ECLI:NL:RBMNE:2025:6852

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
19 december 2025
Publicatiedatum
22 december 2025
Zaaknummer
602932 HA RK 25 205
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wrakingsverzoek ongegrond in civiele procedure betreffende omgangsregeling

In deze wrakingszaak heeft verzoeker op 26 november 2025 mr. L.A. Witten gewraakt, de behandelend rechter in de hoofdzaak. Verzoeker stelde dat de rechter tijdens de zitting had aangegeven dat zij neigde naar afwijzing van het verzoek om een omgangsregeling, zonder verzoeker de kans te geven om gehoord te worden. De rechter heeft op 28 november 2025 schriftelijk gereageerd op het wrakingsverzoek. De wrakingskamer heeft het verzoek op 9 december 2025 met gesloten deuren behandeld. Tijdens de zitting heeft de rechter toegelicht dat zij de zitting door liet gaan omdat verzoeker geen klemmende reden voor uitstel had opgegeven. De wrakingskamer oordeelde dat de afwijzing van het uitstelverzoek een procesbeslissing is en geen reden voor wraking kan zijn. De rechter heeft geen eindoordeel gegeven en haar opmerkingen waren bedoeld als een vorm van verwachtingsmanagement. De wrakingskamer concludeert dat er geen objectieve redenen zijn voor de vrees van verzoeker voor vooringenomenheid van de rechter. Het wrakingsverzoek is ongegrond verklaard.

Uitspraak

Beslissing
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
WRAKINGSKAMER
Locatie: Utrecht
Zaaknummer: 602932 HA RK 25 205
Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken van 19 december 2025
op het verzoek in de zin van artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) van:
[verzoeker] ,
wonende in [woonplaats] ,
(hierna: verzoeker),
bijgestaan door mr. D. Eijpe, advocaat in Utrecht.

1.De procedure

1.1.
Verzoeker heeft op 26 november 2025 mr. L.A. Witten gewraakt. Mr. L.A. Witten (hierna: de rechter) is de behandelend rechter in de zaak met het zaaknummer C/16/600586/ FO RK 25-1247 (hierna: de hoofdzaak).
1.2.
De rechter heeft op 28 november 2025 een schriftelijke reactie ingediend.
1.3.
Het wrakingsverzoek is op 9 december 2025 met gesloten deuren behandeld door de wrakingskamer.
Bij de zitting waren aanwezig:
  • mr. D. Eijpe;
  • de rechter.
1.4.
Daarnaast waren als toehoorder aanwezig: [A] , mr. D. Simo, [B] en mr. G. van de Beek.
1.5.
De uitspraak is bepaald op vandaag.

2.Het wrakingsverzoek

2.1.
In de hoofdzaak heeft op 26 november 2025 een zitting plaatsgevonden. Tijdens die zitting heeft verzoeker de rechter gewraakt. Verzoeker heeft aan zijn wrakingsverzoek ten grondslag gelegd dat de rechter kenbaar heeft gemaakt dat zij wat betreft de afdoening van de zaak een bepaalde kant op neigt, zonder verzoeker daarbij in de gelegenheid te stellen te worden gehoord.
2.2.
De rechter heeft niet berust in de wraking. Dit betekent dat zij het niet eens is met de wraking. In haar schriftelijke reactie heeft de rechter dit uitgelegd. Op de dag van de zitting heeft verzoeker ’s ochtends een verzoek tot uitstel van de zitting gedaan omdat verzoeker verhinderd was. Verzoeker heeft niet vermeld waarom hij verhinderd was. De rechter heeft besloten om de zitting door te laten gaan. Op de zitting heeft de rechter toegelicht dat zij bij een verzoek om uitstel van de zitting moet beoordelen of sprake is van een klemmende reden daarvoor. Alleen de mededeling dat verzoeker verhinderd is, levert geen klemmende reden op voor uitstel.
2.3.
Daarna is de hoofdzaak inhoudelijk besproken. In de hoofdzaak gaat het onder andere om een omgangsregeling tussen verzoeker en zijn kinderen. Uit het proces-verbaal van die zitting blijkt – voor zover van belang – het volgende. Na advies van de Raad voor de kinderbescherming (hierna: de Raad) en de reactie van partijen, heeft de rechter gezegd dat zij zich kan vinden in het advies van de Raad. Zij heeft aangegeven dat zij moet nadenken of zij het verzoek om een omgangsregeling zal afwijzen of het zal aanhouden, maar dat zij neigt naar afwijzen. De advocaat van verzoeker wilde weten waarom zij daartoe neigt. Daarop heeft de rechter aangegeven dat zij daarover wil nadenken in de raadkamer, maar dat de advocaat van verzoeker daar wel op kan reageren. Op de zitting van de wrakingskamer heeft de rechter nog gezegd dat zij over het algemeen aangeeft hoe zij voorlopig over een zaak denkt als een soort “verwachtingsmanagement”.

3.De beoordeling

Het toetsingskader
3.1.
In artikel 36 Rv staat dat elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van een partij kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
3.2.
De wrakingskamer onderzoekt dus in een wrakingsprocedure of de onpartijdigheid van de rechter schade lijdt. Een rechter wordt geacht onpartijdig te zijn tot het tegendeel vaststaat. Een rechter is partijdig als uit dat wat zij doet of zegt (of juist niet) blijkt dat zij een persoonlijke vooringenomenheid heeft tegenover een procespartij. Daarnaast kan een procespartij het idee hebben dat de rechter vooringenomen is, of zij kan daar bang voor zijn. In dat geval onderzoekt de wrakingskamer of dat objectief gerechtvaardigd is. Als dat zo is, lijdt de rechterlijke onpartijdigheid schade.
Procesbeslissing
3.3.
De beslissing van de rechter om de zitting door te laten gaan is een procesbeslissing. Uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat een procesbeslissing als zodanig nooit een reden kan vormen voor wraking, omdat wraking geen verkapt rechtsmiddel is. De wrakingskamer mag ook geen oordeel geven over de juistheid van de procesbeslissing van de rechter. Dat kan alleen worden gedaan door de rechter in hoger beroep.
3.4.
Dit geldt in het algemeen ook voor de motivering van die procesbeslissing als reden voor wraking, ook als die motivering wordt gezien als onjuist, onbegrijpelijk, gebrekkig of te summier. Dit kan alleen anders zijn als de motivering in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten (bijvoorbeeld door de bewoordingen in de motivering) niet anders kan worden begrepen dan als een uiting van vooringenomenheid van de rechter die de motivering heeft gegeven. [1]
3.5.
Daarvan is in dit geval geen sprake. De rechter heeft het uitstelverzoek afgewezen en aan het begin van de zitting toegelicht dat het verzoek is afgewezen omdat er geen reden is gegeven waarom verzoeker verhinderd was. Daarom kon de rechter niet beoordelen of er klemmende redenen waren om de zitting uit te stellen. Uit deze motivering blijkt geen vooringenomenheid.
Uiting van de rechter op zitting
3.6.
Verder heeft verzoeker gesteld dat de rechter de schijn van vooringenomenheid heeft gewekt door aan te geven dat zij een bepaalde kant op neigt, zonder dat verzoeker is gehoord.
3.7.
Uit pagina 11 van het proces-verbaal van de zitting blijkt dat de rechter op de zitting heeft gezegd: “Ik ga nadenken over de constructie: afwijzen of aanhouden met een mogelijk onderzoek. Ik ga nadenken of ik dat wil. Maar ik neig ernaar om het af te wijzen en te zeggen dat hij moet laten zien dat de situatie anders is.”
3.8.
Verder staat op pagina 12 van het proces-verbaal dat de rechter heeft gezegd: “Ik neig ernaar. Ik ga erover nadenken, maar ik kan volgen wat de Raad zegt. Ik heb niet gezien van de vader dat hij een andere situatie heeft, dan waarin hij de omgang heeft gestopt. Ik ga nadenken of ik het ga afwijzen of dat ik het ga aanhouden zodat meneer kan laten zien dat het anders zit. Ik heb van u gehoord dat meneer ziek is en dat hij zijn leven heeft gebeterd. Vanuit de kant van mevrouw heb ik zorgen gehoord, hij is niet en er is geen blijk van verbetering. Beslispunt voor mij en daar moet ik over nadenken, wat ik daarmee ga doen. Maar ik vind dat meneer zijn leven gebeterd moet hebben voordat de begeleide omgang kan starten, dat staat als een paal boven water. Afwijzen of aanhouden, dat moet ik nog beslissen.”
3.9.
Uit het proces-verbaal van de zitting blijkt dat de rechter daarna nog verschillende keren heeft gezegd dat zij nog wilde nadenken over de vraag of ze het verzoek zou afwijzen of de zaak zou aanhouden.
3.10.
De wrakingskamer stelt voorop dat een rechter veel vrijheid heeft om te bepalen hoe hij of zij een zitting behandelt en op welke manier een zaak wordt besproken. De rechter heeft tijdens de zitting in de hoofdzaak gezegd dat zij nog wilde nadenken of zij het verzoek van verzoeker om een omgangsregeling zou afwijzen, of de zaak zou aanhouden zodat de Raad een onderzoek kon uitvoeren. Met de opmerkingen die de rechter heeft gemaakt, is geen eindoordeel gegeven. Uit het proces-verbaal van de zitting en de reactie van de rechter op het wrakingsverzoek blijkt dat de rechter de partijen op zitting heeft willen meenemen in haar gedachtegang en dat staat haar vrij. Hieruit blijkt geen vooringenomenheid of partijdigheid van de rechter. De wrakingskamer ziet ook geen aanleiding om te oordelen dat de vrees van verzoeker voor vooringenomenheid van de rechter, objectief gerechtvaardigd is. De omstandigheid dat mr. Eijpe de gang van zaken tijdens de zitting anders niet kan uitleggen aan verzoeker, is daarvoor onvoldoende.
3.11.
Anders dan verzoeker lijkt te denken, volgt uit het proces-verbaal van de zitting overigens niet dat de rechter de behandeling van de zaak zou willen aanhouden om verzoeker alsnog op zitting te horen. Op het verzoek om uitstel van de mondelinge behandeling had de rechter namelijk al beslist.
3.12.
De conclusie is dat het wrakingsverzoek ongegrond is.

4.De beslissing

De wrakingskamer:
4.1.
verklaart het verzoek tot wraking ongegrond;
4.2.
draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing toe te sturen aan verzoeker, de rechter waartegen het wrakingsverzoek is gericht, andere betrokken partijen, de teamvoorzitter van het team waarin de rechter werkt en de president van deze rechtbank;
4.3.
bepaalt dat de procedure van verzoeker zaaknummer C/16/600586 / FO RK 25-1247 moet worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment van de schorsing vanwege het wrakingsverzoek.
Deze beslissing is genomen door mr. J.G. Nicholson, voorzitter, en mr. I.L. Rijnbout en mr. C.P. Lunter als leden van de wrakingskamer, bijgestaan door mr. A. Wilpstra-Foppen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 19 december 2025.
De griffier is verhinderd om deze
beslissing te ondertekenen.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.