ECLI:NL:RBMNE:2025:6874

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
5 december 2025
Publicatiedatum
22 december 2025
Zaaknummer
UTR 25/4035
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Proces-verbaal
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbParticipatiewetRegeling Opvang Ontheemden Oekraïne
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang bij aanvraag bijzondere bijstand

Eiseres, afkomstig uit Oekraïne, diende op 9 januari 2025 een aanvraag in bij de Regionale Dienst Werk en Inkomen (RSD) voor bijzondere bijstand ter vergoeding van rechtskosten. De RSD wees deze aanvraag op 8 maart 2025 af, omdat eiseres niet onder de reikwijdte van de Participatiewet viel. Eiseres maakte bezwaar, maar de RSD handhaafde het besluit op 22 mei 2025.

Eiseres stelde in beroep dat de RSD ten onrechte het verkeerde wettelijke kader had toegepast en dat haar aanvraag betrekking had op de Regeling Opvang Ontheemden Oekraïne (ROOO). Zij vorderde tevens een proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase. De rechtbank oordeelde dat het primaire besluit niet was herroepen en dat het enkele niet vergoeden van bezwaarkosten geen zelfstandig procesbelang oplevert.

De rechtbank concludeerde dat geen procesbelang aanwezig was en verklaarde het beroep niet-ontvankelijk. Tevens werd het verzoek om vrijstelling van griffierecht toegewezen, waardoor eiseres geen griffierecht hoefde te betalen. Partijen werden gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep binnen zes weken na verzending van het proces-verbaal.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang en er wordt geen proceskostenvergoeding toegekend.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/4035

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: F. Bleijs),
en
het dagelijks bestuur van Regionale Dienst Werk en Inkomen Kromme Rijn Heuvelrug, de RSD,
(gemachtigde: mr. S. Verkuijl).

Procesverloop

1. Bij besluit van 8 maart 2025 heeft de RSD de aanvraag van eiseres voor bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet (Pw) afgewezen.
2. Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
3. Bij besluit van 22 mei 2025 is de RSD bij de afwijzing gebleven.
4. De rechtbank heeft het beroep op 5 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de RSD.
5. Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Overwegingen

6. Eiseres heeft verzocht om vrijstelling van het betalen van griffierecht. De rechtbank wijst dit verzoek toe. Eiseres hoeft daarom geen griffierecht te betalen.
7. Eiseres is afkomstig uit de Oekraïne en heeft op 9 januari 2025 bij de RSD een aanvraag bijzondere bijstand voor ‘rechtskosten’ ingediend. Hierbij heeft eiseres een factuur overgelegd van haar gemachtigde van € 1.248,-.
8. De RSD heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat de aanvraag voor bijzondere bijstand met juistheid is afgewezen op grond van de Pw omdat eiseres niet onder de reikwijdte van de Pw valt. Omdat in bezwaar is gebleken dat eiseres een aanvraag heeft willen doen voor vergoeding van bijzondere kosten op grond van de Regeling Opvang Ontheemden Oekraïne (ROOO) is dit verzoek doorgezonden naar de desbetreffende afdeling van de gemeente Zeist.
9. Eiseres voert in beroep aan dat in het bestreden besluit is getoetst aan de verkeerde regelgeving en dat de RSD daarmee ten onrechte tot een afwijzing is gekomen. Volgens eiseres was het duidelijk dat de aanvraag van eiseres betrekking had op de ROOO. De RSD had daarom het bezwaar gegrond moeten verklaren en een proceskostenvergoeding moeten toekennen.
10. In geschil is of eiseres recht heeft op een proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase.
11. Uitgangspunt is dat het enkele niet vergoeden van bezwaarkosten niet langer een zelfstandig procesbelang oplevert. Er is aanleiding hierop wel de volgende uitzondering te maken. Mede in verband met het ontbreken van een bepaling als artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht, moet nog steeds procesbelang aanwezig worden geacht als het betrokken bestuursorgaan zijn besluit in bezwaar heeft herroepen zonder daarbij een vergoeding van bezwaarkosten toe te kennen terwijl daar wel om was gevraagd, of als de hoogte van een toegekende vergoeding van bezwaarkosten in geschil is [1] .
12. De rechtbank is van oordeel dat van de uitzonderingssituatie geen sprake is aangezien het primaire besluit niet is herroepen. Dit betekent dat in deze zaak geen procesbelang aanwezig is.

Conclusie

13. Het beroep is niet-ontvankelijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.
14. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 5 december 2025 door mr. G.P. Loman, rechter, in aanwezigheid van mr. M. van Ettikhoven, griffier.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 2 april 2024 (ECLI:NL:CRVB:2024:635 en ECLI:NL:CRVB:2024:636).