekken tot uitgangspunt genomen dat beide deelnemers dan een gelijke kans op gunning zouden hebben gehad, geschat op 45%”.
Kort gezegd oordeelt het Hof dat als [eisers] niet onrechtmatig had gehandeld, [gedaagde] 45% kans had gehad op gunning van de GreeNS portefeuille.
4.10.
[eisers] stelt dat uit rechtsoverweging 2.52 van het arrest van het Hof van 28 februari 2023 volgt dat de aansprakelijkheid opnieuw ter discussie gesteld kan worden omdat [eisers] is vrijgesproken in de strafzaken. In overweging 2.52 van het arrest staat:
“Het hof begrijpt uit de stellingen van partijen dat de strafprocedure op dit moment
nog niet is afgerond. In deze omstandigheid is een bijkomende aanleiding gelegen om voor een definitieve begroting van de ontnomen kans te verwijzen naar de schadestaatprocedure, mede met het oog op de mogelijkheid voor partijen om eventueel nadere stukken uit de strafprocedure bij de schadebegroting te kunnen betrekken.”
In deze overweging is niet te lezen dat het Hof vindt dat de aansprakelijkheid van [eisers] opnieuw ter discussie kan worden gesteld. Het Hof heeft het alleen maar over begroting van de ontnomen kans en over schadebegroting. Het Hof heeft de aansprakelijkheid vastgesteld en het vonnis heeft gezag van gewijsde. De vrijspraak in de strafzaken verandert daar niets aan.
4.11.
Ten overvloede merkt de voorzieningenrechter op dat het niet juist is wat [eisers] heeft gesteld over de vrijspraak, namelijk dat de vrijspraak in de strafzaken tot de conclusie zou moeten leiden dat [eisers] niet onrechtmatig heeft gehandeld en dat de civiele rechter aan dat oordeel gebonden is. Artikel 161 Rv bepaalt dat als de strafrechter bewezen heeft verklaard dat iemand een feit heeft begaan, dat dwingend bewijs oplevert in een civiele procedure. Vrijspraak voor een feit levert geen bewijs op dat iemand dat feit
nietheeft begaan. Daarbij komt dat [eisers] op geen enkele manier heeft uitgelegd hoe de overwegingen van de rechtbank om tot vrijspraak te komen, bijvoorbeeld de overwegingen over de vraag of [A] wel of niet kwalificeert als lasthebber in de zin van artikel 328ter Wetboek van Strafrecht, meebrengen dat het oordeel van het Hof over het onrechtmatige handelen van [eisers] niet klopt.
2.b. Geen kennelijke misslag door de strafvonnissen niet te betrekken bij de omvang van de kansschade
4.12.
Dan stelt [eisers] dat het een kennelijke misslag is dat de rechtbank de strafvonnissen niet heeft betrokken bij de
omvangvan de door [gedaagde] gemiste kans. Volgens [eisers] is het door het Hof genoemde percentage van 45% te beschouwen als een maximum, dat in de schadestaatprocedure naar beneden zou kunnen worden bijgesteld. De rechtbank ziet dat anders en overweegt (onder 5.17 van het vonnis van 17 september 2025) als volgt:
De strekking van deze overweging is dat het hof de zaak zelf had willen afdoen als de schadehoogte voldoende bepaalbaar zou zijn geweest. Die schadehoogte was echter onvoldoende bepaalbaar, omdat de schadeposten en de begroting daarvan gelet op het partijdebat nog niet konden worden vastgesteld en de stukken uit de strafprocedure mogelijk van belang konden zijn voor de begroting en vaststelling van de schade. Uit deze overweging valt niet op te maken dat in de schadestaatprocedure nog een beslissing moet worden genomen over het kanspercentage. Dat staat er eenvoudigweg niet. In de overweging wordt in het geheel niet gesproken over het kanspercentage.
Het zou kunnen dat de rechtbank, gelet op de laatste zinnen van overweging 2.52 van het arrest van het Hof (hierboven onder 4.10), niet goed interpreteert wat het Hof bedoelt. Het Hof lijkt daar wel ruimte te laten om het percentage van 45% aan te passen. Het Hof spreekt immers over
definitieve begroting van de ontnomen kans. Met ‘begroting van de ontnomen kans’ lijkt te worden gedoeld op het bepalen van het percentage. Maar in dezelfde overweging heeft het Hof het dan ook weer over het eventueel betrekken van stukken uit het strafdossier bij de
schadebegroting.
4.13.
De voorzieningenrechter vindt de vraag wat het Hof precies bedoeld heeft voor dit kort geding evenwel niet relevant. Ook als de rechtbank deze overweging van het Hof onjuist geïnterpreteerd zou hebben, kan van een misslag geen sprake zijn. [eisers] heeft namelijk niets gesteld over enig verband tussen de vrijspraak en de grootte van de kans dat [gedaagde] de portefeuille gegund zou krijgen. Bij het begroten van de gemiste kans is dat immers de discussie: wat zou er zijn gebeurd als [eisers] niet had meegedaan met de tenderprocedure en [gedaagde] wel. Het ligt op de weg van [eisers] om uit te leggen hoe de vrijspraak maakt dat de kans dat de portefeuille aan [gedaagde] gegund zou zijn lager moet worden ingeschat dan de 45% van het Hof. [eisers] stelt daarover niets. Dat er sprake zou zijn van een misslag door de strafvonnissen niet te betrekken bij de omvang van de kansschade ziet de voorzieningenrechter dan ook niet.
3. Het niet kunnen reageren op een tweede partij deskundige bericht is geen kennelijke misslag
4.14.
[eisers] stelt zich op het standpunt dat het een kennelijke misslag is dat de rechtbank het verweer heeft verworpen dat zij niet op het tweede deskundigenbericht van [gedaagde] heeft kunnen reageren. Volgens [eisers] is dat in strijd met het beginsel van hoor en wederhoor en heeft de rechtbank haar oordeel niet nader gemotiveerd. Ook stelt [eisers] dat als twee deskundigen die ingeschakeld zijn door partijen zelf het niet met elkaar eens zijn, het dan op de weg van de rechtbank ligt om een onafhankelijke (derde) deskundige te benoemen. Die standpunten zijn niet juist. Volgens vaste rechtspraak is de feitenrechter vrij in het al of niet bevelen van een deskundigenbericht. [9] Ook de waardering van een deskundigenbericht is aan de feitenrechter overgelaten: bij het al of niet volgen van de deskundige heeft de rechter slechts een beperkte motiveringsplicht. [10]
4.15.
Bovendien heeft [gedaagde] gemotiveerd betwist dat [eisers] niet de mogelijkheid heeft gehad om op het rapport te reageren. De deskundigen van [eisers] en [gedaagde] zijn uitgenodigd om aanwezig te zijn tijdens de zitting en zij hebben het woord gevoerd en vragen beantwoord. Ook wijst [gedaagde] er op dat het tweede ‘deskundigenrapport’ alleen een reactie en eenvoudige aanpassing is van het eerst ingediende deskundigenbericht waarbij de aanpassing is gedaan naar aanleiding van het deskundigenrapport van [deskundige] , de deskundige van [eisers] heeft dat niet betwist. De rechtbank stelt daarom vast dat [eisers] wel de gelegenheid heeft gehad om te reageren op het rapport, maar daar geen gebruik van heeft gemaakt. Er is geen sprake van een kennelijke misslag.
4. Geen kennelijke misslag wat betreft de BTW en Vennootschapsbelasting
4.16.
[eisers] stelt – kort gezegd – dat ten onrechte BTW is inbegrepen in de schadevergoeding die is toegekend aan [gedaagde] . Daarnaast stelt [eisers] dat zij de vennootschapsbelasting niet meer kan verrekenen of terugvorderen, waardoor [gedaagde] die ook niet hoeft te betalen omdat anders de belastingdienst ongerechtvaardigd verrijkt zou worden. De toegewezen hoofdsom aan schade zou daarom volgens [eisers] verminderd moeten worden met 21% (BTW percentage) en met het percentage van de vennootschapsbelasting (19% tot € 200.000 en 25,8% bij meer dan € 200.000). [gedaagde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer komt er op neer dat het Hof Arnhem-Leeuwarden rekening heeft gehouden met de BTW door bij het vaststellen van de fictieve bieding van [gedaagde] het bedrag te verminderen met het BTW percentage. Daarnaast wijst [gedaagde] er op dat de negatieve koopsom exclusief BTW was, dat NS Vastgoed bij de levering van de gronden het bedrag vermeerderd met BTW heeft betaald en dat de verkoop van de grond door [eiser sub 6] aan ProRail eveneens zonder BTW was. Dat [eisers] vennootschapsbelasting heeft betaald, die zij niet meer kan verrekenen of terugvorderen is geen omstandigheid die van invloed is op de schade zoals [gedaagde] die heeft geleden. Dat is volgens [gedaagde] een omstandigheid aan de zijde van [eisers] , die het gevolg is van zijn onrechtmatig handelen en die ook voor zijn rekening dient te blijven. De rechtbank volgt dit verweer van [gedaagde] en is van oordeel dat er ook wat dit punt betreft geen sprake is van een misslag in het vonnis van de rechtbank. Daarbij komt nog dat als van een misslag sprake zou zijn, die slechts betrekking heeft op een relatief klein deel van een toegewezen bedrag van ruim € 9 miljoen in hoofdsom, zodat dit nooit zou kunnen leiden tot een verbod op het überhaupt executeren van het vonnis, zoals [eisers] wil.
Conclusie: geen kennelijke misslagen
4.17.
De conclusie is dat er geen sprake is van kennelijke misslagen, die tot schorsing van de executie van het vonnis van 17 september 2025 zouden moeten leiden.
Het belang van [eisers] bij schorsing van de tenuitvoerlegging weegt niet zwaarder dan het belang van [gedaagde] bij tenuitvoerlegging
4.18.
Ook als er geen sprake is van een kennelijke misslag, kan het onder bijzondere omstandigheden toch nog gerechtvaardigd zijn dat de tenuitvoerlegging van een vonnis wordt geschorst, als het belang van de schuldenaar zwaarder weegt dan het belang van degene die wil executeren (zie hiervoor onder 4.4 en 4.5). Van zulke omstandigheden is hier echter geen sprake. De belangen van [gedaagde] aan de ene kant zijn evident. [gedaagde] wacht al jaren op vergoeding van schade. Daarnaast is er sprake van achterstallig onderhoud aan het onroerend goed van [eisers] waar [gedaagde] beslag op heeft gelegd, waardoor de beslagen objecten in waarde dalen. Ook de belangen van [eisers] zijn evident, namelijk dat de beslagen en de executie van het vonnis zijn bedrijfsvoering schaden. Maar dat is geen bijzondere omstandigheid. Als je onrechtmatig handelt en grote schade aanricht aan een andere partij, en je wordt veroordeeld om die schade te vergoeden, en de uitspraak wordt geëxecuteerd, dan kan het zijn dat je bedrijfsvoering daar ernstig onder leidt of dat de executie leidt tot een faillissement.
4.19.
[eisers] heeft aangevoerd dat sprake is van een restitutierisico, omdat [gedaagde] een lege huls zou zijn. [gedaagde] heeft zich ter zitting bereid verklaard om onherroepelijk toe te zeggen het geld dat door de gelegde en nog te leggen beslagen bijeen wordt gebracht grotendeels binnen [gedaagde] te houden terwijl het hoger beroep loopt. Dat neemt een groot deel van het restitutierisico weg. De voorzieningenrechter bepaalt daarom, op uitnodiging van [gedaagde] , dat [gedaagde] , zolang het hoger beroep loopt, minimaal 80% van alle uitgewonnen bedragen binnen de BV ( [gedaagde] ) zal houden. Het belang van [eisers] om geen restitutierisico te lopen is daarmee grotendeels veiliggesteld. De voorzieningenrechter ziet daarom geen reden meer om in te grijpen in de uitvoerbaarheid van het vonnis van 17 september 2025. Dat betekent dat de vordering van [eisers] tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis wordt afgewezen.
De gelegde beslagen hoeven niet opgeheven te worden
4.20.
Uit wat hiervoor is overwogen – dat [gedaagde] de executie niet hoeft te staken – volgt dat de vorderingen om bepaalde al gelegde beslagen op te heffen ook moeten worden afgewezen.
[eisers] moet de proceskosten betalen
4.21.
[eisers] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- griffierecht
714,00
- salaris advocaat
1.107,00
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.999,00
4.22.
De veroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.
in reconventie
4.23.
Ter zitting is de reconventionele vordering integraal ingetrokken, ook wat betreft de proceskosten. De voorzieningenrechter zal de reconventionele vordering daarom ook niet meer beoordelen.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
5.1.
wijst de vorderingen van [eisers] af,
5.2.
veroordeelt [eisers] hoofdelijk in de proceskosten van € 1.459,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [eisers] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. N.A.J. Purcell en in het openbaar uitgesproken op
19 december 2025.

Voetnoten

1.Hof Arnhem-Leeuwarden 28 februari 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:1702.
2.Rechtbank Midden-Nederland 17 september 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:6670.
3.HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026 (Strandhotel-arrest).
4.Dagvaarding punt 12-15.
5.Dagvaarding punt 17-19.
6.Dagvaarding punt 19.
7.Dagvaarding punt 20-22.
8.Dagvaarding punt 23-25.
9.Zie bijvoorbeeld HR 6 december 2002,
10.Zie bijvoorbeeld HR 5 december 2003,