ECLI:NL:RBMNE:2025:6994

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
24 december 2025
Publicatiedatum
24 december 2025
Zaaknummer
UTR 24/6689
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 lid 3 Wet WOZ
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen WOZ-waarde recreatiecentrum afgewezen wegens aannemelijke waardebepaling

De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde van een recreatie/sportcentrum per 1 januari 2023 vast op €3.026.000,-. Eiseres betwistte deze waarde en stelde een lagere waarde van €1.815.600,- voor. Na bezwaar en beroep heeft de rechtbank de zaak inhoudelijk behandeld.

De rechtbank constateerde dat de door eiseres ingebrachte beroepsgronden grotendeels onsamenhangend en onvoldoende onderbouwd waren, waardoor deze grotendeels buiten beschouwing werden gelaten. De heffingsambtenaar droeg een taxatierapport aan en gebruikte de taxatiewijzer Sport, waarbij het archetype 'tennishal' werd gehanteerd. De rechtbank achtte deze onderbouwing voldoende en volgde de heffingsambtenaar in de waardebepaling.

Daarnaast verzocht eiseres om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank oordeelde dat de bezwaar- en beroepsfase nog geen twee jaar duurden, zodat geen sprake was van termijnoverschrijding. Het beroep werd ongegrond verklaard, het griffierecht bleef voor rekening van eiseres en een vergoeding van proceskosten werd niet toegekend.

Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde is ongegrond verklaard en het verzoek om immateriële schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/6689

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 december 2025 in de zaak tussen

[eiseres] B.V., uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. D.A.N. Bartels MRE),
en

de heffingsambtenaar van de gemeente [plaats] , de heffingsambtenaar, verweerder

(gemachtigde: I.K. Beek ).

Inleiding

1.1
De heffingsambtenaar heeft in de beschikking van 31 januari 2024 op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak [adres] in [plaats] (het object) voor het belastingjaar 2024 op de waardepeildatum 1 januari 2023 vastgesteld op € 3.026.000,-. De heffingsambtenaar heeft bij deze beschikking aan eiseres als eigenaar van het object ook een aanslag onroerendezaakbelasting opgelegd, waarbij deze waarde als heffingsmaatstaf is gehanteerd
1.2
Eiseres heeft tegen deze beschikking bezwaar gemaakt. In de uitspraak op bezwaar van 17 september 2024 (de bestreden uitspraak) heeft de heffingsambtenaar het bezwaar ongegrond verklaard en is de WOZ-waarde van het object en de daarop gebaseerde aanslag gehandhaafd.
1.3
Eiseres heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eiseres heeft daarna nog een schriftelijke reactie gestuurd.
1.4
De rechtbank heeft het beroep behandeld op 1 december 2025 met een MS-Teams verbinding. Daaraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, de gemachtigde van de heffingsambtenaar en [taxateur] , taxateur.

Feiten

2. Het object is een recreatie/sportcentrum gebouwd in 1998. Het object heeft een totale oppervlakte van 16.868 m².
3. Eiseres is eigenaar van het object.

Geschil

4. In geschil is de waarde van het object per 1 januari 2023. Eiseres bepleit een waarde van maximaal € 1.815.600,-. De heffingsambtenaar handhaaft in beroep de vastgestelde waarde van € 3.026.000,-.

Beoordeling door de rechtbank

Procedeergedrag
5. Bij de beoordeling van dit beroep bewaakt de rechtbank de goede procesorde en neemt daarbij het volgende in aanmerking. Het door de gemachtigde van eiseres opgestelde beroepschrift, de ‘pinpointbrief’ en ook zijn andere brieven staan vol met algemene, weinig inhoudelijke, dikwijls onsamenhangende en inconsistente, fragmentarische en niet of nauwelijks onderbouwde op de onroerende zaken betrekking hebbende stellingen. In elke zaak van deze gemachtigde worden min of meer dezelfde brieven gestuurd. De rechtbank heeft de gemachtigde van eiseres er al eerder op gewezen dat zij daar niets mee kan. [1] Zij zal die stellingen dan ook verder buiten beschouwing laten. Het risico dat daarbij een stelling niet wordt behandeld die in een concreet voorliggende zaak mogelijk met enig succes zou kunnen worden verdedigd, is het rechtstreeks gevolg van de wijze van procederen door de gemachtigde van eiseres en komt derhalve voor rekening van eiseres namens wie hij optreedt. De goede procesorde verzet zit vervolgens tegen het betrekken van standpunten in beroep, als de rechtbank of de heffingsambtenaar zich daarop, door het late moment waarop ze zijn ingenomen (op zitting), onvoldoende heeft kunnen voorbereiden. Daarom laat de rechtbank de pas voor het eerst op de zitting aangevoerde beroepsgronden eveneens buiten beschouwing.
Beoordelingskader niet-woningen
6. Op de heffingsambtenaar rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat de waarde van het object op de waardepeildatum (1 januari 2023) niet te hoog is vastgesteld. Tussen partijen is niet in geschil dat de waarde van het object in dit geval moet worden bepaald op de gecorrigeerde vervangingswaarde als bedoeld in artikel 17, derde lid, van de Wet WOZ. De rechtbank volgt partijen daarin.
Beoordeling van het geschil
Maakt de heffingsambtenaar de waarde aannemelijk?
7.1
De heffingsambtenaar heeft voor de onderbouwing van de WOZ-waarde van het object verwezen naar het in de bezwaarfase overgelegde taxatieverslag en naar de toelichting in de bestreden uitspraak. De heffingsambtenaar heeft bij de waardering gebruik gemaakt van de taxatiewijzer Sport.
7.2
De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat hij de waarde van het object niet te hoog heeft vastgesteld.
Op de zitting heeft de heffingsambtenaar toegelicht dat - anders dan gemachtigde van eiseres stelt - sprake is van een recreatie/sportcentrum dat in 1998 specifiek voor dit doel is gebouwd. Van een hele oude fabriekshal is geen sprake. Bij de waardering heeft de heffingsambtenaar voor de afbouw en installaties geen levensduurverlenging toegepast en dus ook voldoende rekening gehouden met de economische veroudering. De taxateur heeft gebruik gemaakt van het archetype ‘tennishal’ uit de taxatiewijzer. Bij gebruikmaking van een ander archetype dan ‘tennishal’ - zoals gemachtigde van eiseres voorstaat - zou dat juist leiden tot een nog hogere waarde. Ook uit de taxatiewijzer blijkt dat het archetype ‘tennishal’ een goedkopere vorm van de archetype ‘sporthal’ is.
Het verzoek om immateriële schadevergoeding
8. Eiseres heeft tot slot verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Een vergoeding van immateriële schade wordt op verzoek toegekend als een procedure over een belastingaanslag onredelijk lang heeft geduurd. Daarbij geldt als uitgangspunt dat een periode van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase gezamenlijk als redelijk wordt beschouwd. De termijn hiervoor vangt aan op het moment waarop de heffingsambtenaar het bezwaarschrift ontvangt.
9. De heffingsambtenaar heeft het bezwaarschrift op 14 maart 2024 ontvangen. Tot aan deze uitspraak zijn geen twee jaren verstreken. De redelijke termijn is dus niet overschreden. Het verzoek om vergoeding van de immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt daarom afgewezen.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde van het object niet te hoog is vastgesteld. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
11. Het verzoek van eiseres om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.W.A. Schimmel, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.S.D. de Weerd, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
24 december 2025.
griffier
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.In haar uitspraak van 24 januari 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:221 is de rechtbank ingegaan op het procedeergedrag van de gemachtigde van eiseres.