ECLI:NL:RBMNE:2025:6991
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen WOZ-waarde van onroerende zaak ongegrond verklaard
In deze zaak heeft de rechtbank Midden-Nederland op 1 december 2025 uitspraak gedaan in een geschil over de WOZ-waarde van een onroerende zaak. De heffingsambtenaar had op 31 maart 2024 de waarde van de woning vastgesteld op € 664.000,- per waardepeildatum 1 januari 2023. Eiser, de eigenaar van de woning, maakte bezwaar tegen deze beschikking, maar het bezwaar werd op 14 oktober 2023 ongegrond verklaard. Hierop heeft eiser beroep ingesteld. Tijdens de zitting op 20 oktober 2025 zijn de gemachtigden van beide partijen en een taxateur aanwezig geweest.
De rechtbank heeft vastgesteld dat de gemachtigde van eiser in zijn beroepschriften en tijdens de zitting geen concrete gronden heeft aangevoerd die de beoordeling van het geschil konden beïnvloeden. De rechtbank heeft de stellingen van eiser buiten beschouwing gelaten, omdat deze onvoldoende onderbouwd waren. De heffingsambtenaar heeft een taxatiematrix overgelegd ter onderbouwing van de WOZ-waarde, waarin de woning werd vergeleken met vier referentiewoningen. De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde van de woning niet te hoog is vastgesteld.
Daarnaast heeft eiser verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens een onredelijk lange procedure. De rechtbank heeft dit verzoek afgewezen, omdat de redelijke termijn voor de behandeling van het bezwaar en beroep niet was overschreden. Uiteindelijk heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard, wat betekent dat eiser geen gelijk kreeg en geen proceskostenvergoeding ontving.