Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2025:6907

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
18 november 2025
Publicatiedatum
23 december 2025
Zaaknummer
C/16/602194
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Tussenbeschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenbeschikking machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige in belang van veiligheid en contactherstel

De gecertificeerde instelling (GI) verzoekt spoedig een machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, die bijna 18 jaar wordt, wegens zorgen over haar veiligheid thuis en het niet accepteren van haar seksuele geaardheid door het gezin. De ouders betwisten de onveiligheid en benadrukken hun medewerking aan hulpverlening en het belang van terugplaatsing.

De kinderrechter constateert grote tegenstrijdigheden tussen de verklaringen van de GI, de minderjarige en haar ouders. Gezien de ernst van de zorgen acht de rechter een machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk tot 5 december 2025, waarbij het resterende verzoek wordt aangehouden voor nadere informatie over schoolgang en hulpverlening.

De kinderrechter benadrukt het kantelpunt in het leven van de minderjarige en het belang van contactherstel met haar ouders, mits de situatie dit toelaat. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat deze direct geldt, ook bij hoger beroep. Een vervolgzitting is gepland om het verzoek nader te behandelen.

Uitkomst: Machtiging tot uithuisplaatsing verleend voor twee weken met aanhouding van het resterende verzoek voor nadere informatie en contactherstel.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Lelystad
Zaaknummer: C/16/602194 / JL RK 25-794
Datum uitspraak: 18 november 2025
Beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
SAMEN VEILIG MIDDEN-NEDERLAND,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),
over
[minderjarige],
geboren op [2008] in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige (voornaam)] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[belanghebbende 1],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. K.H.T. van Gijssel,
[belanghebbende 2],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. K.H.T. van Gijssel.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter heeft op 7 november 2025 kennisgenomen van het verzoek om met spoed een machtiging te verlenen om [minderjarige (voornaam)] uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder.
1.2.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 7 november 2025 een machtiging verleend om [minderjarige (voornaam)] met spoed uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 21 november 2025. De kinderrechter heeft de beslissing over het overige deel van het verzoek aangehouden.
1.3.
De mondelinge behandeling (zitting) met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 18 november 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de ouders bijgestaan door hun advocaat;
  • [A] namens de GI
  • een tolk.
1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige (voornaam)] naar haar mening gevraagd. [minderjarige (voornaam)] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige (voornaam)] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige (voornaam)] .
2.2.
[minderjarige (voornaam)] verblijft in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder.
2.3.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 23 oktober 2025 [minderjarige (voornaam)] onder toezicht gesteld totdat ze meerderjarig wordt op 25 januari 2026.

3.Het verzoek

De GI verzoekt een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige (voornaam)] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van vier weken en aansluitend een machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot [minderjarige (voornaam)] meerderjarig wordt, te weten tot 25 januari 2026. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De kinderrechter moet nog beslissen over het resterende deel van de verzoeken, te weten van 21 november 2025 tot 25 januari 2026.

4.De standpunten

4.1.
De GI heeft op de zitting de verzoeken gehandhaafd. [minderjarige (voornaam)] voelt zich niet veilig thuis en de GI vindt het geen haalbare situatie dat [minderjarige (voornaam)] thuis woont. Volgens de GI willen de ouders geen contact met [minderjarige (voornaam)] . De seksuele geaardheid van [minderjarige (voornaam)] wordt niet geaccepteerd binnen het gezin en hun geloofsovertuiging. De afspraken bij Sipi werden afgezegd, de hulpverlening komt niet meer binnen en de veiligheidsafspraken zijn niet nageleefd. Zo is de broer van [minderjarige (voornaam)] voor het aflopen van het tijdelijk huisverbod weer thuis komen wonen. [minderjarige (voornaam)] verblijft nu op een crisisgroep en inmiddels is er een intake gepland voor een plek waar ze langer kan blijven. De GI vindt het noodzakelijk dat [minderjarige (voornaam)] geplaatst wordt op een woonlocatie waar ze veilig toe kan werken naar zelfstandigheid.
4.2.
Namens en door de ouders is op de zitting naar voren gebracht dat zij betwisten dat er bij hen thuis sprake is van een onveilige situatie voor [minderjarige (voornaam)] . Er is een veiligheidsplan opgesteld en dat wordt nageleefd. Daarnaast zeggen de ouders dat zij meewerken aan de hulpverlening vanuit Sipi , maar dat [minderjarige (voornaam)] niet verschijnt op de afspraken. Alleen toen de betrokken medewerker van Sipi met vakantie was, heeft het stilgelegen. De ouders geven aan dat de geaardheid van [minderjarige (voornaam)] er niet toe doet en dat zij willen dat het goed gaat met [minderjarige (voornaam)] . Ook de broer zou het beste met [minderjarige (voornaam)] voor hebben. Zijn tijdelijk huisverbod is op 21 oktober 2025 afgelopen. Op de dag van zijn strafzitting, 30 oktober 2025, is [minderjarige (voornaam)] van huis vertrokken. De ouders maken zich zorgen om het schoolverzuim van [minderjarige (voornaam)] waarover ze brieven van school krijgen, terwijl [minderjarige (voornaam)] het verzuim ontkent. Zij hopen dat [minderjarige (voornaam)] contact met hen wil houden en dat de focus ligt op terugplaatsing in het gezin in plaats van op zelfstandig wonen.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter hoort partijen over het al toegewezen spoedverzoek om [minderjarige (voornaam)] te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder en laat de beschikking van de kinderrechter van 7 november 2025 in stand. De kinderrechter is op basis van de stukken en de zitting van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige (voornaam)] op dit moment noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. [1] De kinderrechter verleent daarom de machtiging tot uithuisplaatsing tot en met 5 december 2025. Het meer of anders gevraagde houdt de kinderrechter aan. Hierna legt de kinderrechter uit waarom zij deze beslissing neemt.
5.2.
De kinderrechter vindt het zorgelijk dat er grote verschillen en tegenstrijdigheden zijn in de verhalen van de GI, [minderjarige (voornaam)] en haar ouders. Als het waar is dat [minderjarige (voornaam)] onveilig is thuis, is de uithuisplaatsing noodzakelijk. Tegelijkertijd staat [minderjarige (voornaam)] op een kantelpunt in haar leven. Zij wordt bijna achttien jaar. De kinderrechter acht de kans aanwezig dat [minderjarige (voornaam)] geen contact meer heeft en zal hebben met haar ouders op het moment dat de machtiging tot uithuisplaatsing wordt verleend en er wordt toegewerkt naar een plek waar zij met begeleiding zelfstandig kan wonen. Als de situatie het toelaat is juist dit het moment om nog te werken aan contactherstel met haar ouders. Gezien de tegenstrijdige visies de kinderrechter meer informatie nodig voordat zij een definitieve beslissing kan nemen. De kinderrechter verzoekt de GI daarom om informatie te verstrekken over in ieder geval de schoolgang van [minderjarige (voornaam)] en het al dan niet door wie meewerken aan hulpverlening vanuit Sipi . In de tussentijd is het, gelet op de zorgen over [minderjarige (voornaam)] haar veiligheid, belangrijk dat zij blijft waar zij is en nog niet naar huis gaat. De kinderrechter verleent daarom een machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot en met 5 december 2025. Het overige deel van de verzoeken houdt de kinderrechter aan.
5.3.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige (voornaam)] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 21 november 2025 tot en met 5 december 2025;
6.2.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.3.
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan en roept de GI, de vader en de moeder op te verschijnen tijdens de zitting van mr. M.M. Janssen-Witteveen van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, in het gerechtsgebouw aan
Stationsplein 15 te Lelystad, op
5 december 2025 te 10:30 uur, om nader op het verzoek te worden gehoord;
6.4.
verzoekt de GI om
vóór 5 december 2025schriftelijk te laten weten:
  • hoe de schoolgang van [minderjarige (voornaam)] verloopt;
  • of de ouders en [minderjarige (voornaam)] meewerken aan de hulpverlening vanuit Sipi en zo ja, hoe dat loopt;
  • wat verder van belang is voor een beslissing op het verzoek.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 18 november 2025 door mr. M.M. Janssen - Witteveen, kinderrechter, in aanwezigheid van J. Mather als griffier, en op schrift gesteld op 4 december 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:265b lid 1 BW.