ECLI:NL:RBMNE:2025:6846

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
19 december 2025
Publicatiedatum
19 december 2025
Zaaknummer
UTR 24/5780
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuursrechtelijke uitspraak inzake compensatie kinderopvangtoeslag en ontvankelijkheid beroep

Op 19 december 2025 heeft de Rechtbank Midden-Nederland uitspraak gedaan in de zaak tussen eiseres en de Dienst Toeslagen. Eiseres had een aanvraag ingediend voor compensatie in het kader van de hersteloperatie toeslagen voor de jaren 2015 tot en met 2019, welke door de Dienst Toeslagen was afgewezen. Eiseres stelde dat zij geen afhaalbericht van PostNL had ontvangen en dat er problemen waren met de aangetekende verzending, waardoor zij te laat beroep had ingesteld. De rechtbank oordeelde dat de niet-ontvankelijkheid van het beroep achterwege kon blijven, omdat er sprake was van een verschoonbare termijnoverschrijding. Vervolgens beoordeelde de rechtbank de inhoudelijke gronden van het beroep. Eiseres voerde aan dat de Dienst Toeslagen voor de toeslagjaren 2017 en 2018 vooringenomen had gehandeld en dat er sprake was van hardheid van het stelsel. De rechtbank concludeerde dat er geen sprake was van institutioneel vooringenomen handelen en dat eiseres niet in aanmerking kwam voor compensatie. Ook het beroep op de hardheidsclausule werd afgewezen, omdat eiseres geen bijzondere omstandigheden had aangetoond. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, wat betekent dat eiseres geen gelijk kreeg en geen vergoeding van griffierecht of proceskosten ontving.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/5780

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 december 2025 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. H.A. Rispens),
en

Dienst Toeslagen,

(gemachtigden: mr. [gemachtigde 1] en mr. [gemachtigde 2] ).

Procesverloop

1. Met het besluit van 22 december 2022 heeft de Dienst Toeslagen de aanvraag van eiseres om compensatie toe te kennen in het kader van de hersteloperatie toeslagen voor de jaren 2015 tot en met 2019, afgewezen. Met het bestreden besluit van 12 juni 2024 op het bezwaar van eiseres is de Dienst Toeslagen, onder verwijzing naar het advies van de bezwaarschriftenadviescommissie, bij die afwijzing gebleven.
1.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De Dienst Toeslagen heeft een verweerschrift ingediend.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 24 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van Dienst Toeslagen.
Wat aan deze procedure voorafging
2. Eiseres heeft op 4 februari 2021 verzocht om een herbeoordeling van haar recht op kinderopvangtoeslag voor de jaren 2015 tot en met 2019.
2.1.
Met de onder het procesverloop weergegeven besluiten heeft de Dienst Toeslagen de toeslagjaren 2015 tot en met 2019 beoordeeld. De Dienst Toeslagen heeft vastgesteld dat eiseres geen recht heeft op een compensatie voor die toeslagjaren.

Beoordeling door de rechtbank

Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3. De rechtbank beoordeelt allereerst ambtshalve of het beroep van eiser ontvankelijk is. Alleen indien het beroep ontvankelijk is, komt de rechtbank namelijk toe aan een inhoudelijk oordeel over het bestreden besluit.
3.1.
Een beroep moet worden ingediend binnen zes weken nadat het besluit bekend is gemaakt. Die termijn vangt aan de dag nadat het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt (artikelen 6:7 en 6:8 van de Algemene wet Bestuursrecht (Awb)). In artikel 3:41 van de Awb staat hoe dat bekendmaken gebeurt.
3.2.
In dit geval heeft de Dienst Toeslagen het bestreden besluit op 11 juni 2024 via PostNL aangetekend verzonden naar het kantooradres van gemachtigde van eiseres. Uit de door de Dienst Toeslagen overgelegde track & trace informatie blijkt dat PostNL op 12 juni 2024 heeft geprobeerd het besluit bij gemachtigde te bezorgen, dat de bezorging niet is gelukt en dat het besluit vanaf 13 juni 2024 klaarlag om op te halen op het PostNL-punt. Toen het na twee weken nog niet was afgehaald, is het retour afzender gestuurd.
3.3.
De rechtbank stelt vast dat het bestreden besluit op 12 juni 2024 per aangetekende post is verzonden naar het juiste adres van de gemachtigde en daarmee op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt. Eiseres heeft meer dan zes weken daarna, op 5 september 2024, beroep ingesteld. Dat is te laat. De hoofdregel is dan dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk behandelt. Soms is dat anders. Dan is er een geldige (verschoonbare) reden waarom de rechtbank het beroepschrift te laat heeft ontvangen. Het gaat dan om omstandigheden waar eiser niets aan kan doen.
3.4.
De gemachtigde van eiseres stelt dat hij pas op 5 september 2024 beroep heeft ingesteld, omdat de Dienst Toeslagen hem op 3 september 2024 telefonisch kenbaar had gemaakt dat het bestreden besluit begin juni 2024 naar zijn kantooradres was verzonden en het besluit toen nogmaals per e-mail aan hem had verstuurd. De gemachtigde stelt dat hij het bestreden besluit niet eerder heeft ontvangen en dat hij van de aangetekende verzending van het besluit op 12 juni 2024 geen afhaalbericht van PostNL heeft ontvangen.
3.5.
Als een besluit aangetekend is verzonden en de betrokkene de ontvangst ervan ontkent, moet in verband met de eventuele verschoonbaarheid van een termijnoverschrijding als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb worden onderzocht of het stuk door het postvervoerbedrijf op regelmatige wijze aan het adres van de belanghebbende is aangeboden. Wanneer het postvervoerbedrijf bij aanbieding van het stuk niemand thuis treft en daarom een afhaalbericht achterlaat, komen de gevolgen van het niet ophalen van dat stuk bij het postvervoerbedrijf voor risico van de belanghebbende. Stelt de belanghebbende geen afhaalbericht te hebben ontvangen, dan ligt het op zijn weg feiten aannemelijk te maken op grond waarvan redelijkerwijs kan worden betwijfeld dat een afhaalbericht is achtergelaten. Daarbij kan relevant zijn of de betrokkene bij het bestuursorgaan heeft geïnformeerd naar de stand van zaken van de besluitvorming. [1]
3.6.
Gelet op wat de gemachtigde in beroep en op de zitting heeft verklaard, acht de rechtbank aannemelijk dat hij van de aangetekende verzending van het besluit op 12 juni 2024 geen afhaalbericht van PostNL heeft ontvangen. Daarbij weegt mee dat het de rechtbank bekend is dat bij PostNL problemen zijn met de aangetekende verzending van poststukken. De rechtbank vindt het verder aannemelijk dat de gemachtigde het poststuk zou hebben opgehaald als hij wel een afhaalbericht had ontvangen. Verder is van belang dat de gemachtigde zelf telefonisch contact heeft opgenomen met verweerder toen hij van eiseres hoorde dat er op het bezwaar zou zijn beslist en dat de gemachtigde het beroep heeft ingediend zo spoedig als dit redelijkerwijs kon worden verlangd. Gelet op deze omstandigheden, is de rechtbank is van oordeel dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. De rechtbank laat daarom de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep achterwege.
Inhoudelijke beoordeling van het beroep
4. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van het verzoek om compensatie in het kader van de hersteloperatie toeslagen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
De hersteloperatie toeslagen
4.1.
Gedurende de looptijd van de hersteloperatie heeft de Dienst Toeslagen op basis van verschillende herstelregelingen compensatie toegekend. Met ingang van 5 november 2022 is de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) van kracht. Op grond van het overgangsrecht worden compensatiebeschikkingen die in het kader van de hersteloperatie toeslagen zijn genomen vóór de inwerkingtreding van de Wht, aangemerkt als beschikkingen die zijn gegeven krachtens de Wht.
4.2.
De compensatieregeling in de Wht is bedoeld voor gedupeerden van zowel institutionele vooringenomenheid als hardheid van het stelsel. De regeling biedt financiële compensatie voor een aantal componenten: teruggevorderde kinderopvangtoeslag, niet toegekende kinderopvangtoeslag of stopgezette voorschotverlening, opgelegde boetes, immateriële schade, proceskosten, invorderingskosten, rentenadeel en materiële schade. In de artikelen 2.2 en 2.3 van de Wht is opgenomen op welke wijze de hoogte van de compensatie voor deze componenten wordt vastgesteld. De berekening van compensatie op basis van deze componenten wordt ook wel integrale beoordeling genoemd.
4.3.
Een aanvrager van kinderopvangtoeslag heeft op grond van artikel 2.1, eerste lid, van de Wht in beginsel recht op door hem aangevraagde compensatie in twee situaties. De eerste is als hij schade heeft geleden doordat over hem voor 23 oktober 2019 bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid van de dienst. De tweede is als hij schade heeft geleden doordat wat hem betreft de toepassing van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir), de Wet kinderopvang (Wko) of de uitvoeringsbepalingen hebben geleid tot onbillijkheden van overwegende aard die voortkomen uit de hardheid van de toepassing die voor 23 oktober 2019 werd gegeven aan het wettelijk systeem.
4.4.
In de memorie van toelichting bij artikel 2.1 van de Wht [2] worden vijf aspecten van institutionele vooringenomenheid benoemd: (1) collectieve stopzetting zonder een voorafgaande individuele beoordeling die dit rechtvaardigde; (2) het breed uitvragen van bewijsstukken over een of meerdere jaren; (3) zero tolerance-onderzoek naar fouten, tekortkomingen en ontbreken bewijsstukken, al dan niet met een tweede check wanneer bij eerste lezing geen grond voor afwijzing was gevonden; (4) het niet nader uitvragen van informatie bij gebleken tekortkomingen in de door de ouder verstrekte bewijsstukken; (5) het afwijzen of reduceren van de aanspraak op kinderopvangtoeslag bij de minste of geringste onregelmatigheid in de door de ouder verstrekte bewijsstukken. Ieder aspect afzonderlijk hoeft niet noodzakelijkerwijs te duiden op institutionele vooringenomenheid, net zomin als het ontbreken van een van deze aspecten wijst op de afwezigheid daarvan. Er kunnen ook nog aanvullende aanwijzingen zijn van institutionele vooringenomenheid, zo blijkt uit de memorie van toelichting.
4.5.
Van hardheid van het stelsel als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel b, van de Wht is sprake als de kinderopvangtoeslag op nihil is vastgesteld in plaats van naar rato van het bedrag van de kosten waarvan de aanvrager van een kinderopvangtoeslag heeft aangetoond dat deze tijdig zijn betaald aan de kinderopvangorganisatie. Ook is sprake van hardheid van het stelsel bij de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden waarbij de kinderopvangtoeslag in zijn geheel is teruggevorderd en deze terugvordering onevenredig was in verhouding tot de met die terugvordering te dienen doelen.
Wat voert eiseres aan?
5. Eiseres voert aan dat de Dienst Toeslagen voor de toeslagjaren 2017 en 2018 vooringenomen heeft gehandeld en ook sprake is van hardheid. Eiseres stond toen onder bewind en zij is over haar recht op toeslag onvoldoende geïnformeerd. Voor het toeslagjaar 2017 is Dienst Toeslagen ten onrechte afgegaan op gegevens over gewerkte uren in de UWV viever. Volgens eiseres had er ook waarde moeten worden toegekend aan de informatie die zij zelf heeft aangeleverd, althans eiseres is hierover onvoldoende geïnformeerd. Eiseres verwijst hiervoor naar het Handboek integrale beoordeling (versie 3.7) par 3.1.2. Volgens eiseres getuigt dit van institutioneel vooringenomen handelen. Daarbij is eiseres in 2018 niet gewezen op de uitloopperiode van artikel 1.6, vijfde lid, van de Wko, dat eiseres bij verlies van arbeid voor een periode van drie maanden haar recht op kinderopvangtoeslag behoudt.
Wat is het oordeel hierover van de rechtbank?
6. Eiseres heeft in de jaren 2017 en 2018 kinderopvangtoeslag ontvangen voor haar kind geboren op [geboortedatum] 2012.
Het toeslagjaar 2017
6.1.
Voor het toeslagjaar 2017 heeft de Dienst Toeslagen een aantal malen het voorschot kinderopvangtoeslag van eiseres herzien nadat eiseres wijzingen had door gegeven over het aantal opvanguren. Op 19 juli 2017 heeft de Dienst Toeslagen bij eiseres nadere informatie opgevraagd, waaronder gegevens over het aantal kinderopvanguren en loonstroken waaruit de gewerkte uren blijken. Deze informatie is op 1 augustus 2017 van eiseres ontvangen. Daarop heeft de Dienst Toeslagen met de beschikking van 21 september 2017 het voorschot kinderopvangtoeslag 2017 verlaagd. Verder heeft eiseres op 26 september 2017 met de Dienst Toeslagen gebeld en naar aanleiding van dat telefoongesprek heeft zij nog aanvullende informatie overgelegd. Uit de door eiseres overgelegde loonstroken heeft de Dienst Toeslagen afgeleid dat eiseres in de maanden mei tot en met september 2017 in totaal 1.161 uur heeft gewerkt, wat overeenkomst met het aantal uren volgens de UWV viever.
6.2.
De rechtbank stelt vast dat de Dienst Toeslagen voor het toeslagjaar 2017 éénmaal informatie bij eiseres heeft opgevraagd. Deze stukken had de Dienst Toeslagen ook nodig om het recht op kinderopvangtoeslag definitief te kunnen vaststellen. Van het breed uitvragen van bewijsstukken is geen sprake. Verder blijkt uit het dossier dat de Dienst Toeslagen het recht op kinderopvangtoeslag 2017 niet uitsluitend op basis van de gegevens uit UWV viever heeft vastgesteld, maar daarbij ook de informatie van eiseres zelf heeft betrokken. Van institutioneel vooringenomen handelen als bedoeld in paragraaf 3.1.2 van het Handboek is daarom geen sprake. Verder is het voorschot kinderopvangtoeslag 2017 van eiseres niet stopgezet of op nihil vastgesteld en is ook niet meer dan € 1.500,- aan toeslag van eiseres teruggevorderd. Van hardheid van het stelsel is daarom evenmin sprake. Dit betekent dat eiseres niet in aanmerking kan komen voor compensatie over het jaar 2017.
Het toeslagjaar 2018
7. Eiseres heeft op 12 januari 2018 via de website haar kinderopvangtoeslag per 13 februari 2018 stopgezet. Naar aanleiding van deze melding heeft de Dienst Toeslagen met de beschikking van 21 februari 2018 het voorschot kinderopvangtoeslag 2018 van eiseres van € 7.134,- verlaagd vastgesteld op € 849,-. Vervolgens heeft eiseres op 16 februari 2018 weer kinderopvangtoeslag aangevraagd per 26 februari 2018. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft de Dienst Toeslagen eiseres om informatie gevraagd, die zij op 4 mei 2018 heeft aangeleverd.
7.1.
De rechtbank volgt eiseres niet in haar betoog dat de Dienst Toeslagen kan worden verweten dat zij over de stopzetting van de kinderopvangtoeslag niet is gewezen op de uitloopperiode van drie maanden. De Dienst Toeslagen heeft in de administratie geen notitie gevonden waaruit blijkt dat eiseres over de stopzetting van de kinderopvangtoeslag per 13 februari 2018 heeft gebeld. De rechtbank is echter van oordeel dat ook als eiseres over de uitloopperiode wel verkeerd zou zijn voorgelicht, dit nog niet betekent dat sprake is van hardheid van het stelsel. Eiseres heeft in mei 2018 telefonisch contact gehad met de Dienst Toeslagen om haar aanvraag met spoed in behandeling te nemen, omdat zij de kinderopvangkosten niet langer kon voorschieten. De Dienst Toeslagen heeft vervolgens met de beschikking van 23 juli 2018 vanaf 26 februari 2018 weer een voorschot kinderopvangtoeslag van € 8.198,- aan eiseres toegekend. Vervolgens heeft eiseres ook over de maand januari 2018 kinderopvangtoeslag toegekend gekregen. Daarmee is eiseres financieel niet benadeeld.
7.2.
Verder blijkt uit het dossier dat de Dienst Toeslagen het voorschot kinderopvangtoeslag 2018 van eiseres een aantal malen heeft herzien naar aanleiding van wijzigingen die eiseres over het aantal opvanguren heeft doorgegeven. De terugvordering van voorschotten in 2018 zijn het gevolg geweest van een afwijking tussen het daadwerkelijk afgenomen aantal uren kinderopvang en het aantal uren kinderopvang op basis waarvan het voorschot kinderopvangtoeslag was berekend. Daarbij is geen sprake van de situatie dat de kinderopvangtoeslag is stopgezet of de voorschotverlening van kinderopvangtoeslag op nihil is vastgesteld of dat meer dan € 1.500,- aan toeslag of voorschotten van eiseres is teruggevorderd. De rechtbank kan ook niet vaststellen dat eiseres over haar recht op kinderopvangtoeslag onjuist zou zijn geïnformeerd. Van institutioneel vooringenomen handelen of van hardheid van het stelsel is daarom geen sprake. Dit betekent dat eiseres niet in aanmerking kan komen voor compensatie over het jaar 2018.
Hardheidsclausule
8. Eiseres heeft tijdens de zitting nog een beroep gedaan op de hardheidsclausule. Eiseres voert daartoe aan dat zij in de schuldsanering zat en onder bewind stond. Eiseres heeft moeten afwachten, waardoor de problemen voor haar steeds groter werden. De Dienst Toeslagen had eiseres daarom meer en beter moeten informeren over haar recht op kinderopvangtoeslag.
8.1.
Op grond van artikel 9.1, eerste lid, van de Wht kan Dienst Toeslagen bij een besluit over toekenning van compensatie afwijken van artikel 2.1 van de Wht voor zover toepassing daarvan gelet op het doel of strekking ervan zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard voor degene die heeft verzocht om de toekenning.
8.2.
De hardheidsclausule kan worden toegepast in bijzondere situaties, waarbij toepassing van de bepaling zelf gelet op de ratio ervan onbillijk uitpakt of wanneer sprake is van schrijnende omstandigheden waardoor toepassing van de wettelijke bepaling achterwege moet blijven. Of het daarbij gaat om een situatie die door de wetgever in algemene zin is of kan zijn voorzien is daarbij niet van doorslaggevend belang. Bij schrijnende omstandigheden kan bijvoorbeeld worden gedacht aan serieuze en structurele financiële nood, aan ernstige medische omstandigheden, of aan andere ontwrichtende persoonlijke omstandigheden. Daarbij gaat het niet zozeer om omstandigheden die zich hebben voorgedaan in de periode waarin de toeslagaffaire zich voltrok en die vanzelfsprekend in veel gevallen schrijnend zijn geweest en tot schade kunnen leiden en ook vaak hebben geleid en waarvoor de herstelmaatregelen uit de Wht beogen een oplossing te bieden. Het moet gaan om actuele omstandigheden die samenhangen met (de gevolgen van) een weigering om de schulden over te nemen of te compenseren. Met het toepassen van de hardheidsclausule wordt een uitzondering gemaakt op de gebruikelijke toepassing van de regel. Dat betekent dat degene die er een beroep op doet, in ieder geval inzichtelijk moet maken waar de bijzonderheid of schrijnendheid in zijn of haar situatie uit bestaat, en dit zo concreet mogelijk dient te onderbouwen. [3]
8.3.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Dienst Toeslagen in redelijkheid de hardheidsclausule niet hoeven toepassen. Eiseres heeft geen omstandigheden aangevoerd waaruit blijkt dat sprake is van een bijzondere situatie. De rechtbank kan begrijpen dat eiseres een moeilijke periode heeft doorgemaakt en dat zij door haar bewind in een lastige financiële situatie zat, maar dat is onvoldoende om de hardheidsclausule toe te passen. Eiseres heeft niet onderbouwd dat er sprake is van actuele omstandigheden die maken dat sprake is van een bijzondere schrijnende situatie. Daarbij is de toepassing van de hardheidsclausule beperkt tot gevallen waarin een aanvrager van een kinderopvangtoeslag schade heeft geleden in de zin van artikel 2.1, eerste lid, van de Wht. [4] Zoals hiervoor is vastgesteld, heeft eiseres geen recht op compensatie en is daarom ook geen sprake van schade. Om die reden kan dus niet worden gesproken van een onbillijkheid van overwegende aard.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van mr. L.E. Mollerus, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 19 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie onder meer de uitspraken van de Afdeling van 2 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3987, en van 11 januari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:84, punt 6.1.
2.Kamerstukken II 2021/22, 36 151, nr. 3, p. 70-71.
3.Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:456.
4.Uitspraak van 19 november 2015, ECLI:NL:RVS:2025:5610.