ECLI:NL:RBMNE:2025:6831

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
19 december 2025
Zaaknummer
UTR 24/4824 - einduitspraak
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Einduitspraak over verkeersbesluit en schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn

In deze einduitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, wordt het beroep van eiser tegen het verkeersbesluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht behandeld. Het verkeersbesluit betreft de Kaatstraat in Utrecht, waar het college heeft bepaald dat de rijbaan uitsluitend bedoeld is voor buslijnen, waardoor regulier autoverkeer niet langer is toegestaan. Eiser heeft in een eerdere tussenuitspraak van 30 mei 2025 geconstateerd dat er een zorgvuldigheidsgebrek was, omdat de geluidbelangen onvoldoende in kaart waren gebracht. Het college heeft daarop aanvullende adviezen ingediend, waaruit blijkt dat de toename van verkeersbewegingen bij de woning van eiser is vastgesteld en dat de geluidsgevolgen zijn geanalyseerd. De rechtbank oordeelt dat het college het zorgvuldigheidsgebrek heeft hersteld, maar verklaart het beroep gegrond vanwege de overschrijding van de redelijke termijn. Eiser krijgt een schadevergoeding van € 1.500,- toegewezen wegens deze overschrijding. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit, maar laat de rechtsgevolgen in stand, waardoor het verkeersbesluit blijft gelden. Eiser krijgt ook een vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/4824 – einduitspraak

uitspraak van de meervoudige kamer van 16 december 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. D. Quakernaat),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht,het college
(gemachtigde: mr. J.J. Broeze).

Waar gaat deze zaak over?

1. Deze einduitspraak gaat over het verkeersbesluit waarmee het college heeft bepaald dat de rijbaan die vanaf de Oudenoord door de Kaatstraat in Utrecht loopt uitsluitend is bedoeld voor buslijnen. Het is regulier autoverkeer daardoor niet langer toegestaan om de Kaatstraat vanaf de Oudenoord in te rijden.
2. In de tussenuitspraak van 30 mei 2025 [1] heeft de rechtbank beslist dat sprake is van een zorgvuldigheidsgebrek omdat de bij het besluit betrokken geluidbelangen onvoldoende in kaart zijn gebracht. De rechtbank heeft het college in de gelegenheid gesteld om het gebrek te herstellen. Van deze mogelijkheid heeft het college gebruik gemaakt en een aanvullende motivering ingediend. Eiser heeft daarop gereageerd.
3. De rechtbank beslist in deze einduitspraak dat het beroep gegrond wordt verklaard gelet op het geconstateerde gebrek, maar dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven.
4. De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten met de brief van 25 november 2025.

Beoordeling door de rechtbank

5. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen.
6. De rechtbank heeft in de tussenuitspraak geconstateerd dat sprake is van een gebrek in de voorbereiding van het bestreden besluit. Daarom zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren. De rechtbank zal hieronder verder beoordelen of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven.
Tussenuitspraak
7. In haar tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, overwogen dat de geluidbelangen bij het verkeersbesluit onvoldoende in kaart zijn gebracht. Het college heeft de berekeningen van het akoestisch onderzoek ten onrechte alleen gebaseerd op (de verkeerstellingen uit) het verkeersmodel, terwijl er concrete reden is om te betwijfelen of het model de werkelijke situatie wel voldoende benadert. Het college heeft namelijk in 2020 en 2023 verkeerstellingen uitgevoerd, die hoger blijken te liggen dan de aantallen uit het verkeersmodel. Als de toename van verkeer door het verkeersbesluit in werkelijkheid groter is dan het model voorspelt, dan is de geluidstoename dat mogelijk ook. De geluidbelangen zijn daarmee onvoldoende duidelijk geworden. Het college heeft daarom geen volledige belangenafweging kunnen maken en de rechtbank kon niet toetsen of het college de nadelige geluidsgevolgen mag laten opwegen tegen de doelen van het verkeersbesluit. De rechtbank heeft het college de opdracht gegeven om alsnog in kaart te brengen wat de gevolgen van het verkeersbesluit voor het geluid bij de woning van eiser zijn en die gevolgen afwegen tegen de doelen die met het verkeersbesluit zijn gediend.
Herstelpoging van het college
8. Het college heeft naar aanleiding van de tussenuitspraak twee adviezen in de procedure gebracht. Een verkeerskundig advies waarin de toename van het aantal verkeersbewegingen bij de woning van eiser wordt geïnventariseerd en een tweede advies over de akoestische gevolgen van die toename.
9. Uit het verkeerskundig advies volgt dat tellingen zijn gebruikt van een verkeersregelinstallatie (VRI) die nabij de woning van eiser staat. Deze VRI voert permanent tellingen uit. Uit de data van deze VRI over de periode van 2022 tot en met mei 2025 volgt dat sprake is van een toename van 1.400 vervoersbewegingen bij een vergelijking van de situatie vóór en na de verkeersmaatregel in 2023.
10. Aan de hand van deze gegevens zijn de geluidsgevolgen bij de woning van eiser in kaart gebracht. Volgens het akoestische advies is sprake van een zuivere toename van geluid met minder dan 1.0 decibel (dB) bij de woning vanwege de verkeersmaatregel. Als wordt gekeken naar alle voorgenomen ontwikkelingen, wordt er een toename van 1.6 dB verwacht. Dit leidt tot een totale geluidbelasting bij de woning van eiser van 64 dB. In vergelijking met andere woningen in Utrecht is dit volgens het college niet uitzonderlijk hoog. Er zijn veel wegen in Utrecht waarbij de geluidbelasting vergelijkbaar of hoger is.
11. In het kader van de belangenafweging stelt het college dat de bestreden verkeersmaatregel aanmerkelijke positieve gevolgen heeft voor de doorstroming van het verkeer. Ook heeft het gunstige gevolgen voor het geluid in brede zin omdat het op meerdere wegvlakken leidt het tot een geluidsreductie. De toename van geluidbelasting bij de woning van eiser is beperkt en in vergelijking met andere woningen in Utrecht niet uitzonderlijk hoog of anderszins afwijkend. Daarom komt het college tot de conclusie dat het bestreden besluit niet onevenredig is voor eiser in verhouding met de met het verkeersbesluit te dienen doelen.
Zienswijze van eiser
12. Eiser heeft in reactie op de herstelpoging een zienswijze ingediend. Eiser heeft – kort gezegd – aangevoerd dat het gebrek niet is hersteld en dat het college ten onrechte concludeert dat de nadelige gevolgen van het verkeersbesluit voor eiser niet opwegen tegen de doelen van dat besluit. Verder herhaalt eiser enkele gronden die hij eerder in zijn beroepschrift naar voren heeft gebruikt.
Beoordeling van het verkeersbesluit
In kaart brengen van de geluidbelangen
13. Eiser voert aan dat de geluidsgevolgen nog steeds niet goed in kaart gebracht, doordat de verkeersintensiteit op een onjuiste manier is berekend. Het college heeft namelijk een relatief drukke periode in 2022 met een relatief rustige periode in 2024 vergeleken. De verkeersintensiteit moet worden bepaald aan de hand van jaarlijks gemiddelde bewegingen van het aantal motorvoertuigen per etmaal. Dat laat een toename van het verkeer met 50 % zien. Met deze toename leidt het verkeersbesluit tot een geluidstoename van meer dan 1.5 dB en niet tot minder dan 1.0 dB.
14. De rechtbank is van oordeel dat het college het geconstateerde zorgvuldigheidsgebrek heeft hersteld. Het college heeft met het verkeerskundig advies en het akoestisch advies de betrokken geluidbelangen voldoende in kaart gebracht. Het college heeft daarbij gebruik gemaakt van actuele cijfers door te kijken naar verkeerstellingen van de VRI over de periode 2022 tot en met mei 2025. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de adviezen. Dat er volgens eiser een verkeerde vergelijking is gemaakt gelet op de gehanteerde periodes, volgt de rechtbank niet. Het college heeft twee periodes van meerdere maanden vergeleken en toegelicht waarom andere momenten onvoldoende representatief zijn. Daarom heeft de rechtbank ook geen reden om te twijfelen aan de geconstateerde geluidstoename.
Belangenafweging
15. Eiser is het oneens met de belangenafweging. De geluidbelasting van 64 dB is niet aanvaardbaar en levert aantoonbare risico’s op negatieve effecten voor de gezondheid en het welzijn op van hemzelf en zijn gezin. De geluidsbelasting ligt namelijk hoger dan de advieswaarde van de World Health Organisation (WHO) van 53 dB en in Vlaanderen wordt een geluidsniveau van meer dan 60 dB niet toegestaan. Ook wordt de leefkwaliteit van de woning van eiser ernstig aangetast door het verkeersbesluit omdat het onmogelijk is om de ramen aan de voorkant van de woning open te doen. Daarnaast vorm een vergelijking met andere locaties in Utrecht geen rechtvaardiging voor verslechtering op de locatie van eiser.
16. De rechtbank is van oordeel dat het college een zorgvuldige belangenafweging heeft gemaakt, waarbij het college de belangenafweging in het nadeel van eiser heeft mogen laten uitvallen. Het college heeft mogen vinden dat de toename van de geluidsbelasting bij de woning van eiser niet opweegt tegen de doelen van het verkeersbesluit, zoals hierboven onder 11 weergegeven. Daarbij heeft het college mogen meewegen dat de geluidsbelasting niet hoger is dan op andere plekken in Utrecht. Voor wat betreft de negatieve effecten voor de gezondheid en het welzijn van eiser en zijn gezin, merkt de rechtbank op dat de algemene verwijzing naar de WHO en regels in België onvoldoende zijn om te oordelen dat eiser en zijn gezin dermate grote gezondheidsrisico’s lopen als gevolg van het verkeersbesluit, dat die niet opwegen tegen de doelen daarvan. Eiser heeft niet onderbouwd dat hij of zijn gezin gezondheidsklachten hebben die het gevolg zijn van de toename van geluid als gevolg van het verkeersbesluit. Eiser heeft ook niet onderbouwd dat als gevolg van dit verkeersbesluit de luchtkwaliteit is verslechterd en voor zover daarvan al sprake zou zijn, heeft het college dat ook niet zwaarder hoeven laten wegen in de belangenafweging. Tot slot heeft het college meer gewicht mogen toekennen aan de doelen van het verkeersbesluit dan aan de (on)mogelijkheid tot ventilatie bij de ramen aan de voorzijde van eisers woning. Van een dermate ernstige aantasting van het leefklimaat van eiser is niet gebleken. Ook dit maakt niet dat het college de belangenafweging de andere kant op had moeten laten vallen.
Overige gronden
17. In het beroepschrift voert eiser nog aan dat het college vooringenomen handelt door koste wat het kost bij het verkeersbesluit te blijven. Daarnaast herhaalt eiser in zijn zienswijze zijn eerdere gronden dat er een milieueffectrapportage (MER)-procedure had moeten worden gevolgd en niet wordt voldaan aan de SMB-richtlijn.
18. De rechtbank oordeelt dat niet is gebleken dat het college vooringenomen heeft gehandeld. Er zijn weliswaar twee beroepsprocedures met een keer een bestuurlijke lus geweest, maar dat maakt het handelen van het college niet vooringenomen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
19. De rechtbank heeft daarnaast in de tussenuitspraak al geoordeeld dat zij de beroepsgronden over de MER-procedure en de SMB-richtlijn niet behandeld, omdat eiser dit in de eerdere beroepsprocedure had kunnen aanvoeren en dit niet heeft gedaan. Er bestaat geen aanleiding om op dat oordeel in de tussenuitspraak terug te komen.
Conclusie
20. De rechtbank komt dus tot de conclusie dat het college het gebrek heeft hersteld. De rechtsgevolgen van het bestreden besluit kunnen daarom in stand blijven. Dat betekent dat het verkeersbesluit standhoudt.
Schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn
21. Eiser heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
22. De redelijke termijn is overschreden als de bezwaar- en beroepsfase samen langer dan twee jaar hebben geduurd. Daarbij is een termijn van zes maanden voor de behandeling van het bezwaar en een termijn van anderhalf jaar voor de behandeling van het beroep redelijk. Voor de hoogte van de schadevergoeding is het uitgangspunt een tarief van € 500,- per half jaar of een gedeelte daarvan waarmee de termijn is overschreden, naar boven afgerond.
23. In dit geval is tweemaal een bezwaar- en beroepsprocedure doorlopen. Ook in zo’n situatie wordt de redelijke termijn overschreden als vanaf de indiening van het bezwaarschrift tot het moment van de (eind)uitspraak door de rechtbank in de laatste beroepsprocedure een periode van meer dan twee jaar is verstreken. Eiser heeft op 9 december 2022 bezwaar gemaakt tegen het verkeersbesluit van 30 november 2022. Vanaf de datum van indiening van het bezwaarschrift tot de datum van deze einduitspraak zijn drie jaar en één maand (naar boven afgerond) verstreken. Dit betekent dat de redelijke termijn met één jaar en één maand is overschreden. Er zijn geen bijzondere omstandigheden die aanleiding kunnen geven voor verlenging van de redelijke termijn.
24. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State wordt in een geval als dit, waarin een vernietiging door de rechtbank van een besluit op bezwaar leidt tot een hernieuwde behandeling van het bezwaar en een hernieuwde behandeling door de rechter, de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel volledig aan het bestuursorgaan toegerekend. [2] Als echter in de loop van de hele procedure één of meerdere keren sprake is (geweest) van een langere behandelingsduur bij een rechterlijke instantie dan gerechtvaardigd, dan komt de periode waarmee die rechterlijke instantie de behandelingsduur heeft overschreden, niet voor rekening van het bestuursorgaan, maar van de Staat der Nederlanden.
25. Gebleken is dat de behandelduur bij de rechtbank na ontvangst van het eerste beroepschrift op 22 mei 2023, tot aan de uitspraak van 28 februari 2024, negen maanden is geweest. Dit is geen onredelijk lange termijn. Vervolgens heeft de huidige behandelduur bij deze rechtbank na ontvangst van het tweede beroepschrift op 16 juli 2024 tot aan deze uitspraak (inclusief bestuurlijke lus) een jaar en vijf maanden geduurd. Dit betekent dat ook in de tweede rechterlijke beroepsfase de termijn van ten hoogste anderhalf jaar niet is overschreden. Hieruit volgt dat de overschrijding van de redelijke termijn geheel aan het college is toe te rekenen.
26. De totale door eiser geleden immateriële schade in de gehele procedure wordt vastgesteld op een bedrag van € 1.500,- (drie keer € 500,-). Het college wordt veroordeeld tot het betalen van die schadevergoeding aan eiser.

Conclusie en gevolgen

27. Gelet op het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank is wel van oordeel dat het college het gebrek heeft hersteld met de aanvullende motivering. Daarom laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand. Dat betekent dat het verkeersbesluit blijft gelden.
28. Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 2.721,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend, aan de zitting heeft deelgenomen en een zienswijze heeft ingediend. Voor het verzoek om schadevergoeding kent de rechtbank een procespunt toe met de wegingsfactor 0,5. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
29. Daarnaast krijgt eiser een schadevergoeding voor de overschrijding van de redelijke termijn. Het college moet die aan eiser betalen.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 12 juli 2024;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
- veroordeelt het college tot het betalen van € 1.500,- aan schadevergoeding aan eiser;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 187,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 2.721,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.T. Könning, voorzitter, en mr. R.C. Moed en mr. A.A.M. Elzakkers, leden, in aanwezigheid van mr. A. Wilpstra-Foppen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 16 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 29 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2014:188 en van 2 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4178.